ECLI:NL:RBDHA:2024:6890
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2024-05-06
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
UNRWA Libanon – 1(D) Vluchtelingenverdrag– verweerder heeft ten onrechte aangenomen dat eiser geen bescherming en bijstand van UNWRA in Libanon heeft gevraagd en gekregen voorafgaand aan het indienen van zijn asielaanvraag in Nederland – eiser is niet door omstandigheden buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil gedwongen om het mandaatgebied te verlaten, uit de Hofjurisprudentie volgt dat dit een ex tunc-beoordeling is – dat de vlucht van eiser uit Libanon juridisch wordt gekwalificeerd als “vrijwillig vertrek” betekent echter niet dat eiser als Palestijnse vluchteling niet langer bescherming behoeft en betekent ook niet dat verweerder niet langer van deze reeds vastgestelde beschermingsbehoefte en erkenning als Palestijns vluchteling hoeft uit te gaan – de vraag of eiser wederom de bescherming en bijstand van UNWRA kan inroepen dient het uitgangspunt te zijn bij de beoordeling van de asielaanvraag– deze beoordeling is geen “klassieke 3 EVRM-beoordeling” - de vraag naar de feitelijke toegankelijkheid van het mandaatgebied na terugkeer wordt pas relevant als komt vast te staan dat UNRWA thans kan voldoen aan zijn mandaat. - De rechtbank overweegt reeds nu dat als UNRWA wel kan voldoen aan zijn mandaat, maar eiser aannemelijk weet te maken dat hij feitelijk geen toegang zal hebben tot het mandaatgebied van UNRWA in Libanon, de rechtbank dit bij de beoordeling zal betrekken of aan eiser de vluchtelingenstatus moet worden toegekend en daarmee zal afwijken van de Afdelingsjurisprudentie - Indien eiser juridisch gehouden is om zich voor bescherming tot UNWRA te wenden, maar feitelijk deze bescherming niet kan verkrijgen, is eiser immers eenvoudigweg uitgesloten van vluchtelingrechtelijke bescherming in Libanon. De rechtbank acht dit in strijd met de ratio van deze specifieke uitsluitingsgrond. – het is evident, ook al is deze vraag nog niet aan het Hof voorgelegd, dat de beoordeling of eiser kan en dient terug te keren naar het mandaatgebied in Libanon en zich voor bescherming tot UNRWA dient te wenden een ex nunc-beoordeling vereist zoals dat in wezen in alle procedures geschiedt waarin een asielverzoek wordt afgewezen en waarin een terugkeerbesluit wordt genomen - Verweerder zal een actuele beoordeling dienen te verrichten van de vraag of UNRWA jegens eiser na terugkeer zal kunnen voldoen aan zijn verplichtingen zoals die uit haar mandaat volgen. - verweerder dient uitdrukkelijk na te gaan en te motiveren of UNRWA hiertoe thans in staat is gelet op de omstandigheid dat vele grote donorlanden hun donaties aan UNRWA hebben opgeschort dan wel hebben gestaakt - beroep gegrond, de rechtbank voorziet niet zelf omdat een grief hierover tot vernietiging van de uitspraak zal leiden.
Materiële kern
uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL22.13790 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] 1968 in Libanon, Staatloos, V-nummer: [v-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. N. Vollebergh), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid , verweerder, (gemachtigde: mr. D. Berben). Procesverloop Eiser heeft op 22 juli 2021 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 14 juli 2022 (het bestreden besluit) afgewezen als ongegrond als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en tevens bepaald dat aan eiser geen verblijfsvergunning op reguliere gronden wordt verleend en geen uitstel van vertrek wordt verleend. Het besluit van 14 juli 2022 omvat een terugkeerbesluit waarbij geen land van bestemming is bepaald. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft na de behandeling van het beroep het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld een aanvullend standpunt in te nemen. Verweerder heeft op 19 februari 2024 een aanvullend stuk ingediend. Eiser heeft daarop op 5 maart 2024 gereageerd. Zoals de rechtbank partijen ter zitting heeft voorgehouden, vindt zij een nadere zitting uitsluitend nodig als partijen (dan wel één van hen) bij uitbrengen van de nadere schriftelijke reacties aangeven een nadere zitting te wensen. Omdat partijen in hun reacties na de zitting niet om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek zonder nader onderzoek gesloten en de uitspraak bepaald op vandaag. Overwegingen Eiser, die Staatloos Palestijn is, is geboren op [geboortedatum] 1968 in Oost-Beiroet, Libanon. Toen in 1975 de burgeroorlog begon, is hij met zijn ouderlijk gezin naar het zuiden van Beiroet verhuisd. Na het overlijden van zijn vader heeft hij daar een jaar bij zijn oom van vaderskant gewoond. Nadien is hij samen met een aantal van zijn broers en zussen verder opgegroeid in verschillende weeshuizen en internaten. In 1982 viel Israël Beiroet binnen. Eiser is toen met zijn broers en zussen naar Syrië gevlucht, waar zij in Damascus woonden in een internaat voor wezen. In 1985 zijn eiser en zijn oudere zus teruggebracht naar hun oom in Beiroet. In Beiroet woonden zij ongeveer vijftien jaar in een gebouw voor ontheemden. Daarna moesten zij naar het vluchtelingenkamp Shatila verhuizen, waar zij drie à vier jaar verbleven. Vanuit Shatila verhuisden ze naar