Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2024:10896

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2024-07-12
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL23.22717
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
71.955 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Rwanda veilig derde land – Eiser heeft de Burundese nationaliteit en is in Rwanda door de UNHCR als prima facie vluchteling erkend. De Rwandese autoriteiten hebben op grond van deze erkenning aan eiser een vluchtelingenpaspoort verstrekt. – Eiser vreest dat Rwanda hem naar Burundi zal terugsturen. Vanwege zijn individuele vluchtrelaas is eiser aanvankelijk uit Burundi gevlucht. Eiser voelt zich vanwege deze vrees echter ook niet veilig in Rwanda en is daarom gevlucht naar Kenia. Eiser vreest dat hij ook in Kenia niet veilig zal zijn en heeft daarom hier te lande een asielaanvraag gedaan. Grondslag niet-ontvankelijk verklaring – wedertoelating, bewijslast hiervoor en samenwerkingsplicht – band met Rwanda – beoordeling risico op indirect refoulement, uitspraak UK Supreme Court van 15 november 2023, bewijswaarde UNHCR-info in relatie tot IB en info TOELT, kwaliteit asielprocedure Rwanda – beoordeling individueel relaas op geloofwaardigheid en zwaarwegendheid – verweerder is na de zitting reeds meerdere weken in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de vragen die de rechtbank ter zitting heeft gesteld, dus geen bestuurlijke lus - beroep gegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL23.22717 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], Geboren op [geboortedatum] 1983 in Burundi, V-nummer: [v-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. M.M.J. van Zantvoort), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. S. van der Steen-Jhinnoe). Procesverloop Bij besluit van 1 augustus 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser van 18 maart 2022 in de verlengde procedure niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). In dit besluit is een terugkeerbesluit opgenomen met een vertrektermijn van 28 dagen. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL23.22718). De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 18 april 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van het beroep en verzoek heeft de rechtbank om het geschil finaal te beslechten het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder, op zijn verzoek, in de gelegenheid te stellen schriftelijk te kunnen reageren op de door de rechtbank ter zitting gestelde vragen. Verweerder heeft op 16 mei 2024 schriftelijk gereageerd op de vragen van de rechtbank. Eiser heeft op 30 mei 2024 gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheid om te reageren op de brief van verweerder. De rechtbank heeft partijen op 31 mei 2024 bericht geen nadere behandeling ter zitting te agenderen tenzij een van de partijen binnen een week aangeeft nader te willen worden gehoord. De rechtbank heeft het onderzoek op 11 juni 2024 gesloten en medegedeeld dat de rechtbank schriftelijk uitspraak zal doen. Overwegingen 1. Eiser heeft de Burundese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1983. Hij stelt dat hij behoort tot de Tutsi-gemeenschap. Eiser stelt eind mei 2015 uit Burundi te zijn vertrokken en enige tijd in de periode van 2015 tot 2017 en van november 2018 tot mei 2019 in Rwanda te hebben verbleven. Eiser heeft tussen 2017 en november 2018 in Kenia verbleven. In mei 2019 is eiser vanuit Kenia vertrokken naar Nederland om gedurende zes weken een programma te volgen aan de Maastricht University. Na dit programma is eiser teruggekeerd naar Kenia en eiser is vervolgens vanuit Kenia in februari 2022 via België wederom naar Nederland gekomen. Eiser is op 14 maart 2022 aangekomen in Nederland en heeft op 18 maart 2022 een asielaanvraag ingediend. Eiser is in Rwanda door de UNHCR als vluchteling erkend en de Rwandese autoriteiten hebben op grond van deze erkenning aan eiser een vluchtelingenpaspoort verstrekt. Eiser vreest echter dat Rwanda hem wil uitzetten naar Burundi. Eiser heeft in Burundi als onafhankelijk consulent en ondersteuner/vertaler voor journalisten gewerkt. Eiser heeft onderbouwd wat er met kritische journalisten gebeurt en vreest daarom ook voor zijn leven. Vanwege deze vrees is eiser aanvankelijk uit Burundi gevlucht. Eiser voelt zich vanwege deze vrees echter ook niet veilig in Rwanda en is daarom gevlucht naar Kenia. In Rwanda heeft eiser alleen verbleven om een vluchtelingenpaspoort te verkrijgen. Eiser vreest dat hij ook in Kenia niet veilig zal zijn en heeft daarom hier te lande een asielaanvraag gedaan. