ECLI:NL:RBDHA:2024:9800
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2024-06-12
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Dublin, Kroatië, art. 17 Dvo, LHBTI, beroep ongegrond.
Materiële kern
uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.19413 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. N.R.H. Boon), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid , (gemachtigde: mr. S. Aboulouafa). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 mei 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris. Eiser was niet aanwezig. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.¹ In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard. 1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Artikel 17 van de Dublinverordening 5. Eiser voert aan dat zijn ex-partner in Nigeria de relatie van hem met zijn huidige partner bekend heeft gemaakt, waardoor zij moesten vluchten. De ex-partner heeft kennissen in Kroatië. Daarom vrezen eiser en zijn partner voor hun veiligheid in Kroatië. Verder blijkt uit het AIDA-rapport van juni 2023, update 2022, dat Kroatië geen systeem geïmplementeerd heeft om kwetsbare groepen asielzoekers te identificeren. Met name LHBTI-personen zoals eiser lopen hierdoor een risico niet voldoende ondersteuning te ontvangen. Ook heeft eiser in het aanmeldgehoor aangegeven dat hij in Kroatië gevraagd heeft naar omstandigheden voor homoseksuelen en op grond van de informatie die hij toen ontvangen heeft, heeft besloten om Kroatië te verlaten. Eiser vreest dus dat hij bij overdracht vanwege zijn geaardheid problemen zal ervaren. De gemachtigde van eiser heeft op zitting toegelicht dat eiser hiermee een beroep doet op artikel 17 van de Dublinverordening, en dat het besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. 6. De rechtbank overweegt als volgt. De staatssecretaris heeft er terecht op gewezen dat de aangevoerde omstandigheden in het besluit al zijn betrokken in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De staatssecretaris heeft overwogen dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 13 september 2023² heeft geoordeeld dat ten aanzien van Kroatië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook hebben de Kroatische autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser zullen behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Verder is Kroatië ook partij bij het EVRM en kan eiser bij voorkomende problemen de Kroatische autoriteiten benaderen. Er is niet gebleken dat de autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. Uit het AIDA-rapport update 2022, waarnaar eiser in beroep heeft verwezen, blijkt ook niet dat er in Kroatië voor LHBTI-personen in het geheel geen ondersteuning beschikbaar is, of dat klagen voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos zal zijn. Er is dus geen aanleiding om te veronderstellen dat eiser bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Ook voor het overige is niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht onevenredig hard is. Er is daarom geen sprake van een motiveringsgebrek.³ De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanvraag van eiser terecht buiten behandeling is gesteld en dat eiser mag worden overgedragen aan Kroatië. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. 2 ECLI:NL:RVS:2023:3411. 3 Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 april 2023, ECLI:NL:RVS:2024:1778. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 12 juni 2024 Documentcode: [documentcode] Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...