ECLI:NL:RBDHA:2025:10048
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-06-10
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Sri Lanka man en vrouw - opvolgende asielaanvragen / verzoek vergoeding kosten iMMO-onderzoek/ verzoeken om heroverweging – verweerder had moeten onderzoeken of het inmiddels geloofwaardige geachte op eiseres uitgeoefende seksuele en ander geweld reeds noopt tot het verlenen van internationale bescherming, dan wel tot het verlenen van een vergunning op reguliere gronden en had het ondergane seksuele geweld als zelfstandig element/asielmotief moeten aanmerken – verweerder miskent de bewijswaarde van forensisch medisch onderzoek en kan de medische bevindingen niet terzijde leggen enkel omdat deze geen “sluitend bewijs” opleveren - In het forensisch medisch onderzoek wordt een causale relatie geduid tussen de verklaringen zoals de vreemdeling die in het iMMO-onderzoek aflegt en de in dat onderzoek waargenomen en eerder gerapporteerde fysieke letsels, medische en psychische klachten.- medische bevindingen kunnen het relaas ondersteunen en dit kan in meer of mindere mate het geval zijn. Verweerder dient de medische bevindingen dan ook in samenhang met alle andere bewijsmiddelen te onderzoeken en pas daarna te beoordelen of het asielrelaas geloofwaardig kan worden geacht.- verweerder heeft geen deskundigenonderzoek laten verrichten om de bevindingen van de iMMO-rapportage te weerleggen - het verschil dat verweerder maakt tussen vergoeding van kosten van iMMO-onderzoek in eerste en opvolgende aanvragen is niet gerechtvaardigd en overigens levert verweerder geen maatwerk en is niet onderzocht en gemotiveerd of redelijkerwijze van eiseres kon worden verwacht dat zij in de eerste procedure een iMMO-rapportage had overgelegd – Verweerder heeft zich geen enkele rekenschap gegeven of hij zelf medisch onderzoek had moeten verrichten - verweerder miskent het beoordelingskader bij opvolgende aanvragen; verweerder dient alle bewijsmiddelen die in alle procedures zijn aangedragen om eenzelfde asielmotief te onderbouwen in onderlinge samenhang te beoordelen en dan te beoordelen of de verklaringen die aan de asielaanvraag ten grondslag liggen geloofwaardig kunnen worden bevonden en verweerder dient de bewijsmiddelen die door eiser en eiseres zijn aangedragen ook in elkaars procedures hier bij te betrekken – dat een eerder genomen besluit in rechte vaststaat is niet meer dan een momentopname - verweerder had op grond van zijn eigen beleid eiser moeten horen over de wijze waarop hij zijn politieke overtuiging reeds heeft geuit, thans uit en wil blijven uiten na een mogelijke terugkeer- de afwijzing van de verzoeken om heroverweging zijn ondeugdelijk gemotiveerd en kunnen ook geen stand houden omdat de besluiten op de opvolgende aanvragen worden vernietigd – alle besluiten worden vernietigd, alle beroepen zijn gegrond & PKV.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht Zaaknummers: NL23.32688, NL25.403 en NL25.405 Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1989 in Sri Lanka, (V-nummer: [v-nummer] ), eiseres, [eiser] , geboren op [geboortedatum] 1986 in Sri Lanka, (V-nummer: [v-nummer] ), eiser, en hun kinderen, [eiser] , geboren op [geboortedatum] 2018 in Nederland, [eiser] , geboren op [geboortedatum] 2023 in Nederland, allen de Sri Lankaanse nationaliteit, hierna gezamenlijk aangeduid als: eisers, (gemachtigde: mr. E. Derksen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. M. Volker). Procesverloop Eisers hebben op 14 juli 2021 opvolgende asielaanvragen ingediend. Eiseres heeft op 26 november 2022 verzocht om vergoeding van de kosten in verband met het laten verrichten van een medisch onderzoek door het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO) en het opstellen van een rapportage die zij heeft overgelegd om haar opvolgende asielaanvraag te staven. Verweerder heeft op 28 maart 2023 bij afzonderlijke besluiten de opvolgende asielaanvragen van eisers afgewezen als kennelijk ongegrond als bedoeld in artikel 31, eerste lid, Vw juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, Vw. In deze besluiten is verwezen naar de op 21 augustus 2019 vastgestelde terugkeerbesluiten, is bepaald dat eisers onmiddellijk moeten voldoen aan hun vertrekplicht en zijn aan hen inreisverboden met een duur van twee jaar opgelegd. Eisers hebben beroep ingesteld tegen deze besluiten en hebben verweerder tevens verzocht om heroverweging van de besluiten op hun eerste asielaanvragen. Bij besluit van 17 mei 2023 (het primaire besluit) is het verzoek van eiseres om kostenvergoeding afgewezen. Bij besluit van 19 september 2023 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard. Eiseres heeft op 13 oktober 2023 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1, waarin het bezwaar tegen de afwijzing van haar verzoek om kostenvergoeding kennelijk ongegrond is verklaard (NL23.32688). Op 22 februari 2024 heeft verweerder de op 28 maart 2023 genomen besluiten op de opvolgende asielaanvragen ingetrokken, waarna eisers de beroepen tegen deze besluiten hebben ingetrokken. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 op 23 februari 2024 op zitting behandeld. Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Op 18 maart 2024 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld nog geen uitspraak te doen, maar te wachten totdat verweerder opnieuw heeft beslist op de opvolgende asielaanvraag van eiseres. Bij afzonderlijke besluiten van 31 december 2024 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de opvolgende asielaanvragen van eisers afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vw en artikel 30b, eerste lid aanhef en onder g, Vw. In deze besluiten is verwezen naar de op 21 augustus 2019 vastgestelde terugkeerbesluiten en is aan eisers een inreisverbod voor de duur van 2 jaar opgelegd. In het op de opvolgende asielaanvraag van eiser genomen besluit, is vermeld dat het verzoek van eiser om heroverweging van het besluit op zijn eerste asielaanvraag wordt afgewezen. Eisers hebben op 5 januari 2025 tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld (NL25.403 en NL25.405) en de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen (NL25.404 en NL25.406). Bij aanvullend besluit van 28 mei 2025 heeft verweerder het verzoek van eiseres om heroverweging van het besluit op haar eerste asielaanvraag afgewezen. De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen bestreden besluit 1 en de beroepen van eisers tegen de bestreden besluiten, de beroepen tegen de afwijzing van de verzoeken om heroverweging en de verzoeken om voorlopige voorzieningen op 4 juni 2025 (verder) op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en op verzoek van hun gemachtigde buiten elkaars aanwezigheid door de rechtbank gehoord over hun beroep(en) en verzoeken. Als tolk is verschenen A.P. Shantham. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eisers zijn in 2017 Nederland ingereisd en hebben op 28 februari 2018 asielaanvragen ingediend. De afwijzing van deze aanvragen staat in rechte vast door de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2020. 2. Bij beschikking van 17 juni 2021 is de aanvraag van eiseres om toepassing van artikel 64 Vw afgewezen. De rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft bij uitspraak van 28 februari 2022 het beroep tegen deze afwijzing afgewezen. De rechtbank heeft onder meer overwogen om niet, zoals door eiseres was verzocht, te wachten op het arrest van het Hof in de verwijzing van de rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 4 februari 2021 over medische uitzettingsbeletselen (ECLI:NL:RBDHA:2021:800). Volgens de rechtbank was “het toetsingskader duidelijk” en volgde uit de Afdelingsjurisprudentie dat verweerder niet ten onrechte een vaste termijn van drie maanden als uitgangspunt nam bij de beoordeling of uitstel van vertrek moest worden verleend. Het Hof heeft evenwel in het Medicinale Cannabis-arrest onder meer verduidelijkt dat de lidstaten geen strikte termijn mogen vaststellen waarbinnen medische gevolgen moeten intreden om aan de oplegging van een terugkeerbesluit of verwijderingsmaatregel in de weg te staan (arrest van het Hof van 22 november 2022 in de zaak X (Medicinale Cannabis), C‑69/21, ECLI:EU:C:2022:913). Eiseres heeft geen nieuw verzoek gedaan om toepassing van artikel 64 Vw. 3. Eisers hebben op 14 juli 2021 opvolgende aanvragen ingediend en deze aanvragen onderbouwd met hun verklaringen, een iMMO-rapportage, andere medische stukken, meerdere documenten, foto’s en landeninformatie. 4. In de eerste asielprocedure zijn de asielrelazen als volgt weergegeven. Eiser heeft aan zijn aanvraag het relaas ten grondslag gelegd dat hij in Mandur in Sri Lanka een vriendengroep vormde met [naam 1] , [naam 1] , [naam 1] en [naam 1] . In april 2004 raakten ze ook bevriend met [naam 1] en [naam 1] . [naam 1] en [naam 1] waren lid van Karuna, een afsplitsing van de Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE). Zij trokken intensief met elkaar op. Drie maanden na de kennismaking met [naam 1] en [naam 1] was er een bomaanslag op het kantoor van de LTTE in Mandur. Volgens eiser werden hij en zijn vrienden door de LTTE verdacht van de bomaanslag en/of betrokkenheid bij Karuna. De vrienden van eiser, [naam 1] en [naam 1] , waren na de aanslag verdwenen, maar zijn vrienden [naam 1] en [naam 1] zijn opgepakt door LTTE. [naam 1] werd na een paar dagen weer vrijgelaten en vertelde eiser toen dat hij was gemarteld en dat de LTTE naar [naam 1] , [naam 1] en naar hem had gevraagd. Eiser is daarom twee weken ondergedoken. Ook [naam 1] is toen ergens ondergedoken. Daarna is eiser in een hotel aan de slag gegaan als inwonend assistent kok. Eiser heeft zo ondergedoken gezeten tot maart 2007. [naam 1] is na zijn hiervoor genoemde vrijlating een paar dagen later alsnog door de LTTE doodgeschoten. Ook [naam 1] is doodgeschoten, dat was in november 2004. Wat er verder met [naam 1] , [naam 1] en [naam 1] is gebeurd, weet eiser niet. De familie van [naam 1] denkt dat eiser de schuilplaats van [naam 1] aan de LTTE heeft verraden en wil hem daarom doden. In maart 2007 is eiser naar Qatar gegaan. Toen de problemen met de LTTE in Sri Lanka ten einde waren gekomen, ging eiser vanuit Qatar een paar keer met vakantie naar Sri Lanka. Volgens eiser ging hij dan niet naar Mandur, omdat de familie van [naam 1] in Mandur woont. In