het kamp Borj El-Brajneh. Daar woonde eiser meer dan dertien jaar met zijn moeder. In november 2014 is eiser (religieus) gehuwd met een Palestijnse vrouw uit Syrië. Het burgerlijk huwelijk is op 21 maart 2015 gesloten. Omdat het voor eiser niet veilig was om in Syrië te wonen en zijn vrouw zich niet in Libanon kon vestigen, is zijn vrouw ook na het huwelijk, samen met hun in 2017 geboren zoontje, in Syrië blijven wonen. Eiser zelf heeft tot aan zijn vertrek uit Libanon in het kamp Borj El-Brajneh gewoond. Op 26 augustus 2019 is eiser uit Libanon vertrokken. Volgens eiser is Libanon een onveilig land voor Palestijnse vluchtelingen. Palestijnse vluchtelingen en Syriërs worden er gediscrimineerd en gehaat. Hij is vertrokken vanwege de arrestaties en pesterijen die hij heeft ondervonden. Hij heeft verklaard dat toen hij in 1985 met zijn oudere zus terugkeerde naar Libanon en zij in een huis voor ontheemden woonden, de inwoners van de streek waar hij woonde voornamelijk sjiitisch waren. Er was in die tijd een oorlog gaande tussen de Palestijnen en de Amal-beweging. De Palestijnen die in de streek woonden, waaronder eiser en zijn zus, werden onderworpen aan onderdrukking en arrestaties. In 1989 is hij gearresteerd in de plaats Bir Hasan toen hij daar samen met een vriend op een groentemarkt liep. Zonder dat sprake was van enige verdenking werden eiser en zijn vriend gedurende zeven dagen gevangen gehouden. De onderdrukking ging door tot 2001. In 2001 kregen de Palestijnse vluchtelingen in de streek een bedrag om zich te verplaatsen naar het vluchtelingenkamp Shatila. In Shatila woonden eiser en zijn zus vijf jaar. Ook in Shatila, dat grensde aan de wijk Hay Farhat waar de Amal de macht hadden, was het niet veilig en waren er problemen tussen de Amal en de Palestijnen. Daarom zagen zij zich genoodzaakt om te verhuizen naar het vluchtelingenkamp Borj El-Brajneh in het zuidelijk deel van Beiroet. Dit vluchtelingenkamp werd omringd door Hezbollah, de Amad-beweging en het Libanese leger. Eiser heeft verklaard over de veelvuldige controles door de veiligheidsdiensten die hij als Palestijn moest ondergaan. Hij werd een keer gecontroleerd, gearresteerd en gedurende een dag in de gevangenis gezet omdat ze op zoek waren naar iemand die een strafbaar feit had gepleegd en dezelfde naam heeft als hij. Een andere keer werd hij gearresteerd omdat hij werd aangezien voor een Wahabiet die spioneerde. Op een dag dat eiser zijn broer wilde bezoeken hebben 5 of 6 mannen van de Amal beweging hem opgehouden en is hij ternauwernood ontsnapt. Ook gedurende de zes jaar dat hij vanuit Libanon op en neer is gereisd naar zijn vrouw in Damascus ondervond hij pesterijen. De toekomst voor zijn zoon was voor hem ook een reden voor vertrek. Hij hoopt zijn gezin te kunnen herenigen. Verder heeft hij verklaard dat hem bij terugkeer naar Libanon een verwoeste staat wacht en dat hij bij terugkeer vreest voor arrestatie door de milities, voor de Amal beweging en Hezbollah. Het Libanese leger kijkt toe en biedt geen bescherming. Eiser heeft om zijn asielrelaas te staven een originele geboorteakte, een UNRWA (United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East) hulpkaart en een familie- en een individueel uittreksel voor Palestijnse vluchtelingen in Libanon overgelegd. 3. Verweerder heeft eisers verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht en heeft Libanon aangemerkt als eisers land van gebruikelijke verblijf. Volgens verweerder valt eiser als staatloos Palestijn niet onder de uitsluitingsgrond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat enkel een registratie bij de UNRWA niet voldoende is om onder de uitsluitingsgrond van artikel 1D te vallen. Alleen degenen die daadwerkelijk de door de UNRWA geboden hulp hebben ingeroepen en genoten vallen onder de uitsluitingsgrond, niet de personen die in aanmerking komen of kwamen voor de bescherming of bijstand van deze organisatie. Het gaat dan om de periode direct voorafgaand aan of kort vóór het indienen van het asielverzoek in Nederland. Omdat eiser tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard geen hulp van de UNRWA te hebben ingeroepen, heeft verweerder de uitsluitingsgrond van artikel 1D niet op hem van toepassing geacht. Verweerder heeft verder in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat eiser gebruik heeft gemaakt van medische zorg van de UNRWA. Enkel uit verblijf in een vluchtelingenkamp en registratie bij de UNRWA blijkt niet dat iemand daadwerkelijk heeft getracht hulp in te roepen van de UNRWA, aldus verweerder. 4. Omdat de uitsluitingsgrond van artikel 1D niet van toepassing is geacht, heeft verweerder eisers asielaanvraag aan de “normale” asieltoets onderworpen, dus ook getoetst aan het Vluchtelingenverdrag en in het licht van het beleid ten aanzien van asielzoekers uit Libanon. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat van eiser mag worden verwacht dat hij zich (weer) naar dat mandaatgebied begeeft teneinde de bescherming van de UNRWA in te roepen. Dit is alleen anders indien hij aannemelijk kan maken dat hij niet naar het UNRWA-gebied kan terugkeren omdat hij binnen het mandaatgebied van de UNRWA gegronde vrees voor vluchtelingrechtelijke vervolging heeft en daartegen geen bescherming van de UNRWA kan inroepen. Verweerder heeft geconcludeerd dat eiser dit laatste niet aannemelijk heeft gemaakt. In het kader van de “normale” asieltoets heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de door eiser als staatloze Palestijnse vluchteling in Libanon ondervonden ongelijke behandeling en discriminatie onvoldoende zwaarwegend is om hem als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag toe te laten. Volgens verweerder heeft eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat de discriminatie voor hem persoonlijk een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert, dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Volgens verweerder leidde eiser geen gemarginaliseerd leven want hij studeerde elektronica en heeft 10 jaar als elektricien bij een reclamebureau gewerkt, heeft een bankrekening geopend, kon geld sparen, heeft Arabische literatuur en Islam gestudeerd aan een Islamitische universiteit in Libanon, kreeg een reisdocument en kon maandelijks naar zijn vrouw en kind reizen en zij naar hem en eiser had een eigen huurwoning in Libanon waarvan hij zelf de huur betaalde. Ook heeft eiser volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Libanon te vrezen heeft voor zijn veiligheid omdat hij door de milities van de Amalbeweging en Hezbollah gearresteerd of vermoord kan worden. Hij heeft immers verklaard dat de arrestaties van Palestijnse vluchtelingen in vluchtelingenkampen een willekeurig karakter hadden en niet op hem persoonlijk gericht waren. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Libanon een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens verweerder komt eiser dan ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a en b, van de Vw 2000. 5. Eiser kan zich niet vinden in dit besluit. Hij voert kort gezegd aan dat verweerder artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag verkeerd uitlegt en zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hij niet valt onder de reikwijdte van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Volgens eiser is verweerder verder ten onrechte niet inhoudelijk ingegaan op de vraag of de UNRWA nog aan haar mandaat kan voldoen. Volgens eiser kan UNRWA dit niet. Hij verwijst hiertoe naar de zienswijze en naar de brief van 8 juni 2022 waarin gemotiveerd is gesteld dat UNRWA niet aan haar mandaatverplichting voldoet. 6. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en overweegt hiertoe als volgt. 7. Artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag luidt als volgt: “Dit Verdrag is niet van toepassing op personen die thans bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen. Wanneer deze bescherming of bijstand om welke reden ook is opgehouden, zonder dat de positie van zodanige personen definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, zullen deze personen van rechtswege onder dit Verdrag vallen.” 8. Artikel 12 van de Kwalificatierichtlijn bepaalt onder meer het navolgende: Uitsluiting 1. Een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer: a. a) hij onder artikel 1, onder D, van het Verdrag van Genève valt, dat betrekking heeft op het genieten van bescherming of bijstand van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan de UNHCR. Is die bescherming of bijstand om welke reden ook opgehouden zonder dat de positie van de betrokkene definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, dan heeft de betrokkene op grond van dit feit recht op de voorzieningen uit hoofde van deze richtlijn (…) 9. De rechtbank stelt voorop dat het toetsingskader om te beoordelen of een vreemdeling onder de in artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag en artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Kwalificatierichtlijn neergelegde uitsluitingsgrond valt, nader is uitgelegd in arresten van het Hof van Justitie van de EU (het Hof) en daarop volgende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Verweerder heeft dit toetsingskader uitgewerkt in paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en in Werkinstructie 2020/19. 10. De eerste vraag die de rechtbank moet beoordelen is de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de uitsluitingsgrond van artikel 1D niet op eiser van toepassing is. De rechtbank overweegt dat deze vraag tweemaal moet worden onderzocht en beantwoord. Allereerst zal de rechtbank bespreken of eiser voorafgaand aan zijn vertrek uit Libanon onder de uitsluitingsgrond viel. De rechtbank overweegt dat vervolgens ook moet worden beoordeeld of eiser thans onder de uitsluitingsgrond valt. 11. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de uitsluitingsgrond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag niet op hem van toepassing is. Hij wijst erop dat niet in geschil is dat hij voorafgaand aan zijn vertrek in Libanon heeft gewoond in een vluchtelingenkamp voor Palestijnen en dat hij is geregistreerd bij UNRWA. Reeds op die manier maakte hij gebruik van de faciliteiten en bescherming van UNRWA en heeft hij de hulp van UNRWA ingeroepen. Hij heeft zich voor registratie, huisvesting en gezondheidszorg tot UNRWA gewend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de UNRWA-registratie die eiser heeft overgelegd en de omstandigheid dat hij in een UNRWA-vluchtelingenkamp heeft gewoond niet volstaat om dit aan te nemen. Doorslaggevend voor de vraag of eiser onder die uitsluitingsgrond valt, is volgens verweerder of eiser kort vóór het indienen van zijn asielverzoek daadwerkelijk bijstand van de UNRWA heeft ontvangen. Omdat eiser tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard dat hij geen hulp van UNRWA heeft ingeroepen, is volgens verweerder artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag niet op hem van toepassing. 