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn asielaanvraag inhoudelijk moet worden behandeld vanwege deze vrees en heeft ook, gemotiveerd en onderbouwd, aangegeven dat hij niet meer zal worden toegelaten tot Rwanda, zodat hij ook om die reden niet kan terugkeren naar Rwanda en zijn asielaanvraag niet niet-ontvankelijk mag worden verklaard. 2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat hij Rwanda als veilig derde land voor eiser aanmerkt. In het voornemen heeft verweerder overwogen dat eiser in Rwanda als vluchteling is erkend. Eiser kan die bescherming, ondanks dat hij zijn vluchtelingenpaspoort is kwijtgeraakt, nog genieten en zal ook tot het grondgebied van Rwanda worden toegelaten. Er wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb). Eiser heeft een sterke band met Rwanda en heeft een relatief lang verblijf in Rwanda gehad. Uit IB 2020/82 blijkt dat de omstandigheden in Rwanda goed zijn. Asielzoekers en erkende vluchtelingen hebben toegang tot alle belangrijke voorzieningen. Er wordt uitgegaan van wedertoelating, tenzij de vreemdeling aannemelijk maakt dat dit in zijn geval niet zo is. Eiser is in het bezit geweest van een Burundees paspoort en een Rwandees vluchtelingenpaspoort en het kan van eiser verwacht worden dat hij weer in het bezit kan komen van deze documenten. Voor zover eiser zich zorgen maakt over de beter wordende banden tussen Rwanda en Burundi, acht verweerder deze verklaringen vaag en bovendien blijkt uit landeninformatie dat Rwanda het verbod op refoulement naleeft, zodat verweerder geen aanleiding heeft gezien om eisers asielaanvraag inhoudelijk te beoordelen aan de hand van de door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden, waaronder die in Rwanda. 3. In reactie op het standpunt van eiser dat hij niet zal worden toegelaten tot Rwanda, heeft verweerder in het bestreden besluit aangegeven dat hij nader onderzoek wilde doen bij de Rwandese autoriteiten, maar dat eiser de toestemmingsverklaring niet wil ondertekenen om zijn gegevens te mogen delen met de Rwandese autoriteiten. Verweerder heeft ook in reactie op het standpunt van eiser aangegeven dat Rwanda voldoet aan alle internationale eisen ten aanzien van vluchtelingen en daarmee ook aan de artikelen 7, 8 en 10 van de UNHCR’s Legal Considerations. Eiser kan in zijn eigen onderhoud voorzien en hoeft niet naar een vluchtelingenkamp en is ook niet afhankelijk van hulporganisaties. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij een sociaal netwerk heeft opgebouwd en dus een ingang tot werk heeft. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat iedereen hem kent en weet wat zijn werkzaamheden zijn geweest. Eiser loopt in verband hiermee dan ook geen gevaar. Eiser heeft niet concreet gemaakt dat hij in Rwanda persoonlijke problemen of bedreigingen heeft ervaren. 4. Eiser heeft in beroep ook betwist dat hij een sterke band heeft met Rwanda. Hij is in Rwanda als vluchteling erkend en zijn vluchtelingenpaspoort was geldig tot 16 maart 2024. Meteen nadat hij zijn vluchtelingenpaspoort kreeg is hij vertrokken uit Rwanda omdat hij zich daar niet veilig voelde. Zijn gezin woont bovendien in Kenia. Eiser heeft alleen in Rwanda verbleven zo lang dit nodig was om een paspoort te verkrijgen dus uit dit verblijf volgt geen band met Rwanda. Eiser heeft zelf contact opgenomen met de UNHCR en uit dat contact blijkt dat hij niet zal worden toegelaten tot Rwanda met alleen een kopie van zijn vluchtelingenpaspoort en kopie van zijn Burundese paspoort. Eiser heeft geen toestemming aan verweerder gegeven om contact op te nemen met de Rwandese autoriteiten omdat hij vreest voor gevaar voor zijn familie. Verweerder mag dit dus niet tegenwerpen. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom Rwanda juist voor eiser als veilig derde land kan worden aangemerkt omdat verweerder heeft volstaan met het verwijzen naar verdragen waar Rwanda partij bij is. Verweerder is onvoldoende ingegaan op de verklaringen van eiser over artikel 15 van de UNHCR’s Legal Considerations en is onvoldoende ingegaan op zijn redenen waarom hij vreest bij terugkeer. Eiser vreest namelijk niet alleen voor indirect refoulement naar Burundi, maar zijn vrees ziet ook het mogelijk moeten verblijven in Rwanda. Eiser wil misstanden aan het licht brengen en dit valt onder het recht op vrije meningsuiting en ook het recht van journalisten om dit te doen. Er is ook sprake van tenminste een toegedichte politieke overtuiging. Gelet op de omstandigheid dat Rwanda en Burundi de onderlinge banden aanhalen, vreest eiser te worden uitgezet naar Burundi als hij moet terugkeren naar Rwanda. Eiser heeft verwezen naar algemene informatie en meerdere bronnen om dit standpunt te onderbouwen. Rwanda voldoet als veilig derde land niet aan de standaarden die de UNHCR stelt. Er dient duurzame en effectieve bescherming te zijn. Bovendien moet er sprake zijn van toegang tot een land en rechtmatig verblijf nadien. Daarnaast moet het mogelijk zijn een menswaardig bestaan op te bouwen en dient de beoordeling of al het voorgaande mogelijk is individueel te zijn. Er dient niet alleen te worden gekeken of een land verdragen heeft geratificeerd, maar ook moet er naar de praktijk worden gekeken. Eiser heeft verwezen naar meerdere bronnen om de actuele situatie in Rwanda toe te lichten en daarmee te onderbouwen dat Rwanda voor hem geen veilig land is. De algemene mensenrechtensituatie in Rwanda is ook niet goed. 5. De rechtbank overweegt dat de kern van het geding de vraag is of de grondslag waar verweerder zijn besluit op heeft gebaseerd juist is en verweerder de asielaanvraag niet inhoudelijk hoeft te behandelen. Weliswaar is eiser in Rwanda erkend als vluchteling. Eiser is echter niet door de Rwandese autoriteiten, maar door de UNHCR als prima facie vluchteling erkend. Zijn individuele vluchtrelaas is dus niet beoordeeld. De Rwandese autoriteiten hebben op grond van deze erkenning door de UNHCR enkel een vluchtelingenpaspoort aan eiser verstrekt (en hebben hem dus geen verblijfsvergunning op grond van internationale bescherming verleend). Door deze specifieke feiten en omstandigheden rijst de vraag of verweerder de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren omdat aan eiser op deze wijze een vluchtelingenstatus is verleend. Om deze vraag te beantwoorden zal de rechtbank allereerst beoordelen of eiser zal worden toegelaten tot Rwanda als hij zou terugkeren en wie daarvoor de bewijslast draagt. Indien eiser feitelijk niet zal worden toegelaten tot Rwanda, kan hij in Rwanda zijn rechten als vluchteling immers niet effectueren en zal verweerder reeds daarom de asielaanvraag van eiser inhoudelijk moeten behandelen. Tevens moet worden beoordeeld of eiser een zodanige band heeft met Rwanda dat het voor hem, indien de wedertoelating is gewaarborgd, redelijk zou zijn om naar Rwanda te gaan. Als de wedertoelating is gewaarborgd en in beginsel van eiser kan worden gevergd dat hij zich naar Rwanda begeeft om aldaar zijn rechten als vluchteling te effectueren, komt de vraag aan de orde of verweerder voldoende zorgvuldig het risico op indirect refoulement heeft onderzocht en beoordeeld. Eiser heeft immers verklaard dat hij vreest dat de Rwandese autoriteiten hem zullen terugsturen naar Burundi. De rechtbank zal ook beoordelen of verweerder de aanvraag ondanks dat eiser erkend is als vluchteling, inhoudelijk had moeten behandelen gelet op het asielrelaas van eiser. Uit dit relaas blijkt namelijk dat eisers vrees bij terugkeer niet alleen betrekking heeft op Burundi, maar ook ziet op Rwanda en Kenia. Omdat verweerder ervoor heeft gekozen om de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk te verklaren, heeft verweerder dit relaas echter niet op geloofwaardigheid en zwaarwegendheid beoordeeld. 