Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2024:23971

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2024-04-04
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL23.22206 en NL23.22207
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
22.758 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

De rechtbank beoordeelt in deze zaak de asielaanvragen van eisers. De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het element afvalligheid ongeloofwaardig is bij eiseres. Daarnaast is het onduidelijk wat dat betekent voor de beoordeling van het risico van eiser bij terugkeer. Het beroep is daarom gegrond

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: NL23.22206 NL23.22207 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [# 1] , en [eiseres] , eiseres V-nummer: [# 2] , samen te noemen: eisers (gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. L.B. Beket). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eisers. Eisers zijn geboren op [geboortedatum 1] , respectievelijk [geboortedatum 2] . Zij hebben op 15 april 2023 asielaanvragen ingediend. Verweerder heeft met de bestreden besluiten van 26 juli 2023 deze aanvragen in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. In het besluit van 11 december 2023, waarmee de bestreden besluiten zijn aangevuld, heeft verweerder geoordeeld dat eisers ook op grond van artikel 8 van het EVRM niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning. 1.1. De rechtbank heeft de beroepen op 14 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers, de gemachtigde van eisers, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 3. De behandeling van de beroepen stond eerst gepland op 31 augustus 2023. Op 30 augustus 2023 heeft verweerder echter verzocht om aanhouding omdat verweerder wegens beroepsgronden die zagen op artikel 8 van het EVRM, aanleiding zag om daar nader onderzoek naar te doen. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen. Eisers zijn toen aanvullend gehoord waarna verweerder het aanvullende besluit heeft genomen. Achtergrond. 4. Eisers zijn echtgenoten. Zij hebben beiden de Iraanse nationaliteit. Eisers hebben drie kinderen in Nederland wonen. Zij zijn drie keer met een visum naar Nederland gekomen om hen te bezoeken. Tijdens hun laatste reis naar Nederland hebben eisers de asielaanvragen ingediend. Het asielrelaas 5. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. Eisers praktiseren geen geloof, maar zijn geregistreerd als moslim. Eiseres droeg sinds de demonstraties in 2022 geen hoofddoek meer. Eisers hadden een visum gekregen om hun kinderen te bezoeken. Vlak voor de reis ging eiseres zonder hoofddoek naar een banketbakkerij. Zij heeft daar openlijk haar mening gegeven over dat zij niet gelovig zijn. Kort erna, 15 januari 2023, vond een inval plaats in het huis van eisers door twee mannen van de Sepah. Zij beschuldigden eisers van het meedoen aan demonstraties, het helpen van tegenstanders van het regime en dat zij anti-islam waren. Zij mishandelden eisers en dwongen hen een document te ondertekenen. Zij namen de identiteitskaarten en een akte vande woning van eisers mee en droegen hen op zich over twee dagen te melden bij het lokale politiebureau om deze op te halen. Eisers hebben de volgende dag de reeds geplande vlucht naar Nederland genomen. Zij vrezen bij terugkeer te worden gearresteerd en mogelijk te worden geëxecuteerd door de Iraanse autoriteiten. Ook wil eiseres niet gedwongen worden een hoofddoek te dragen. De bestreden besluiten 6. Verweerder heeft ten aanzien van eiseres de volgende elementen als relevant aangemerkt: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. afvalligheid; 3. eiseres heeft een antireligieuze uiting gedaan in een banketbakkerij; 4. op 15 januari 2023 heeft er een inval plaatsgevonden bij haar thuis door de Sepah en politie waarbij afvalligheid en steun aan tegenstanders is toegedicht. Verweerder heeft het eerste element geloofwaardig geacht, de overige elementen niet. 6.1. Ten aanzien van het tweede element overweegt verweerder als volgt. Eiseres is nooit religieus geweest en daarom is ongeloofwaardig dat zij afvallig is. Uit eisers verklaringen is niet gebleken dat er een moment was in het leven van eisers dat er een verandering was waardoor zij zich heeft afgewend van een eerdere religie. 