ECLI:NL:RBDHA:2024:15025
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2024-09-20
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Dublin Finland, beroep ongegrond, medische omstandigheden, gedwongen asielaanvraag.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.34034 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. M.S. Yap), en de minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. H.J. Toonders). Procesverloop Bij besluit van 23 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond van Finland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1997 en heeft de Jemenitische nationaliteit. Hij heeft op 17 maart 2024 asiel aangevraagd in Nederland. 2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 30, eerste lid, van de Dublinverordening niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 12 november 2023 al in Finland om internationale bescherming heeft verzocht. Nederland heeft op grond hiervan op 22 april 2024 een verzoek tot terugname verstuurd aan de Finse autoriteiten. Op 6 mei 2024 heeft Finland het verzoek geaccepteerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Finland vaststaat. 3. Eiser voert aan dat hij in Finland is gedwongen een asielaanvraag te doen. De omstandigheid waaronder die asielaanvraag tot stand is gekomen is ook van belang. Daarnaast heeft eiser medische klachten en hiervoor is hij niet deugdelijk behandeld in Finland. Eiser beroept zich op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, omdat hij bij overdracht aan Finland een risico op schade zal lopen. De rechtbank oordeelt als volgt. 4. Niet in geschil is dat Finland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. 5. Op grond van artikel 14, eerste lid, van de Eurodac-verordening zijn lidstaten verplicht illegale vreemdelingen die op het grondgebied van de lidstaten binnenkomen, te registreren. Als eiser meent dat de Finse autoriteiten in dit opzicht onrechtmatig hebben gehandeld, ligt het op zijn weg om daarover te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties in dat land. 6. Ten aanzien van de – overigens niet onderbouwde – medische klachten van eiser is niet gebleken dat eiser in Finland geen medische zorg kan krijgen. Zo heeft hij verklaard dat hij gedurende zijn asielprocedure in Finland is behandeld aan zijn hand. Ook is hij gezien door een arts . Daarbij zijn er geen aanwijzingen dat Nederland het meest aangewezen land is voor de medische behandeling van eiser. Niet is gebleken dat eiser een medische behandeling nodig heeft die hij alleen in Nederland kan krijgen. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder ervan uitgaan dat de noodzakelijke medische zorg voor eiser beschikbaar is in Finland. Indien eiser vindt dat Finland zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Finland te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat de autoriteiten van Finland hem niet zouden kunnen of willen helpen. 7. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die maken dat overdracht van eiser aan Finland van onevenredige hardheid getuigt en verweerder aanleiding had moeten zien om de asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. 8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 20 september 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van S.A. Sewratan, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verordening 604/2013. Verordening (EU) nr. 603/2013. Rapport aanmeldgehoor Dublin, p. 7.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...