6. De rechtbank zal in deze uitspraak het beroep gegrond verklaren en overweegt daartoe als volgt. 7. In de Procedurerichtlijn is onder meer het navolgende bepaald: (…) Artikel 33 Niet-ontvankelijke verzoeken (…) 2. De lidstaten kunnen een verzoek om internationale bescherming alleen als niet-ontvankelijk beschouwen wanneer: (…) b) een land dat geen lidstaat is, ingevolge artikel 35 voor de verzoeker als eerste land van asiel wordt beschouwd; c) een land dat geen lidstaat is, uit hoofde van artikel 38 voor de verzoeker als veilig derde land wordt beschouwd; Artikel 35 Het begrip “eerste land van asiel” Een land kan worden beschouwd als eerste land van asiel voor een bepaalde verzoeker wanneer: a. a) de verzoeker in dat land is erkend als vluchteling en hij die bescherming nog kan genieten, of (…) mits hij opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten. Bij de toepassing van het begrip „eerste land van asiel” op de bijzondere omstandigheden van een verzoeker kunnen de lidstaten rekening houden met artikel 38, lid 1. De verzoeker mag de toepassing van het begrip „eerste land van asiel” op zijn bijzondere omstandigheden aanvechten. Artikel 38 Het begrip “veilig derde land” 1. De lidstaten mogen het begrip „veilig derde land” alleen toepassen indien de bevoegde autoriteiten zich ervan hebben vergewist dat een persoon die om internationale bescherming verzoekt in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld: (…) c) het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Verdrag van Genève wordt nageleefd; (…) 2. De toepassing van het begrip „veilig derde land” is onderworpen aan voorschriften: a. a) voorschriften waarbij een band tussen de verzoeker en het betrokken derde land wordt vereist op grond waarvan het voor de betrokkene redelijk zou zijn naar dat land te gaan; b) voorschriften betreffende de methode met behulp waarvan de bevoegde autoriteiten zich ervan vergewissen dat het begrip „veilig derde land” op een bepaald land of een bepaalde verzoeker kan worden toegepast. Een dergelijke methode dient onder meer te bestaan uit een veiligheidsstudie per land voor een bepaalde verzoeker en/of een nationale vaststelling van de landen die worden beschouwd als zijnde over het algemeen veilig; c) voorschriften overeenkomstig de internationale wetgeving die voorzien in een afzonderlijke studie om na te gaan of het betrokken derde land voor een bepaalde verzoeker veilig is; deze voorschriften moeten ten minste de verzoeker in staat stellen de toepassing van het begrip „veilig derde land” aan te vechten op grond van het feit dat het derde land in zijn specifieke omstandigheden niet veilig is. De verzoeker moet ook in de gelegenheid worden gesteld om het bestaan van de onder a) bedoelde band tussen hem en het derde land aan te vechten. (…) 4. Wanneer het derde land de verzoeker niet tot zijn grondgebied toelaat, zorgen de lidstaten ervoor dat toegang wordt verstrekt tot een procedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen die zijn beschreven in hoofdstuk II. (…) 8. Artikel 30a, eerste lid aanhef onder b, Vw bepaalt het navolgende: Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien: (…) b. de vreemdeling erkend is als vluchteling in een derde land en hij die bescherming nog kan genieten of anderszins voldoende bescherming geniet in dat land, met inbegrip van het beginsel van non-refoulement, en opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten; 9. In artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) is onder meer het navolgende bepaald: 1 De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Wet indien, naar het oordeel van Onze Minister, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld: het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en er bestaat geen risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Wet, en het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag wordt nageleefd, en het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en de mogelijkheid