6.2. Ten aanzien van het derde element heeft verweerder zich op het volgende standpunt gesteld. De antireligieuze uiting komt als ongerijmd over omdat eiseres tot twee dagen voor vertrek geen antireligieuze statements had gemaakt. Eiseres heeft verder summier verklaard over de reden waarom zij de antireligieuze uiting deed. Verder rijmen de te verwachten gevolgen niet met de angst voor het regime. 6.3. Ten aanzien van het vierde element heeft verweerder als volgt geredeneerd. Omdat element 3 ongeloofwaardig is doet dat op voorhand al afbreuk aan de geloofwaardigheid van dit element. Verder doet het afbreuk aan eisers geloofwaardigheid dat niet al hun identificerende documenten zijn meegenomen en dat eisers niet direct zijn meegenomen naar het bureau. Eiseres heeft verder summier verklaard over wat de Sepah en de politie tegen haar zeiden. Eisers zijn ook legaal uitgereisd. 6.4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. huisinval door Sepah en politie; 3. ( toegedichte) afvalligheid. Verweerder heeft het eerste element geloofwaardig geacht, de andere twee niet. 6.5. Ten aanzien van het tweede element overweegt verweerder als volgt. De antireligieuze uiting van eiseres wordt niet geloofd en daarom worden de daaruit voortvloeiende problemen niet gevolgd. Daarnaast zijn de verklaringen over de werkwijze van de Sepah vaag. Het is ook vaag dat eiser zijn hele leven ongelovig is en nu pas in de problemen komt door een uiting van eiseres. Verder is het onduidelijk waarom eiser wordt gezien als tegenstander. Over de reden van de inval is summier verklaard. Eisers zijn verder legaal uitgereisd en hebben zich pas laat gemeld voor asiel. 6.6. Ten aanzien van het derde element heeft verweerder zich op het volgende standpunt gesteld. Eiser is nooit gelovig geweest en daarom is ongeloofwaardig dat hij afvallig is. Ook de toegedichte afvalligheid is niet geloofwaardig omdat de antireligieuze uiting van eiseres, en daarmee ook de huisinval, ongeloofwaardig zijn geacht en eiser niet kenbaar heeft gemaakt ongelovig te zijn. 6.7. Voor beide eisers heeft verweerder overwogen dat de geloofwaardig geachte elementen niet zijn te herleiden tot een van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Eisers hebben volgens verweerder ook niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer in Iran een reëel risico lopen op ernstige schade. Daarom heeft verweerder de asielaanvragen afgewezen als ongegrond. (artikel 31, eerste lid, Vw ) 6.8. In het aanvullend besluit heeft verweerder overwogen dat er geen sprake is van beschermenswaardig gezins- of familieleven tussen eisers en hun in Nederland verblijvende kinderen. Eisers hebben namelijk niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hen en de kinderen. Daarnaast heeft verweerder de belangenafweging in het nadeel van eisers doen uitvallen. Heeft verweerder de afvalligheid van eiseres goed beoordeeld? 7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het element ‘afvalligheid’ bij eiseres ontoereikend heeft beoordeeld en gemotiveerd. De rechtbank motiveert dat als volgt. 7.1. Volgens verweerder is er bij afvalligheid op enig moment iets gewijzigd bij de vreemdeling in het innerlijke geloof waardoor deze zich hiervan heeft afgewend, of de vreemdeling voelt zich niet meer behoren tot het geloof waar hij op enige wijze wel aan heeft deelgenomen. Volgens verweerder is er bij eiseres geen sprake van afvalligheid omdat er geen afwending van een religie heeft plaatsgevonden omdat zij – gezien haar eigen verklaringen – van jongs af aan niets met religie heeft gedaan. 