ECLI:NL:RBDHA:2025:10520
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-06-17
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Vervolgberoep. Bewaring. Voortvarend handelen niet verplicht bij bewaring o.g.v. asielaanvraag. Ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.24920 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E. Stap), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: J.C. van de Leuv). Procesverloop Verweerder heeft op 6 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Verweerder heeft een voortgangsrapport overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en op 10 juni 2025 het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [datum] 1995 en heeft de Letse nationaliteit. 2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 16 april 2025 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is. 4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Op 25 maart 2025 heeft het laatste vertrekgesprek plaatsgevonden. Verder blijkt uit niets dat andere uitzettingshandelingen zijn verricht. 5. De rechtbank overweegt het volgende. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw. De maatregel van bewaring is namelijk niet gericht op terugkeer. Dit betekent dat verweerder bij een maatregel van bewaring op deze grondslag niet gehouden is om voortvarend handelingen te verrichten ter voorbereiding van de uitzetting van eiser, zodat eiser niet wordt gevolgd in zijn stelling. 6. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. 7. Het beroep is ongegrond. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 17 juni 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . De uitspraak is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, c en d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Rb. Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 22 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6707. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ABRvS 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1553.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...