bestaat om om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag. 2 De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, van de Wet indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. (…) 10. In de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is onder meer het navolgende vermeld: Paragraaf C2/6 Niet-ontvankelijk De omstandigheden die kunnen leiden tot de conclusie dat een aanvraag niet-ontvankelijk is, zijn beschreven in artikel 30a, Vw en worden behandeld in deze paragraaf. Paragraaf C2/6.2 Erkend als vluchteling of bescherming in een derde land Het gaat in ieder geval om de volgende situaties: •de vreemdeling is in een derde land als vluchteling erkend en hij kan de bescherming als vluchteling nog steeds ontvangen; •de vreemdeling geniet voldoende bescherming, waaronder bescherming tegen refoulement, in een derde land door feitelijke naleving van de relevante internationale verdragen. De IND neemt aan dat de vreemdeling opnieuw wordt toegelaten tot het bedoelde derde land in ieder geval in de volgende situaties: •De vreemdeling heeft een nog geldige verblijfsvergunning op grond van internationale bescherming; •De vreemdeling heeft een nog geldige verblijfsvergunning of visum en hij kan in aanmerking komen voor internationale bescherming; •Informatie van het derde land waaruit volgt dat de vreemdeling nu bescherming heeft, dan wel (opnieuw) in aanmerking komt voor bescherming; of •Verklaringen van de vreemdeling waaruit volgt dat hij al in een derde land bescherming heeft en die informatie wordt bevestigd door het derde land. De IND gaat uit van wedertoelating in deze situaties, tenzij de vreemdeling aannemelijk maakt dat wedertoelating niet het geval is. Enkel het bezit van een geldig visum voor een derde land is in dit kader onvoldoende om te spreken van ‘bescherming’ in de zin van artikel 30a, eerste lid, onder b, Vw. 11. De rechtbank overweegt dat het besluit, gelet op bovengenoemde toetsingskader meerdere motiveringsgebreken kent en dat de beroepsgronden die hierop betrekking hebben slagen. De rechtbank motiveert dit als volgt. Wedertoelating tot Rwanda en een band met Rwanda 12. Eiser is geboren in Burundi en heeft de Burundese nationaliteit. Eiser heeft in 2015 een Burundees paspoort aangevraagd en verkregen. De geldigheid van dit paspoort is verlopen in 2020. Eiser heeft geen nieuw Burundees paspoort aangevraagd. Eiser is op 8 maart 2019 door de UNHRC erkend en geregistreerd als vluchteling. Eiser heeft een op die datum gedateerd document ondertekend waarbij hij heeft verklaard akkoord te gaan dat UNHCR zijn gegevens deelt met de Rwandese autoriteiten zodat aan hem identiteitsdocumenten kunnen worden afgegeven. 13. Tussen partijen is niet in geschil dat de geldigheid van het Burundese paspoort van eiser is verlopen. Ook zijn partijen het eens dat de geldigheid van het vluchtelingenpaspoort dat de Rwandese autoriteiten hebben verstrekt op grond van de erkenning door de UNHCR dat eiser een vluchteling is, is verlopen. Eiser heeft bij zijn verhoor op 18 maart 2022 een kopie van een dit vluchtelingenpaspoort, geldig van 18 maart 2019 tot 16 maart 2024, getoond. Dit kopie is in het dossier gevoegd door verweerder. Eiser heeft op grond van dit paspoort in Kenia een visum aangevraagd en verkregen om gedurende zes weken aan de Maastricht University te studeren. 14. Het eerste punt dat partijen wel verdeeld houdt is de vraag of eiser, omdat de geldigheid van zijn vluchtelingenpaspoort is verlopen, zal worden toegelaten tot Rwandees grondgebied en wie de bewijslast hiervoor draagt. 15. Zoals hiervoor vermeld gaat het door verweerder hierover gevoerde beleid in ieder geval uit van wedertoelating in een aantal specifiek genoemde situaties. De rechtbank overweegt dat van een dergelijke situatie echter geen sprake is. In de onderhavige procedure heeft eiser immers geen geldige verblijfsvergunning op grond van internationale bescherming. Verweerder beschikt ook niet over informatie van de Rwandese autoriteiten waaruit volgt dat eiser nu bescherming heeft, dan wel opnieuw in aanmerking komt voor bescherming of informatie die er verklaringen van eiser bevestigd. Weliswaar is ook niet gebleken dat de vluchtelingenstatus van eiser middels een besluit is ingetrokken of beëindigd, echter deze situatie is niet benoemd in de betreffende bepaling in de Vreemdelingencirculaire. Verweerder beschikt ook niet informatie van de Rwandese autoriteiten waaruit volgt dat eiser zal worden toegelaten tot Rwandees grondgebied indien hij zou terugkeren. 