januari 2015 is eiser teruggekeerd naar Sri Lanka voor een traditioneel huwelijk met zijn echtgenote (eiseres). Een paar dagen daarna kwam de CID naar de woning van eiseres. Eiser was gewaarschuwd voor de komst van de CID en was daarom niet thuis. Eiseres echter was thuis gebleven en is toen door de CID in een wit busje meegenomen, mishandeld en misbruikt. Niet lang daarna zijn eiseres en eiser vanuit Colombo naar Qatar gereisd. In 2017 heeft eiser Qatar verlaten omdat zijn arbeidscontract niet werd verlengd. Hij is toen samen met eiseres via Nederland naar Zwitserland gevlucht. De Zwitserse autoriteiten hebben eisers op grond van de Dublinverordening overgedragen aan Nederland. In de tussentijd is volgens eiseres de CID meerdere keren bij familieleden van hen in Sri Lanka langs gegaan. 5. Ten aanzien van eiser waren in de eerste procedure de navolgende relevante elementen vastgesteld: -Identiteit, nationaliteit en herkomst van betrokkene. -Betrokkene wordt gezocht door de autoriteiten in Sri Lanka. Ten aanzien van eiseres waren in de eerste procedure de navolgende relevante elementen vastgesteld: -Identiteit, nationaliteit en herkomst van betrokkene. -De echtgenoot van betrokkene wordt gezocht door de autoriteiten in Sri Lanka. 6. Eisers leggen aan hun opvolgende asielaanvragen dezelfde feiten en omstandigheden ten grondslag. Eiser heeft zich in de opvolgende procedure daarnaast op het standpunt gesteld dat hij ook in Nederland zijn politieke overtuiging heeft geuit en hij voornemens is om dat na een mogelijke terugkeer ook te doen. Verweerder heeft de aanvankelijk genomen besluiten op de opvolgende aanvragen ingetrokken omdat gelet op het arrest van het Hof van 21 september 2023 in de zaak S.A. (arrest van het Hof 21 september 2023 in de zaak S.A tegen Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, in tegenwoordigheid van: Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen, UNHCR, C-151/22, ECLI:EU:C:2023:688) nader moest worden beoordeeld of aan eiser(s) bescherming moest worden geboden in verband met de politieke overtuiging van eiser. Eiser heeft om zijn opvolgende aanvraag te staven meerdere documenten en foto’s overgelegd. Eiser stelt dat hij aanvullend gehoord had moeten worden over de wijze waarop hij nu en na terugkeer uiting geeft en wil geven aan zijn politieke overtuiging. 7. Verweerder heeft gelet op de verklaringen van eiser in de opvolgende procedure van eiser een derde ‘asielmotief’ geduid: “U bent sinds uw jeugd politiek actief voor Tamils, u demonstreert in Nederland voor de rechten van de Tamils en u plaatst berichten hierover op Facebook.” 8. Ten aanzien van eiseres zijn de in de eerste procedure vastgestelde relevante elementen in de opvolgende procedure als ‘asielmotieven’ geduid. Eiseres heeft aan haar opvolgende aanvraag een brief van Fier! Van 20 april 2021, een brief van de GZ psycholoog, een artikel van 14 februari 2022:”Rev. Fr. Cyril Gamini concerned over the return of the white Vans en een rapportage van het iMMO van 23 november 2022 overgelegd. Eiseres heeft tevens verzocht om vergoeding van de kosten van het iMMO-onderzoek en stelt dat het inroepen van de deskundige redelijk was, de deskundigenkosten redelijk zijn en uit de inhoud van de IMMO-rapportage naar voren komt dat van eiseres in redelijkheid niet kon worden verwacht deze rapportage eerder in te dienen. 9. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de afwijzing van hun opvolgende asielaanvragen, het beroep tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om de kosten van de door eiseres overgelegde iMMO-rapportage te vergoeden en de beroepen tegen de afwijzing van de verzoeken van eisers om heroverweging. Op de verzoeken om een voorlopige voorziening wordt in een afzonderlijke uitspraak door de voorzieningenrechter beslist. 10. De aanvankelijke besluiten van 28 maart 2023 op de opvolgende aanvragen van 14 juli 2021, zijn op 22 februari 2024 ingetrokken om nader te kunnen beoordelen of -kort gezegd- het arrest van het Hof van 21 september 2023 (arrest van het Hof van 21 september 2023 in de zaak S.A. tegen Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, in tegenwoordigheid van: Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen, UNHCR C-151/22, ECLI:EU:C:2023:688)- tot een andere beoordeling van de asielverzoeken zou moeten leiden. 11. De besluiten in de opvolgende asielprocedures zijn, na intrekking van de op 28 maart 2023 genomen besluiten, genomen op 31 december 2024 en de geloofwaardigheid van de relazen is derhalve beoordeeld op grond van het in paragraaf C1/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 neergelegde beleid en de toelichting hiervan in “Werkinstructie WI 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel)”. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 7 januari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:136 en ECLI:NL:RBDHA:2025:139) en op 18 februari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:2170) prejudiciële vragen gesteld over -kort gezegd- de verenigbaarheid van de wijze waarop vanaf 1 juli 2024 de geloofwaardigheid van asielrelazen wordt beoordeeld met het Unierecht. Omdat de rechtbank na de behandeling van de beroepen ter zitting tot de conclusie is gekomen dat de besluiten op de opvolgende asielaanvragen moeten worden vernietigd ongeacht of de “nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling” verenigbaar is met het Unierecht, acht de rechtbank het niet noodzakelijk om in deze procedure de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof af te wachten. De rechtbank overweegt hierbij dat het in het belang van beide partijen is om reeds nu te motiveren waarom de besluiten op de opvolgende asielaanvragen niet in stand kunnen blijven en verweerder in de gelegenheid te stellen om grondiger te onderzoeken of aan eisers internationale bescherming moet worden verleend. 12. De rechtbank zal alle beroepen gegrond verklaren en motiveert dit als volgt. Opvolgende aanvraag eiseres - seksueel geweld als zelfstandige reden voor vergunningverlening 13. Zoals hiervoor overwogen heeft verweerder zowel in de eerste als in de opvolgende aanvraag het relaas van eiseres, naast de identiteit, nationaliteit en herkomst, als relevent element/asielmotief geduid als “de echtgenoot van eiseres wordt gezocht door de autoriteiten van Sri Lanka”. De rechtbank overweegt dat eiseres zich terecht op het standpunt stelt dat verweerder het op eiseres uitgeoefende seksuele geweld en met name de gestelde verkrachting door de Sri Lankaanse autoriteiten, als zelfstandig asielmotief had moeten benoemen. Verweerder acht op grond van de overgelegde iMMO-rapportage geloofwaardig dat eiseres slachtoffer is van ernstig seksueel en ander geweld, maar acht de toedracht, meer in het bijzonder de verklaringen over wie de daders zijn, niet geloofwaardig. De rechtbank overweegt dat verweerder dit nader had moeten onderzoeken en nader had moeten motiveren. Ook indien het seksuele geweld niet door de autoriteiten zou zijn gepleegd, zal verweerder -ten minste- moeten onderzoeken of het ondergane seksuele geweld ongeacht wie de daders zijn, noopt tot verlening van internationale bescherming of tot verlening van een vergunning op reguliere gronden. 14. De ernst van het -geloofwaardig bevonden- seksuele en andere geweld vereist dat verweerder zich ervan vergewist of eiseres na een mogelijke terugkeer naar Sri Lanka een reëel een voorzienbaar risico loopt op vervolging of ernstige schade. In artikel 4, lid 4 van richtlijn 2011/95 heeft de Uniewetgever uitdrukkelijk bepaald dat “het feit dat de verzoeker in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan ernstige schade, of dat hij rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of dergelijke schade, een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet op nieuw zal voordoen.”. 13. De rechtbank overweegt dat verweerder uiterst alert moet zijn indien een verzoeker om internationale bescherming verklaart slachtoffer te zijn geweest van seksueel geweld, hiervoor te vrezen, danwel hiermee bedreigd te zijn. Deze verklaringen, ook als het hebben moeten ondergaan van seksueel geweld niet als zelfstandig asielmotief wordt aangedragen, moeten grondig worden onderzocht en zorgvuldig worden beoordeeld. 14. De rechtbank wijst in dit verband op het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen en meer in bijzonder op General recommendation No 32. on the gender-related dimensions of refugee status, asylum, nationality and statelessness of women”, voor zover hierin het navolgende is bepaald: (…) 25. Article 2 (c) of the Convention requires that State asylum procedures allow women’s claims to asylum to be presented and assessed on the basis of equality in a fair, impartial and timely manner. A gender-sensitive approach should be applied at every stage of the asylum process. This means that women’s claims to asylum should be determined by an asylum system that is informed, in all aspects of its policy and operations, by a thorough understanding of the particular forms of discrimination or persecution and human rights abuses that women experience on grounds of gender or sex. Owing to shame, stigma or trauma, some women may be reluctant to disclose or identify the true extent of the persecution that they have suffered or fear. Account needs to be taken of the fact that they may continue to fear persons in authority or rejection and/or reprisals from their family and/or community . In any event, they should be entitled to appeal against first-instance asylum decisions. onderstreping door de rechtbank) (…) 15. De rechtbank overweegt dat dit verdrag specifiek betrekking heeft op de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, maar dat de verplichtingen die hieruit voortvloeien om discriminatie uit te bannen en een gender-sensitieve benadering van asielverzoeken te betrachten en rekening te houden met specifieke vormen van discriminatie die verband houden met het geslacht van de vreemdeling -vanzelfsprekend en onverkort- gelden indien een mannelijke asielzoeker verklaart over op hem uitgeoefend seksueel geweld. Ook voor mannen kan aan de orde zijn dat gevoelens van schaamte, stigma of trauma in de weg staan aan het aanstonds na het indienen van een asielaanvraag in staat zijn verklaringen over het ondergane seksuele geweld af te leggen. 