7.2. De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn standpunt. In WI 2022/3 noemt verweerder de definitie uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 januari 2022 van afvalligheid: afvalligheid betekent dat een vreemdeling zich heeft afgewend van het geloof waarmee hij is opgegroeid, dat hij eerder heeft aangehangen of waarbij hij in de ogen van zijn sociale omgeving of de overheid aangesloten behoort te zijn. Hoewel eiseres de islam niet praktiseerde, heeft zij wel verklaard dat zij dit verborg en dat de buitenwereld dit niet meekreeg. Daaruit kan worden afgeleid dat haar sociale omgeving in de veronderstelling was dat zij wel islamitisch was. Eiseres heeft verklaard dat zij na de demonstraties in 2022 haar hoofddoek openlijk meerdere keren niet heeft gedragen. De rechtbank stelt vast dat verweerder op meerdere punten in de besluitvorming heeft geschreven te volgen dat eiseres sinds de demonstraties in 2022 zonder hoofddoek naar buiten ging. Nadat verweerder dit is voorgehouden ter zitting is niet duidelijk geworden waarom dit in de besluitvorming zo is opgeschreven. Verweerder heeft dan ook miskend dat eiseres zich met de uitingen openlijk lijkt te hebben afgewend van de religie waarmee zij in de ogen van haar sociale omgeving aangesloten bij behoort te zijn. Er kan dus wel degelijk sprake zijn van (toegedichte) afvalligheid. 7.3. Eiseres heeft ook verklaard bij terugkeer haar hoofddoek niet meer te willen dragen en zich niet meer te willen conformeren aan de leefregels van de islam. Uit de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2015 volgt dat verweerder moet onderzoeken en beoordelen of, en zo ja hoe, eiseres na terugkeer naar haar land van herkomst uiting wil geven aan haar afvalligheid en of haar verklaringen hierover geloofwaardig zijn. Bij deze beoordeling is verder van belang dat verweerder van eiseres niet mag verlangen dat zij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van haar afvalligheid in het land van herkomst. Gelet op die uitspraak is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat van eiseres verwacht kan worden dat zij zich bij terugkeer gedraagt als voorheen, om niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten te komen. Een terughoudende opstelling van eiseres bij terugkeer kan niet zonder nadere motivering worden verwacht. Daarnaast heeft eiseres gesteld dat uit het algemeen ambtsbericht Iran van september 2023 blijkt dat de zedenpolitie ondertussen strenger optreedt tegen vrouwen die de kledingvoorschriften overtreden en hun hoofddoek niet of onjuist dragen. Verweerder heeft dit ook erkend , maar niet beoordeeld wat dit betekent voor eiseres. 7.4. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het element afvalligheid ongeloofwaardig is. Dat betekent dat eiseres bij terugkeer mogelijk een risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Om die reden is sprake van een motiveringsgebrek in het besluit van eiseres. 7.5. Eiser is de echtgenoot is van eiseres. Het is niet duidelijk wat de gevolgen en risico’s zijn van de eventuele afvalligheid van eiseres voor het risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM dat eiser bij terugkeer loopt. Door afvalligheid van eiseres kan ook eiser afvalligheid worden toegedicht. Verweerder dient dit daarom in een nieuw te nemen besluit te beoordelen. Als verweerder geen risico op schending van artikel 3 van het EVRM op die gronden aanneemt, dient verweerder ambtshalve te beoordelen of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM wegens gezinsleven als voor eiseres wel een risico op artikel 3 van het EVRM wordt aangenomen. Heeft verweerder de inval door de Sepah ongeloofwaardig kunnen achten? 8. De rechtbank volgt verweerder in zijn conclusie dat eisers de inval door de Sepah niet aannemelijk hebben gemaakt. 8.1. Verweerder heeft aan eisers kunnen tegenwerpen dat het vreemd is dat de Sepah niet alle identificerende documenten van eisers hebben meegenomen, maar alleen de identiteitskaarten en de akte van hun huis. Niet valt in te zien waarom deze documenten wel zijn meegenomen en niet de paspoorten. De verklaring van eisers dat de identiteitskaarten belangrijker zijn, is onvoldoende onderbouwd. Doordat de paspoorten niet zijn ingenomen hebben eisers de kans gekregen alsnog te vluchten. Daarnaast valt niet in te zien dat eisers niet direct zijn meegenomen. Ook hebben eisers summier verklaard over wat er tegen hen is gezegd tijdens de inval. Verweerder heeft het verder opmerkelijk kunnen achten dat eisers de dag erna het land zonder problemen hebben kunnen verlaten als zij werkelijk problemen zouden hebben met de autoriteiten. 