12. De rechtbank overweegt dat het Hof in de arresten Bolbol en El Kott nader heeft geduid hoe deze vraag moet worden beoordeeld en dat het Hof in latere uitspraken heeft verwezen naar dit toetsingskader. Zo heeft het Hof in het arrest Bolbol van 17 juni 2010 (C31/09, ECLI:EU:C:2010:351) onder meer het navolgende overwogen: (…) 51. Uit de duidelijke bewoordingen van artikel 1, D, van het verdrag van Genève volgt dat alleen degenen die daadwerkelijk de door het UNRWA geboden hulp hebben ingeroepen, onder de daarin genoemde grond voor uitsluiting van de vluchtelingenstatus vallen, welke als zodanig strikt moet worden uitgelegd en derhalve niet tevens betrekking kan hebben op personen die er enkel voor in aanmerking komen of kwamen om bescherming of bijstand van deze instelling te genieten. 52. Hoewel de registratie bij het UNRWA toereikend bewijs vormt voor het feit dat daadwerkelijk hulp daarvan wordt genoten, is in punt 45 van het onderhavige arrest uiteengezet dat een dergelijke hulp zelfs zonder registratie kan worden geboden, zodat het de rechthebbende moet worden toegestaan dat bewijs met elk ander middel te leveren. (…) 13. Het Hof heeft in het arrest El Kott van 19 december 2012 (C-364/11, ECLI:EU:C:2012:826), onder meer het navolgende overwogen: (…) 47 Artikel 1 D, eerste alinea, van het Verdrag van Genève bepaalt dat dit verdrag niet van toepassing is op personen die „thans” bescherming of bijstand „genieten” „van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan van de [HCV]”. Deze grond voor uitsluiting van de werkingssfeer van dat verdrag moet strikt worden uitgelegd (zie in die zin arrest Bolbol, reeds aangehaald, punt 51). (…) 49. Dat voornoemde bepaling van het Verdrag van Genève, waar artikel 12, lid 1, sub a, eerste volzin, van richtlijn 2004/83 naar verwijst, zich beperkt tot het uitsluiten van de werkingssfeer ervan van de personen die „thans” bescherming of bijstand „genieten” van dergelijke andere organen of instellingen van de Verenigde Naties, kan niet aldus worden uitgelegd dat het loutere feit dat de betrokkene zich bevindt buiten het gebied waarin het UNRWA werkzaam is of dit gebied vrijwillig verlaat, volstaat om de in die bepaling neergelegde uitsluiting van de vluchtelingenstatus te beëindigen. 50. Anders zou een asielzoeker in de zin van artikel 2, sub c, van richtlijn 2005/85, die zijn asielverzoek op het grondgebied van een van de lidstaten indient en zich dus fysiek buiten de zone bevindt waarin het UNRWA werkzaam is, nooit onder de grond voor uitsluiting van de vluchtelingenstatus van artikel 12, lid 1, sub a, van richtlijn 2004/83 kunnen vallen, wat een dergelijke uitsluitingsgrond elk nuttig effect zou ontnemen, zoals de advocaat-generaal in de punten 52 en 53 van haar conclusie heeft uiteengezet. (…) 52 Bijgevolg moet artikel 12, lid 1, sub a, eerste volzin, van de richtlijn aldus worden uitgelegd dat de in die bepaling neergelegde grond voor uitsluiting van de vluchtelingenstatus niet alleen van toepassing is op de personen die thans de door UNRWA verleende bijstand genieten, maar ook op diegenen die, zoals verzoekers in het hoofdgeding, die bijstand daadwerkelijk hebben genoten kort vóór het indienen van een asielverzoek in een lidstaat, voor zover die bijstand evenwel niet is opgehouden in de zin van de tweede volzin van datzelfde lid 1, sub a. (…) 14. De rechtbank overweegt dat verweerder niet heeft betwist dat eiser direct voorafgaand en tot aan zijn vertrek uit Libanon op 26 augustus 2019, 13 jaar heeft gewoond in vluchtelingenkamp Borj El-Brajneh in Beirut. Verweerder betwist niet dat UNWRA in dit vluchtelingenkamp voorzieningen biedt en op de website van de UNRWA is bovendien vermeld dat dit vluchtelingenkamp in 1948 is opgericht en dat de UNRWA in dit vluchtelingenkamp op grond van zijn mandaat voorzieningen, hulp en bescherming biedt. Eiser heeft tevens een UNRWA-registratiekaart overgelegd waaruit blijkt dat UNRWA eiser heeft geregistreerd als Palestijns vluchteling. 14. De rechtbank stelt vast dat eiser feitelijk de hulp en bescherming van UNRWA heeft genoten door tot aan zijn vertrek uit Libanon in augustus 2019 een aanzienlijke periode te wonen in een UNRWA-vluchtelingenkamp in Libanon, kort voordat hij een asielverzoek in Nederland heeft ingediend. Dit impliceert dat eiser deze bescherming en bijstand ook daadwerkelijk heeft ingeroepen door zich te laten registreren en in een vluchtelingenkamp te wonen. Dat het daadwerkelijk inroepen van die hulp kennelijk al geruime tijd geleden heeft plaatsgehad, eiser heeft immers verklaard dat hij voorafgaand aan zijn verblijf in het vluchtelingenkamp Borj El-Brajneh, vanaf 2001 gedurende enkele jaren in het eveneens door UNRWA opgerichte vluchtelingenkamp Shatila heeft gewoond, doet hier niet aan af. Naar eisers zeggen kregen de Palestijnse vluchtelingen in de streek in 2001 een bedrag om zich te verplaatsen naar het vluchtelingenkamp Shatila. De rechtbank leidt hieruit af eiser op dit moment in ieder geval uitdrukkelijk de hulp van UNRWA heeft ingeroepen en dat die situatie tot aan eisers vertrek uit Libanon heeft voortgeduurd. Uit het hiervoor weergegeven toetsingskader volgt niet dat om onder de uitsluitingsgrond te vallen is vereist dat voortdurend en bij herhaling tot aan het moment van vertrek uitdrukkelijk om bescherming en bijstand van UNRWA moet worden verzocht. 