16. De rechtbank wijst om vergelijkbare redenen ook op het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. In dit verdrag is in artikelen 60 en 61 het navolgende bepaald: (…) Artikel 60. Gendergerelateerde asielverzoeken 1.De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat gendergerelateerd geweld tegen vrouwen kan worden erkend als een vorm van vervolging in de zin van artikel 1, A, tweede lid, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951 en als een vorm van ernstig gevaar die aanleiding geeft voor aanvullende/extra bescherming. 2.De partijen waarborgen dat elk van de gronden uit dat Verdrag op gendersensitieve wijze wordt uitgelegd en dat, indien wordt vastgesteld dat er op basis van een of meer van deze gronden reden is voor vrees voor vervolging, de aanvragers de vluchtelingenstatus wordt toegekend in overeenstemming met de van toepassing zijnde instrumenten. 3De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om gendersensitieve opvangprocedures en ondersteuningsdiensten voor asielzoekers op te zetten alsmede genderrichtlijnen en gendersensitieve asielprocedures, met inbegrip van de vaststelling van de vluchtelingenstatus en verzoeken om internationale bescherming. Artikel 61. Non-refoulement 1.De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat het beginsel van non-refoulement wordt geëerbiedigd in overeenstemming met bestaande verplichtingen uit hoofde van het internationale recht. 2.De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat slachtoffers van geweld tegen vrouwen die bescherming nodig hebben ongeacht hun verblijfstitel of woonplaats onder geen enkele omstandigheid worden teruggezonden naar een land waar hun leven gevaar zou lopen of waar zij onderworpen zouden kunnen worden aan marteling of een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. (…) 17. Ook uit dit verdrag volgt dat verweerder dus te allen tijde alert moet zijn indien een vreemdeling verklaart slachtoffer te zijn van seksueel geweld en dat dit temeer geldt indien de vreemdeling verklaart dat het seksuele geweld is uitgeoefend door de autoriteiten van het land van herkomst. Ook om invulling te geven aan zijn verdragsverplichtingen had verweerder moeten onderzoeken of het op eiseres uitgeoefende seksuele en andere geweld op zichzelf beschouwd aanleiding had moeten zijn om de opvolgende asielaanvraag in te willigen. Om hieraan -kenbaar- invulling te geven en om hiertoe deugdelijk in staat te zijn, dient verweerder dan ook de omstandigheid dat eiseres slachtoffer is van seksueel geweld als zelfstandig asielmotief aan te merken en als zelfstandig asielmotief te onderzoeken en te beoordelen. Verweerder heeft dit niet gedaan zodat de rechtbank vaststelt dat verweerder reeds hierdoor niet zorgvuldig en grondig heeft onderzocht of eiseres in aanmerking moet worden gebracht voor internationale bescherming. Eiseres heeft om haar beroep te onderbouwen dus terecht verwezen naar beide verdragen, 18. Eiseres heeft voorts terecht aangevoerd dat zij stelt dat zij -zelf- vanwege de politieke overtuiging van haar man vreest voor vervolging en dat zij stelt voor een verblijfsvergunning vanwege klemmende redenen van humanitaire aard in aanmerking te komen en verweerder dit dus als zodanig had moeten onderzoeken. 19. De rechtbank overweegt dat verweerder in de opvolgende procedure niet onverkort de in de eerste procedure aangemerkte relevante elementen als asielmotieven kan duiden. Eiseres beroept zich weliswaar op dezelfde feiten en omstandigheden als in de eerste procedure. Verweerder acht nu echter de kern van het relaas van eiseres, te weten dat zij slachtoffer is van ernstig seksueel en ander geweld geloofwaardig en dit brengt dus een nadere onderzoeksplicht voor verweerder mee. Verweerder dient zich ook te vergewissen of de Sri Lankaanse autoriteiten bereid en in staat zijn om bescherming te bieden aan vrouwen die slachtoffer zijn geweest of dreigen te worden van seksueel geweld. 20. Elke asielaanvraag dient op zijn eigen merites te worden beoordeeld. Verweerder kan dus niet volstaan met het benoemen dat het asielmotief van eiseres voortvloeit uit het asielmotief van eiser en omdat het relaas van eiser ongeloofwaardig is bevonden, het relaas van eiseres dus ook ongeloofwaardig is. De omstandigheid dat dit in het eerste besluit ook zo is geschied en de rechters in eerste en in tweede aanleg die beoordeling hebben “goedgekeurd”, betekent niet dat de rechtbank dit in de opvolgende procedure moet overnemen en/of zal overnemen. Reeds omdat verweerder de kern van het relaas waarop de vrees van eiseres en dus ook haar asielaanvraag is gebaseerd, anders dan in de eerste procedure nu wel geloofwaardig acht, betekent dit dat het besluit op de opvolgende asielaanvraag van eiseres onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en het besluit onvoldoende toereikend is gemotiveerd. De rechtbank overweegt hierbij dat indien het relaas van eiseres alsnog (deels) geloofwaardig wordt bevonden, dit ook steunbewijs voor het relaas van eiser oplevert. De bewijsmiddelen die eiser en eiseres in hun eerste en in hun opvolgende procedure hebben aangedragen, dienen door verweerder in onderlinge samenhang te worden onderzocht. Verweerder lijkt dit te hebben miskend en heeft ook