8.2. De stelling van eisers dat verweerder in hun geval niet kan tegenwerpen dat zij zich in Nederland niet onverwijld voor asiel hebben gemeld omdat ze niet ongedocumenteerd via land zijn gereisd, kan niet slagen. Verweerder heeft dit aspect namelijk aan eiser tegengeworpen in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling en niet in de beoordeling of eisers aanvraag als kennelijk ongegrond moet worden afgedaan. De rechtbank begrijpt dat verweerder stelt dat het afbreuk doet aan de gestelde vrees van eisers dat zij zich niet meteen na binnenkomst in Nederland melden voor asiel, maar daarmee hebben gewacht tot het laatste moment. De rechtbank volgt verweerder hierin. Eisers zijn namelijk op 16 januari 2023 Nederland ingereisd op een Schengenvisum en hebben zich op de laatste dag voor de afloop daarvan op 14 april 2023 gemeld voor asiel. Eisers hebben niet geconcretiseerd waarom dit aspect niet zou mogen worden tegengeworpen in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Eisers hebben slechts als reden gegeven dat zij hun kinderen in Nederland niet ongerust wilden maken. Dit laat echter onverlet dat verwacht kan worden dat eisers zich zo snel mogelijk melden voor bescherming als zij daadwerkelijk vrezen gevaar te lopen in hun land van herkomst. 8.3. Ten aanzien van de tegenwerping dat eisers vaag hebben verklaard over de reden van de inval is de rechtbank van oordeel dat hieraan niet veel gewicht kan worden gehangen. Eisers hebben beide namelijk meermaals verklaard dat zij niet weten waarom de Sepah de inval pleegde en dat het (gestelde) incident in de banketbakkerij de mogelijke reden is. De geloofwaardigheidsbeoordeling van het incident bij de banketbakkerij acht de rechtbank ook niet relevant, omdat de vrees voor de autoriteiten voortkomt uit de huisinval. Als het incident in de baketbakkerij heeft plaatsgevonden, betekent het verder niet dat ook de inval heeft plaatsgevonden. Verder acht de rechtbank ook in mindere mate relevant dat eisers legaal Iran zijn uitgereisd. Het (gestelde) korte tijdsverloop tussen de inval en de uitreis biedt hiervoor voldoende verklaring. Echter hebben eisers, gelet op het voorgaande, de inval door de Sepah ook op zichzelf niet aannemelijk gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft verweerder het risico op schending van artikel 3 van het EVRM goed beoordeeld? 9. De rechtbank volgt eisers niet in hun stelling dat er een hoog risico is op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer omdat eisers tijdens de inval zijn mishandeld. Nu de gestelde inval niet wordt gevolgd, wordt ook niet gevolgd dat eisers daarbij zijn blootgesteld aan mishandeling door de autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft verweerder het beroep op artikel 8 van het EVRM goed getoetst? 10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte heeft overwogen dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen eisers en hun kinderen. Ook is de rechtbank van oordeel dat verweerder de belangenafweging in het nadeel van eisers heeft mogen doen uitvallen. 10.1. Verweerder heeft in dit verband kunnen betrekken dat de kinderen van eisers sinds augustus 2010 in Nederland verblijven. Eisers zijn sindsdien tot hun komst naar Nederland alleen in Iran blijven wonen. Zij hebben langdurig zelfstandig kunnen functioneren in afwezigheid van hun kinderen. Eisers verblijven nu afwisselend bij hun kinderen en het asielzoekerscentrum. Eisers hebben ook in Iran zelfstandig gewoond en zelfstandig kunnen functioneren. Eisers zijn voor hun zorg ook niet afhankelijk van hun kinderen. De rechtbank is gebleken dat eisers vooral vrezen voor een verdere verslechtering van hun gezondheidstoestand. Eisers hebben niet met stukken onderbouwd dat zij wegens een slechte gezondheid een speciale zorgbehoefte zullen hebben. Verweerder heeft uit deze omstandigheden op kunnen maken dat niet is gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eisers en hun kinderen. Van beschermenswaardig familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM is dan ook geen sprake. 