14. De Afdeling heeft in de uitspraak van 2 mei 2024 herhaald dat “ voor het antwoord op de vraag of een vreemdeling binnen de reikwijdte van de eerste dan wel tweede volzin van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Kwalificatierichtlijn valt, niet doorslaggevend is of hij is geregistreerd bij de UNRWA, maar vooral of hij kort voor het indienen van het asielverzoek daadwerkelijk bijstand van de UNRWA heeft ontvangen. ” (ECLI:NL:RVS:2024:1782). Eiser is op 26 augustus 2019 vertrokken uit Libanon en heeft op 22 juli 2021 een asielaanvraag ingediend, maar uit zijn vluchtrelaas blijkt dat het tijdsverloop tussen het vertrek uit Libanon en het indienen van de asielaanvraag is gelegen in de duur van de vlucht als zodanig. Verweerder heeft dit tijdsverloop ook niet ten grondslag gelegd aan zijn standpunt dat eiser niet onder de uitsluitingsgrond van artikel 1D valt en dus niet tegengeworpen dat er geen sprake is van “kort voor het indienen van de asielaanvraag bijstand hebben ontvangen”. 14. Verweerders verwijzing naar de verklaring van eiser tijdens het aanmeldgehoor dat eiser geen hulp van UNRWA heeft ingeroepen, miskent de strekking van eisers relaas en die specifieke verklaring. Uit de verklaringen van eiser blijkt immers niet alleen zijn UNRWAregistratie en jarenlange verblijf in een UNRWA-vluchtelingenkamp, maar tevens dat hij zich op het standpunt stelt dat het vragen van verdere ondersteuning niet zinvol was omdat UNRWA niet aan zijn mandaat kon voldoen. Dat eiser kennelijk gaandeweg zelf de kosten is gaan dragen voor het huren van de woning in het vluchtelingenkamp maakt dit ook niet anders. UNRWA verstrekt niet alle benodigde voorzieningen aan iedere geregistreerde Palestijnse vluchteling integraal en om niet. Maar dat betekent nog niet dat degenen die in het vluchtelingenkamp wonen en zelf in staat zijn om in bepaalde levensbehoeften te voorzien, niet de hulp en bescherming van UNRWA hebben ingeroepen en daarom niet onder de uitsluitingsgrond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag zouden vallen. 14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser dan ook met de overgelegde UNRWA -registratie en zijn relaas voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in de relevante periode de bescherming en bijstand van UNRWA daadwerkelijk heeft ingeroepen en verkregen. Dit betekent dat eiser -in ieder geval- voorafgaand aan zijn vertrek uit Libanon onder de uitsluitingsgrond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag en artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Kwalificatierichtlijn viel. De rechtbank overweegt dat het bestreden besluit reeds op grond hiervan moet worden vernietigd omdat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser nimmer de bescherming en bijstand van UNRWA heeft gevraagd en verkregen en dus een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. De rechtbank zal om het geschil zoveel mogelijk finaal te beslechten de door partijen ingenomen standpunten plaatsen in het relevante toetsingskader en inhoudelijk beoordelen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. 14. Nu is vastgesteld dat eiser voorafgaand aan zijn vertrek onder de uitsluitingsgrond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag viel, moet volgens het toepasselijke toetsingskader worden bezien of deze uitsluiting van de vluchtelingenstatus is geëindigd nadat eiser Libanon heeft verlaten. Voor de beantwoording van die vraag is het allereerst van belang of eiser door de omstandigheden gedwongen het gebied heeft verlaten waar de UNRWA-hulp wordt geboden of dat hij “vrijwillig” het gebied heeft verlaten waar hij bescherming en bijstand van UNRWA kreeg. De rechtbank dient dus te beoordelen waarom eiser het mandaatgebied heeft verlaten en meer in het bijzonder of dat vertrek noodzakelijk was. Als de bescherming die UNRWA heeft geboden ten tijde van het vertrek is opgehouden te bestaan en het vertrek uit Libanon daarom noodzakelijk was, valt eiser niet langer onder de uitsluitingsgrond en dient eiser -door verweerder- te worden erkend als vluchteling omdat hij een door UNRWA erkend vluchteling is, waarbij de rechtbank voor de volledigheid overweegt dat van 1F- of ernstige openbare orde aspecten niet is gebleken. 