miskend dat hij het relaas van eiseres niet langer integraal ongeloofwaardig heeft geacht. Opvolgende aanvraag eiseres - bewijswaarde forensisch medisch onderzoek 21. Verweerder acht -in deze fase van de procedure inmiddels- het door eiseres gestelde op haar uitgeoefende seksuele en ander geweld geloofwaardig. Verweerder stelt alleen dat er geen “bewijs” is dat dit op haar uitgeoefende geweld verband houdt met de problemen die haar man in Sri Lanka heeft ondervonden. De rechtbank overweegt dat verweerder, ook in deze procedure, de bewijswaarde van medisch forensisch onderzoek miskent. Vanzelfsprekend levert medisch onderzoek op een hoge uitzondering na, geen “sluitend bewijs” en 100% zekerheid op dat de verklaringen van de vreemdeling “waar zijn”. In het forensisch medisch onderzoek wordt echter wel een causale relatie geduid tussen de verklaringen zoals de vreemdeling die in het iMMO-onderzoek aflegt en de in dat onderzoek waargenomen en eerder gerapporteerde fysieke letsels, medische en psychische klachten. 22. In de IMMO-rapportage is onder meer het navolgende opgenomen: (…) Het doel van het forensisch medisch onderzoek is te beoordelen in welke mate de medische klachten (lichamelijke en psychische klachten) die aanwezig zijn, kunnen passen bij het gestelde relaas van betrokkene en of er ten tijde van de asielgehoren sprake was van medische problematiek die interfereerde met het vermogen om compleet, consistent en consequent te verklaren. (…) Samenvatting medische problematiek Betrokkene stelt in Sri Lanka in 2015 te zijn meegenomen door leden van de Criminele Inlichtingen Dienst (CID). De medewerkers van de CID, zo vertelt ze, verdachten haar man van het feit dat hij lid was geweest van de LTEE (Tamil Tijgers). Betrokkene is meegenomen in een busje door twee mannen van de CID. Deze mannen hebben haar, zo is het relaas van betrokkene, geslagen en geschopt tegen haar hoofd en borst. Ook hebben deze mannen haar verkracht. (…) In het onderzoek worden PTSS-klachten, depressieve klachten, cognitieve problemen en schuld- en schaamtegevoelens vastgesteld. Hierbij zijn specifieke klachten zoals dissociaties, vermijdingsreacties, schaamtegevoelens, lichamelijke reacties zoals een verminderde eetlust en seksuele problemen, triggers voor herbelevingen en nachtmerries te relateren aan het gestelde ondergane geweld. Beantwoording vraagstelling onderzoek A. Kan de medische (lichamelijke en/of psychische) problematiek zijn voortgekomen uit het gestelde geweldsrelaas dat ten grondslag ligt aan de asielaanvraag? Ja dat kan A1. In welke mate, volgens de gradaties van het Istanbul Protocol, geldt dit voor de lichamelijke problematiek? Bij onderzoek van de huid zijn 4 littekens zichtbaar. Aangezien de littekens niet worden toegeschreven aan het gestelde geweld, heeft er geen beoordeling volgens het Istanbul Protocol plaatsgevonden. De pijn bij het vrijen wordt als zijnde consistent beoordeeld volgens het Istanbul Protocol. A2. In welke mate, volgens de gradaties van het Istanbul Protocol, geldt dit voor de psychische problematiek? Specifieke klachten zoals dissociaties, vermijdingsreacties, schaamtegevoelens, lichamelijke reacties zoals een verminderde eetlust, triggers voor herbelevingen en nachtmerries passen qua aard, verloop en inhoud nadrukkelijk bij het gestelde ondergane geweld. Hieraan wordt de Istanbul Protocol gradatie typerend toegekend. A3. Wat is de algehele beoordeling van het totaal van bevindingen volgens de gradaties van het Istanbul Protocol? De medische problematiek van betrokkene (de lichamelijke en psychische problematiek) wordt gezamenlijk beoordeeld volgens het Istanbul Protocol als typerend voor het gestelde ondergane seksuele en fysieke geweld. De lichamelijk klacht is hierbij ondersteunend aan de psychische beoordeling, waarbij het gaat om een totaal oordeel van alle klachten tezamen. Algehele beoordeling van het totaal van bevindingen volgens het Istanbul Protocol. B. Was er ten tijde van de eerdere asielgehoren sprake van medische problematiek die interfereert met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren in het kader van de asielaanvraag? Geconcludeerd wordt dat de geconstateerde psychische problematiek beperkingen heeft gegeven die zeer waarschijnlijk hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren ten tijde van het eerste en nader gehoor van de IND. De geconstateerde psychische problematiek heeft beperkingen gegeven die zeker hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren ten tijde van het gehoor van de IND voor de opvolgende aanvraag. (…) 1.5 Bijzonderheden onderzoek (…) Voorafgaand aan het onderzoek gaf betrokkene aan geen tolk te willen tijdens het onderzoek. Gedurende het onderzoek vertelde betrokkene dat ze niet in staat is om in haar moedertaal te spreken over seksueel geweld. Het onderzoek is derhalve in het Engels en zonder tolk afgenomen. (…) 2.2 Relaas: betrokkene vertelt als volgt: (…) Vlak na het huwelijk in 2015 zijn twee leden van de Criminal Investigation Department (CID) naar het huis van betrokkene gekomen. Ze vroegen naar de echtgenoot van betrokkene. Betrokkene heeft gezegd dat haar man al naar Qatar was vertrokken. Daarop hebben de leden