Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2024:787

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2024-01-19
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL23.36810
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
3.901 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asielaanvraag – mondelinge uitspraak – Dublin Duitsland – beroep ongegrond

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL23.36810 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , eiser V-nummer: [V-nr.] (gemachtigde: mr. A. Hanna), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. Sweerts). Procesverloop Bij besluit van 22 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 18 januari 2024 op zitting behandeld. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Niet in geschil is dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. 2. Verweerder stelt terecht dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt hij niet aan Duitsland zou kunnen worden overgedragen vanwege systeemfouten in de asielprocedure of opvangvoorzieningen daar, of dat zijn overdracht aan Duitsland leidt tot schending van artikel 4 van het Handvest van de Europese Unie. 3. Eisers verwijzing naar het AIDA-rapport over Duitsland van april 2023 leidt niet tot een geslaagd beroep. Zoals verweerder terecht stelt, komt de inhoud van dit rapport overeen met die van eerdere rapporten. Daarvan is al eerder vastgesteld dat die geen aanleiding geven om in het geval van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. 4. Met het claimakkoord heeft Duitsland toegezegd dat eisers asielverzoek met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen in behandeling zal worden genomen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser in Duitsland kan klagen als hij meent dat zijn rechten in dit verband geschonden worden. Dat in Duitsland in beroep niet altijd kosteloos rechtsbijstand wordt verleend aan asielzoekers is volgens vaste rechtspraak daarbij niet in strijd met het recht van de Europese Unie en staat dan ook niet aan overdracht in de weg. 5. Voor zover eiser stelt dat tussen Nederland en Duitsland sprake is van een evident en fundamenteel verschil in beschermingsbeleid zoals bedoeld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in zijn uitspraak van 6 juli 2022 heeft hij dat niet met stukken weten te onderbouwen. De enkele omstandigheid dat eisers eerdere asielaanvragen in Duitsland zijn afgewezen is geen reden om te spreken van een evident en fundamenteel verschil. Aangezien eiser ook verder niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een systeemfout in de asielprocedure in Duitsland, is het niet aan de rechtbank om in het kader van een Dublinoverdracht het risico op refoulement in de ontvangende lidstaat verder te onderzoeken. 6. Het beroep is ongegrond. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. ECLI:NL:RVS:2022:1864. Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...