14. De rechtbank overweegt hierbij dat het vertrek van eiser uit het mandaatgebied op zichzelf dus niet betekent dat reeds daardoor de uitsluitingsgrond niet langer op eiser van toepassing kan zijn. Zoals hiervoor weergegeven heeft het Hof in zijn arrest van 19 december 2012 in de zaak El Kott in punten 49 en 50 ook overwogen dat het loutere feit dat de betrokkene zich bevindt buiten het gebied waarin het UNRWA werkzaam is of dit gebied vrijwillig verlaat, niet volstaat om de in die bepaling neergelegde uitsluiting van de vluchtelingenstatus te beëindigen omdat anders iedere asielzoeker nooit onder de uitsluitingsgrond kan vallen en dat elk nuttig effect aan deze regeling zou ontnemen. Tegelijkertijd heeft, naar het oordeel van de rechtbank, te gelden dat het loutere feit dat de betrokkene voorafgaand aan zijn vertrek onder de uitsluitingsgrond viel, niet volstaat om de uitsluitingsgrond onverkort van toepassing te blijven achten. Beantwoording van de vraag of de uitsluitingsgrond nog steeds van toepassing is en reeds daarom van eiser kan worden gevergd zich wederom naar het mandaatgebied van UNRWA te begeven en daar wederom om bescherming en bijstand te verzoeken vergt dan ook een nadere beoordeling. 14. Ten aanzien van de vraag of eiser genoodzaakt was om Libanon te verlaten overweegt de rechtbank dat eiser verweerders standpunt dat de door hem ondervonden discriminatie niet voldoende zwaarwegend is, niet heeft weersproken. Hij heeft in de zienswijze wel aangevoerd dat verweerder de arrestatie door Hezbollah waarover hij heeft verklaard afzonderlijk op geloofwaardigheid en zwaarwegendheid had moeten beoordelen, maar is hier na de in het bestreden besluit gegeven reactie niet meer op teruggekomen. De rechtbank zal deze aspecten van het asielrelaas, waarvan verweerder heeft gevonden dat deze niet nopen tot het verlenen van een vluchtelingenstatus of subsidiaire bescherming, daarom nu niet verder beoordelen. De rechtbank zal beoordelen of het vertrek van eiser noodzakelijk was omdat de bescherming en bijstand van UNRWA had opgehouden te bestaan. 14. Het Hof heeft in het eerdergenoemde arrest El Kott hierover het navolgende overwogen: (…) 55. Aangezien het loutere feit dat de aanvrager van de vluchtelingenstatus het gebied waarin het UNRWA werkzaam is, verlaat, ongeacht de reden van dat vertrek, de in artikel 12, lid 1, sub a, eerste volzin, van richtlijn 2004/83 neergelegde uitsluiting van de vluchtelingenstatus niet kan beëindigen, dient te worden bepaald onder welke omstandigheden kan worden aangenomen dat de door UNRWA verleende bijstand is opgehouden in de zin van de tweede volzin van die bepaling. 56. Dienaangaande moet worden vastgesteld dat niet alleen de opheffing van het orgaan of van de instelling die de bescherming of de bijstand verleent, leidt tot het ophouden van de door dat orgaan of door die instelling verleende bescherming of bijstand in de zin van de tweede volzin van dat artikel 12, lid 1, sub a, maar ook de onmogelijkheid voor dat orgaan of die instelling om zijn opdracht te volbrengen. 57. Uit de woorden „[i]s die bescherming of bijstand [...] opgehouden” die de tweede volzin van artikel 12, lid 1, sub a, van richtlijn 2004/83 inleiden, volgt namelijk dat het bovenal de daadwerkelijk door het UNRWA verleende bijstand is die moet ophouden, en niet het bestaan van dit orgaan, om de grond voor uitsluiting van de vluchtelingenstatus te beëindigen. 58. Hoewel de bovenvermelde woorden op zich beschouwd aldus kunnen worden uitgelegd dat zij alleen gebeurtenissen betreffen die rechtstreeks met het UNRWA verband houden, zoals de opheffing van dat orgaan of een gebeurtenis waardoor het in het algemeen voor dit orgaan onmogelijk is om zijn opdracht te volbrengen, vereisen de woorden „om welke reden ook” die erop volgen in die tweede volzin echter dat deze aldus wordt uitgelegd dat de reden voor het ophouden van de bijstand ook kan voortvloeien uit omstandigheden buiten de wil van de betrokken persoon, die hem ertoe dwingen het gebied waarin het UNRWA werkzaam is, te verlaten. 59. Ongetwijfeld kan niet worden aangenomen dat de bijstand is opgehouden wegens de loutere omstandigheid dat een persoon zich buiten dat gebied bevindt of vrijwillig besluit om het te verlaten. Is die beslissing echter ingegeven door dwingende omstandigheden onafhankelijk van de wil van de betrokken persoon, dan kan een dergelijke situatie leiden tot de vaststelling dat de bijstand die deze persoon genoot, is opgehouden in de zin van artikel 12, lid 1, sub a, tweede volzin, van richtlijn 2004/83. 60. Deze uitlegging strookt met de doelstelling van genoemd artikel 12, lid 1, sub a, die met name de bedoeling heeft om Palestijnse vluchtelingen blijvende bescherming te bieden door middel van een daadwerkelijke bescherming of bijstand en niet alleen door het bestaan te waarborgen van organen of instellingen die belast zijn met het verlenen van die bijstand of bescherming, zoals tevens blijkt uit paragraaf 20 van resolutie 302 (IV) juncto paragraaf 6 van resolutie 2252 (ES-V) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. 61. Om uit te maken of de bijstand of bescherming daadwerkelijk is opgehouden in de zin van die bepaling van richtlijn 2004/83, dienen de bevoegde nationale autoriteiten en rechterlijke instanties na te gaan of het vertrek van de betrokken persoon zijn rechtvaardiging vindt in redenen buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil die hem dwingen dat gebied te verlaten en hem op die manier beletten de door het UNRWA verleende bijstand te genieten. 