van de CID betrokkene meegenomen in een busje. Ze zeiden dat ze haar naar het politiebureau zouden brengen om een verklaring te tekenen waarin stond dat haar man al vertrokken was naar Qatar. Betrokkene merkte echter dat ze voorbij het bureau reden en langere tijd rond bleven rijden. Daarna hebben de leden van de CID haar geslagen en geschopt op haar hoofd en haar borst. Ook zetten ze hun schoen op het voorhoofd van betrokkene. Betrokkene zegt dat ze erg bang was en dacht dat ze zou sterven. De woorden die ze gebruikt: ‘’They beat me like animals’’. Betrokkene vertelt dat ze probeerde te schreeuwen maar dat dit niet lukte en ze dacht dat ze al gestorven was. Betrokkene geeft aan niet te kunnen spreken over wat de leden van de CID nog meer met haar gedaan hebben. Betrokkene zegt dat ze het wel wil vertellen maar dat ze het niet kan. Ze vraagt om papier om op te schrijven wat haar is overkomen. (…) Gedurende het lichamelijk deel van het onderzoek - waarbij alleen de vrouwelijk arts aanwezig is - vertelt betrokkene meer informatie over het seksueel geweld door de CID leden. Betrokkene vertelt dat er drie mannen waren maar dat ze verkracht werd door twee mannen. Ze herinnert zich dat de mannen haar uitlachte om haar lichaam. Een man penetreerde haar vaginaal terwijl de andere een schoen op haar voorhoofd hielt. Ze vertelt dat ze ook hun penis in haar mond deden en haar hardhandig onder haar oksels vast hielden. Na de gestelde mishandelingen en het gestelde seksuele geweld lieten de CID-leden betrokkene uit het busje stappen. Ze probeerde haar kleding te herstellen en ging met een auto terug naar het huis van haar ouders. Betrokkene vertelt dat haar moeder thuis was en betaalde voor de auto. Betrokkene vertelt dat ze niet kon stoppen met huilen. Ondanks vragen van haar ouders, heeft betrokkene niet verteld wat haar overkomen was. Betrokkene vertelt dat het afschuwelijk zou zijn als haar familie zou weten dat ze verkracht was. Betrokkene legt uit dat in haar cultuur mensen haar als afval en onrein zouden beschouwen. Betrokkene vertelt tevens dat ze zich na dit incident nooit meer ´levend´ heeft gevoeld. Betrokkene vertelt dat ze de dagen na de gestelde mishandelingen en het gestelde seksuele geweld in het huis van haar broer in Colombo verbleef zodat ze niet gevonden kon worden. Haar echtgenoot kwam naar Colombo en ze heeft hem toen gesmeekt dat hij haar mee naar Qatar nam. Betrokkene vertelt dat het onmogelijk is om met haar echtgenoot te spreken over het seksueel geweld dat haar is aangedaan. De reden hiervoor is dat ze als ´´niet zuiver´´ zou worden beschouwd. Daarnaast geeft betrokkene aan dat ze er ook niet in haar eigen taal over kan spreken. Ze blokkeert dan en kan niet meer praten. Betrokkene vertelt dat ze tevens de woorden met betrekking tot seksueel geweld niet kent in haar eigen taal. (…) Observatie rapporteurs: Wanneer de gestelde mishandelingen en het gestelde seksueel geweld ter sprake komen, stokt het relaas van betrokkene regelmatig. Ze begint te huilen en komt niet uit haar woorden. Verder buigt ze voorover en heeft ze haar blik naar beneden gericht. Ze houdt haar handen voor haar ogen. Er lijkt sprake van meerdere dissociaties. Betrokkene reageert niet op vragen of contactinitiatieven van de onderzoeker. Ze mompelt zacht in zichzelf. Na enige tijd ‘schrikt’ ze op en vraagt wat de onderzoeker gezegd heeft. Als het gestelde seksueel geweld ter sprake komt, geeft betrokkene aan dat ze het niet vertellen kan. Ze vraagt of ze het kan opschrijven. Nadat ze het eerste papier heeft gekregen, schrijft ze vrij langzaam wat dingen op. Daarbij loopt er speeksel uit haar mond en slijm uit haar neus op het papier. In eerste instantie reageert betrokkene niet. Na enige seconden veegt ze haar mond en neus schoon. De pengreep is wisselend van een pincetgreep naar een vuistgreep. Op een gegeven moment stokt het schrijven en legt betrokkene haar hoofd op het papier. Gedurende het schrijven huilt betrokkene. Naast de observaties tijdens het gesprek geeft ook het geschrevene aanwijzingen voor dissociaties. Na het woord ‘inhuman’ gaat het handschrift in een golvende lijn naar beneden. Ook staan er onder de woorden krassen die schijnbaar geen betekenis hebben. Nadat betrokkene de woorden over het gestelde seksueel geweld op het eerste papier heeft gezet, wil ze in eerste instantie het papier niet laten zien. Daarna geeft ze het papier aan de vrouwelijke arts. Ze vraagt of de arts en de psycholoog het geschrevene pas na het onderzoek willen lezen. Daarna geeft ze toestemming om de verklaring al tijdens het onderzoek te lezen. Nadat de psycholoog en de arts de verklaring hebben gelezen, zegt betrokkene: ‘please, don’t look at me’. Nadat betrokkene de aanvullende woorden over het gestelde seksueel geweld op het tweede papier heeft gezet, wil ze niet dat het direct gelezen wordt. Haar stem gaat omhoog als betrokkene vertelt over haar leven na het incident en wat haar familie over haar zou denken als ze het wisten. Ze herhaalt meerdere malen dat ze niet gelukkig kan zijn en permanent aan het lijden is. (…) 5. BETROUWBAARHEID VAN HET MEDISCHE BEELD Istanbul Protocol § 105(f),(v), 290 De klachten die betrokkene tijdens het