10.2. De belangenafweging heeft in het nadeel van eisers kunnen uitvallen. Hoewel verweerder in het voordeel van eisers heeft betrokken dat er een objectieve belemmering is om een gezinsleven in Iran uit te oefenen en eisers geen bedreiging vormen voor de openbare orde of volksgezondheid in Nederland, heeft verweerder daar andere belangen tegenover mogen stellen. Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat er geen sprake is van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft ook betrokken dat er geen beleid is voor ouderen om verblijf in Nederland toe te staan. Verweerder heeft verder in het nadeel van eisers kunnen betrekken dat eisers geen inkomen hebben in Nederland, vanwege hun leeftijd niet zullen werken en dat niet is onderbouwd dat de kinderen van eisers de kosten voor het levensonderhoud van eisers voor hun rekening willen en kunnen nemen. Verweerder heeft ook kunnen betrekken dat niet is gebleken dat eisers bij hun kinderen kunnen wonen. Verweerder heeft verder kunnen tegenwerpen dat het in de lijn der verwachtingen ligt dat eisers medische kosten zullen maken. Aannemelijk is ook dat eisers aanspraak zullen maken op voorzieningen die mede met publieke middelen worden bekostigd. Ten slotte heeft verweerder kunnen concluderen dat de binding van eisers met Nederland beperkt is. De rechtbank volgt verweerder ten slotte in de conclusie dat ook verder niet is gebleken van bijzondere omstandigheden. 10.3. De rechtbank volgt eisers niet in hun beroep op de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022. Niet is onderbouwd dat sprake is van gelijke gevallen. Anders dan in de zaak van eisers werd er in die uitspraak wel aangenomen dat sprake was van beschermenswaardig familie- en gezinsleven. Verder had verweerder in die zaak de belangenafweging alleen de economische belangen tegengeworpen, terwijl de referent had aangetoond dat hij kon voorzien in de kosten van het levensonderhoud en het verblijf van zijn familielid. In het geval van eisers is dat niet onderbouwd. Heeft verweerder voldoende waarde gehecht aan de overgelegde foto’s? 11. Eisers hebben in beroep foto’s overgelegd om te onderbouwen dat zij in Nederland hebben deelgenomen aan demonstraties die gericht waren tegen het Iraanse regime. Eisers hebben hier echter geen aparte gronden over ingediend. In deze procedure is ook niet aangevoerd en/of beoordeeld dat er sprake is van een politieke overtuiging bij eisers. De rechtbank laat ze daarom buiten beschouwing. Conclusie en gevolgen 12. Verweerder heeft de aanvragen ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals blijkt uit overwegingen 7.4 en 7.5. Dit betekent dat de afwijzingen geen stand kunnen houden. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing over de aanvragen te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen. 12.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder nieuwe besluiten moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken. 12.2. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Gelet op de samenhang tussen de zaken van eiser en eiseres dient verweerder deze maar een keer uit te betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van eisers beroepschriften heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de bestreden besluiten; - draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Molenkamp-Lopar, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Vreemdelingenwet 2000. Werkinstructie 2022/3 Bekering en afvalligheid. ECLI:NL:RVS:2022:93. Zie onder andere punt 3.1 en punt 3.3 van het voornemen ten aanzien van eiseres. Zie ook het besluit ten aanzien van eiser pagina 4 bovenaan. ECLI:NL:RVS:2015:2667. Vanaf pagina 51. Zie het besluit ten aanzien van eiseres. ECLI:NL:RVS:2022:345.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...