62. Wat het onderzoek in een specifieke zaak betreft van de omstandigheden die geleid hebben tot het vertrek uit het gebied waarin het UNRWA werkzaam is, moeten de nationale autoriteiten rekening houden met de doelstelling van artikel 1 D, van het Verdrag van Genève, waar artikel 12, lid 1, sub a, van richtlijn 2004/83, naar verwijst, te weten blijvende bescherming bieden aan Palestijnse vluchtelingen, in die hoedanigheid, totdat hun positie definitief is geregeld overeenkomstig de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. 63. Gelet op deze doelstelling moet worden aangenomen dat een Palestijnse vluchteling gedwongen is het gebied te verlaten waarin het UNRWA werkzaam is, wanneer hij zich in een persoonlijke situatie van ernstige onveiligheid bevindt en het voor dit orgaan onmogelijk is hem in dat gebied levensomstandigheden te bieden die stroken met de opdracht waarmee het is belast. (…) 23. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 27 juni 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2446) onder meer het navolgende overwogen: (…) De achtergrond van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag 4. Artikel 1(D), eerste volzin, van het Vluchtelingenverdrag sluit personen die bescherming krijgen van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan de UNHCR uit van de werkingssfeer van het Vluchtelingenverdrag. Dat betekent dat die personen zijn uitgesloten van de vluchtelingenstatus (zie de uitspraken van de Afdeling van 19 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:447, onder 4.2). Deze uitsluiting berust op de vooronderstelling dat die personen de bescherming van het Vluchtelingenverdrag niet nodig hebben, omdat zij al op een andere wijze bescherming hebben gevonden. De UNRWA is een orgaan van de Verenigde Naties als bedoeld in artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag en is opgericht om Palestijnse vluchtelingen bescherming en bijstand te bieden. Het doel van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag is om te waarborgen dat Palestijnse vluchtelingen blijvend als een aparte categorie worden erkend en zij blijvend bescherming en bijstand kunnen blijven genieten (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1, onder 6.2). Artikel 1(D), tweede volzin, van het Vluchtelingenverdrag bepaalt dat wanneer de bescherming en bijstand van het orgaan van de Verenigde Naties is opgehouden, de personen die door dat orgaan werden beschermd, van rechtswege onder de werking van het Vluchtelingenverdrag vallen. Zij hebben in beginsel dan recht op een vluchtelingenstatus (zie de uitspraken van de Afdeling van 3 januari 2022, onder 6.1 en 14 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1550, onder 7). Door dit systeem wordt de bescherming van deze groep vluchtelingen gegarandeerd. 4.1. Artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag is in het Unierecht opgenomen in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Kwalificatierichtlijn. Bescherming en bijstand van de UNRWA 4.2. Het Hof heeft in het arrest van 19 december 2012, El Kott, ECLI:EU:C:2012:826, punt 49, overwogen dat artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Kwalificatierichtlijn niet zo kan worden uitgelegd dat de omstandigheid dat een staatloze Palestijn het werkgebied van de UNRWA vrijwillig verlaat, op zichzelf volstaat om de uitsluiting van de vluchtelingenstatus te beëindigen. In punt 51 van het arrest heeft het Hof overwogen dat aannemen dat een vrijwillig vertrek uit het gebied waarin de UNRWA werkzaam is en dus een vrijwillige afstand van de door UNRWA verleende bijstand aanleiding geeft tot beëindiging van de uitsluiting van de vluchtelingenstatus, ingaat tegen de doelstelling van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag. In punt 61 heeft het Hof vervolgens overwogen dat om te beoordelen of de bijstand of bescherming van UNRWA daadwerkelijk is opgehouden door de lidstaat moet worden nagegaan of het vertrek van de betrokken persoon zijn rechtvaardiging vindt in redenen buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil die hem dwingen dat gebied te verlaten en hem op die manier beletten de door de UNRWA verleende bijstand te genieten. 4.3. Het Hof heeft in het arrest XT, punten 57, 59 en 67, overwogen dat bij de beoordeling of de bescherming en bijstand van de UNRWA is opgehouden rekening moet worden gehouden met alle sectoren van het werkgebied van de UNRWA waar de betrokken staatloze Palestijn op het moment van vertrek uit het werkgebied van de UNRWA concreet de mogelijkheid had om toegang te krijgen om daar bescherming of bijstand van die organisatie te ontvangen. In punt 63 van het arrest heeft het Hof overwogen dat indien blijkt dat de staatloze een concrete mogelijkheid had om veilig te verblijven op het grondgebied van een van de sectoren van het werkgebied van de UNRWA waar die organisatie hem bescherming of bijstand kon bieden, niet kan worden geoordeeld dat de bescherming of bijstand van de UNRWA is opgehouden in de zin van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, tweede volzin van de Kwalificatierichtlijn. (…) 24. De rechtbank overweegt dat gelet op de uitleg door het Hof van het Unierecht en de toepassing hiervan door de Afdeling, het vertrek van eiser uit Libanon geen rechtvaardiging vindt in redenen buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil die hem hebben gedwongen dat gebied te verlaten en hem op die manier hebben belet de door de UNRWA verleende bijstand te genieten. Eiser heeft verklaard over zijn redenen en moment van vertrek. Hij heeft gesteld dat UNRWA in de tijd dat hij in het vluchtelingenkamp verbleef reeds niet aan haar mandaat kon voldoen en dit een van de redenen was waarom hij Libanon heeft verlaten. De rechtbank overweegt dat het Thematisch Ambtsbericht Palestijnen in Libanon van januari 2021 gewag maakt van een verslechterde economische- en mensenrechtensituatie in Libanon en dit meer druk zet op Palestijnen om de kampen proberen te verlaten of naar het buitenland te migreren. In paragraaf 8.3 is ook vermeld dat UNRWA al jaren kampt met financiële problemen en budgettekorten vanwege de groeiende vluchtelingenpopulatie en doordat bijdrages van donoren teruglopen. De rechtbank kan echter uit het ambtsbericht niet afleiden dat UNRWA op het moment dat eiser Libanon heeft verlaten zodanig gering invulling gaf aan haar mandaat dat hieruit volgt dat de bescherming of bijstand van de UNRWA is opgehouden in de zin van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, tweede volzin van de Kwalificatierichtlijn. Uit het ambtsbericht blijkt dat het voorzieningenniveau (net) voldoende was om aan te nemen dat vluchtelingen zich tot UNRWA konden wenden voor basisvoorzieningen. Eiser heeft verklaard dat Palestijnen in Libanon in de tijd dat hij daar verbleef zich niet wendden tot UNRWA omdat dat niet tot het verkrijgen van hulp leidde en heeft als voorbeeld verwezen naar het gebrek aan medische voorzieningen. Eiser heeft evenwel niet geconcretiseerd dat dit voor hem persoonlijk aanleiding vormde om te vertrekken, noch dat hij persoonlijke kampte met medische problematiek en UNRWA hem geen toegang bood tot medische voorzieningen. De rechtbank baseert haar oordeel dat eiser niet door redenen buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil is gedwongen Libanon te verlaten en hij op die manier zou zijn belet om de door de UNRWA verleende bijstand te genieten (ook) op de verklaringen van eiser over de redenen en het moment van vertrek. In het verslag van het nader gehoor is onder meer het navolgende vermeld: (…) Hoe was uw huisvesting in Libanon? Ik woonde in het vluchtelingenkamp. Van wanneer tot wanneer heeft u in het vluchtelingenkamp gewoond? Ik schat dat ik in totaal 13 tot 15 jaar in vluchtelingenkampen heb gewoond. Vanaf 2005/ 2006 woonde ik ongeveer 5 jaar in Shatila vluchtelingenkamp Daarna verhuisde ik naar Bourj Al Barajne daar heb ik tot aan mijn vertrek gewoond. Op welke manier kon u rondkomen? We hadden een klein huurhuis in het vluchtelingenkamp. Het ging wel met Gods hulp. Ik werkte in elektrotechniek. “Wat was voor u de directe aanleiding voor uw vertrek? Het is eigenlijk alles bij elkaar; de oorlogssituaties, de onveilige situatie in Libanon waar de milities de dienst uit maakte. Plus het feit dat Libanon een onveilig land is voor Palestijnse vluchtelingen. Palestijnse vluchtelingen en Syriërs worden gediscrimineerd en gehaat. De Palestijnse vluchtelingen mogen niet alle beroepen uitoefenen. De UNWRA is een organisatie die al heel lang de Palestijnse vluchtelingen niet meer helpt. Als het aan de Palestijnse vluchtelingen ligt, gaan ze allemaal Libanon verlaten. Ik had het al lang willen doen, maar ik had er de middelen niet voor. Op het moment dat ik alles bij elkaar had geleend, heb ik deze stap genomen. Waarom bent u op 26 augustus 2019 uit Libanon vertrokken? De datum is toevallig. Het is de datum dat het mij mogelijk werd Libanon te verlaten, ik heb de reisagent gebeld en hij heeft me verteld dat ik dan Libanon kan verlaten.” (…) 25. De rechtbank begrijpt dat de omstandigheden waarin eiser ook in vluchtelingenkamp Borj El-Brajneh jarenlang heeft verbleven buitengewoon hard zijn geweest en dat de situatie waarin eiser heeft verkeerd doordat vanwege deze slechte omstandigheden zijn vrouw en kind zich niet bij hem hebben kunnen voegen, zonder meer tot de keuze om te vertrekken hebben kunnen leiden. Ook uit het landenbeleid Libanon en uit algemene landeninformatie blijkt van de erbarmelijke leefomstandigheden en de zeer beperkte invulling die UNRWA in Libanon aan haar mandaat gaf op het moment dat eiser feitelijk is vertrokken. De rechtbank begrijpt ook dat het moment van vertrek simpelweg, net als bij andere asielzoekers, mede wordt bepaald door het hebben van middelen om feitelijk te kunnen vertrekken. In die zin kent de rechtbank aan het daadwerkelijke moment van vertrek weinig relevantie toe. De omstandigheden die tot vertrek leiden zullen niet altijd tot gevolg hebben dat de asielzoeker onmiddellijk nadat deze omstandigheden zich voordoen feitelijk kan vertrekken en tijdsverloop tussen het voordoen van de vluchtomstandigheden en het daadwerkelijke vertrek betekent op zich zelf niet dat er geen noodzaak is geweest om te vluchten. De rechtbank stelt desondanks vast dat op het moment dat eiser op 26 augustus 2019 uit Libanon is vertrokken niet kan worden geoordeeld dat de bescherming of bijstand van de UNRWA was opgehouden in de zin van artikel 12, eerste lid, aanhef en
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...