onderzoek laat zien komen authentiek over. Er lijkt geen sprake te zijn van overdrijving van de psychische klachten. Er is in tegendeel juist een sterke neiging tot vermijding. Betrokkene heeft zeer veel moeite met het bespreken van het gestelde seksueel geweld en laat hierbij sterke schaamtegevoelens zien. De psychische klachten die betrokkene noemt in de klachtenanamnese liggen in lijn met de klachten die zij noemt bij het beantwoorden van de vragenlijsten. Verder komen de observaties tijdens het onderzoek overeen met de klachten die betrokkene zelf noemt. Het gaat dan met name om somberheid, verdriet, vermijdingsreacties, schaamte en concentratieproblemen. De uitkomsten van dit onderzoek komen overeen met de conclusies van andere psychologische onderzoeken, met name de rapportages van Fier! van augustus 2020 en april 2021 (dossierstukken M16 en M17). Betrokkene heeft al enkele jaren behandeling bij Fier! (dossierstukken M16, M17 en M18). Ze geeft aan dat de behandeling helpend is en een gedeeltelijke vermindering van sommige klachten heeft bewerkstelligt. Gezien bovenstaande zijn er geen aanwijzingen voor het simuleren of sterker presenteren van psychische klachten of de falsificatie van het klinisch beeld. (…) 6.3 Algehele beoordeling volgens het Istanbul Protocol De medische problematiek van betrokkene (de lichamelijke en psychische problematiek) wordt gezamenlijk beoordeeld volgens het Istanbul Protocol als typerend voor het gestelde ondergane seksuele en fysieke geweld. De lichamelijk klacht is hierbij ondersteunend aan de psychische beoordeling, waarbij het gaat om een totaal oordeel van alle klachten tezamen. (…) 23. Het iMMO heeft de causale relatie tussen de medische bevindingen en het asielrelaas (vragen A en B) beoordeeld volgens de vijf gradaties die zijn neergelegd in paragraaf 187 van het Istanbul Protocol, Manual on the Effective Investigation and Documentation of Torture and Other Cruel, Inhuman or Degerading Treatment or Punishment van de Verenigde Naties (het Istanbul Protocol). De één na sterkste gradatie is ‘typerend’ en houdt in dat het litteken of de lichamelijke en/of psychische problematiek meestal wordt waargenomen bij dit type mishandeling of gebeurtenis, maar dat er ook andere mogelijke oorzaken zijn. 24. Verweerder stelt weliswaar terecht dat deze gradatie geen sluitend “bewijs” is voor het asielmotief, maar dit rechtvaardigt niet dat er daarom geen enkele bewijswaarde toekomt aan het forensische medisch onderzoek. Eiseres heeft er in de zienswijze bovendien terecht op gewezen dat de opmerking in het voornemen dat de psychische klachten gerelateerd kunnen worden aan andere stressvolle ervaringen, berust op een onjuiste lezing van het iMMO-rapport omdat nu juist uitdrukkelijk in het iMMO-rapport is benoemd dat bij het toekennen van de gradatie rekening is gehouden met andere stressvolle ervaringen. Het lijkt er op dat verweerder meent dat medische bevindingen ofwel “sluitend bewijs” zijn, ofwel “geen bewijs” zijn. Deze aanname miskent echter dat medische bevindingen het relaas kunnen ondersteunen en dat dit in meer of mindere mate het geval kan zijn. Verweerder dient de medische bevindingen dan ook in samenhang met alle andere bewijsmiddelen te onderzoeken en pas daarna te beoordelen of het asielrelaas geloofwaardig kan worden geacht. 25. Eiseres heeft ook terecht gewezen op Afdelingsjurisprudentie waaruit volgt dat wanneer een medisch rapport, zoals een iMMO-rapport, een sterke aanwijzing vormt dat de door een vreemdeling gestelde onmenselijke behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf het letsel heeft veroorzaakt, het aan verweerder is om de twijfel weg te nemen over de oorzaak van het letsel als hij die gestelde onmenselijke behandeling desondanks niet aannemelijk acht. Hiertoe kan verweerder gehouden zijn nader medisch onderzoek te laten verrichten. Bij het beantwoorden van de vraag of een iMMO-rapport tot dergelijk onderzoek verplicht, is van belang in hoeverre de vreemdeling tijdens de gehoren bevreemdingwekkend, vaag of tegenstrijdig heeft verklaard over het deel van het asielrelaas dat hij met het iMMO-rapport heeft willen staven. Verder is van belang in hoeverre dat deel van het asielrelaas past in het beeld dat in betrouwbare algemene informatie naar voren komt over het land van herkomst. Daarbij is van belang hoe sterk de kwalificatie is die volgens iMMO van toepassing is. Voor het ontstaan van de verplichting tot nader medisch onderzoek is echter niet vereist dat het iMMO-rapport geen ruimte laat voor een andere dan de door de vreemdeling gestelde oorzaak. Dat onderdelen van het asielrelaas ongeloofwaardig zijn, hoeft evenmin in de weg te staan aan het ontstaan van de verplichting tot medisch onderzoek. Ook uit deze Afdelingsjurisprudentie volgt dat elk medisch steunbewijs moet worden betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling en dat de gradatie van deze bewijswaarde dus ziet op het causale verband tussen het relaas zoals dat ten overstaan van de onderzoekers is afgelegd en de medische bevindingen. 26. De rechtbank stelt vast dat verweerder het medisch steunbewijs zoals dit volgt
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...