16. De rechtbank stelt allereerst vast dat dus geen sprake is van een van de in het beleid uitdrukkelijk genoemde situaties. Verweerder heeft wel aan eiser om toestemming gevraagd om “er op grond van artikel 8 onder a Wet bescherming persoonsgegevens mee in te stemmen dat door de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) een onderzoek wordt ingesteld in Nederland en/of in andere landen buiten Nederland bij de autoriteiten van Rwanda en dat tijdens dit onderzoek documentatie/ informatie m.b.t. zijn persoon/asielaanvraag wordt opgevraagd en/of uitgewisseld” en stelt zich op het standpunt dat nu eiser deze toestemming weigert, verweerder voldoende heeft voldaan aan zijn samenwerkingsplicht. De rechtbank volgt dit niet. 17. Eiser heeft terecht gewezen op de relevante richtlijnen van de UNHCR . Hieruit blijkt dat de UNHCR zich op het standpunt stelt dat de toepassing van het concept “veilig derde land” een individuele beoordeling vereist waaruit blijkt dat de vluchteling wederom zal worden toegelaten tot het land waar de vluchtelingenstatus is toegekend. Ook dient een individuele beoordeling plaats te vinden waaruit volgt dat de vluchteling in dat land zal worden behandeld overeenkomstig de standaard uit het Vluchtelingverdrag en internationale mensenrechtenstandaarden en dat deze beoordeling de eerbieding van het refoulementsbeginsel moet omvatten, maar daartoe niet beperkt mag blijven. 18. Uit deze informatie van de UNHCR volgt dat het aan verweerder is om aannemelijk te maken dat eiser zal worden toegelaten tot Rwanda. De Procedurerichtlijn dient te worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met het Vluchtelingenverdrag en het nationale recht en beleid dient verenigbaar te zijn met het Unierecht. Voor zover verweerder dus op grond van het ter zake gevoerde beleid uitgaat van wedertoelating, tenzij eiser aannemelijk maakt dat dit niet het geval is, hanteert verweerder een onjuist uitgangspunt.. De rechtbank overweegt hierbij dat de vraag van de feitelijke toelating reeds nu betrokken moet worden bij de beoordeling of verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren. Indien deze beoordeling thans achterwege zou blijven staat immers niet vast dat eiser zijn rechten als vluchteling in Rwanda – die verweerder aanleiding hebben gegeven om zijn asielaanvraag in Nederland niet-ontvankelijk te verklaren - zal kunnen blijven effectueren, terwijl eisers vluchtmotieven in Nederland tegelijkertijd niet inhoudelijk zouden worden onderzocht en beoordeeld. De rechtbank overweegt voorts dat het niet bepaald voor de hand ligt dat verweerder aan eiser verzoekt om toestemming om zijn gegevens te delen met de Rwandese autoriteiten gedurende de asielprocedure en kennelijk aanneemt dat het verlenen van die toestemming van eiser verlangd mag worden. Weliswaar is eiser reeds door de UNHCR erkend als vluchteling en hebben de Rwandese autoriteiten op grond hiervan een vluchtelingenpaspoort afgegeven en eiser ook toegestaan om te verblijven op het grondgebied van Rwanda. Eiser heeft echter in Nederland een asielaanvraag ingediend en aan deze aanvraag niet alleen ten grondslag gelegd dat hij vreest door de Rwandese autoriteiten te worden gerefouleerd naar Burundi. Eiser heeft ook verklaard te vrezen voor derden in Rwanda en verklaard dat hij geen bescherming kan vragen en verkrijgen van de Rwandese autoriteiten. De vooronderstelde band met Rwanda die verweerder voornamelijk baseert op de aan eiser verleende ‘vluchtelingenstatus’ en het verblijf in Rwanda, betekent echter niet dat nu zonder meer van eiser verlangd kan worden dat hij ermee instemt dat verweerder over zijn zaak contact gaat opnemen met de autoriteiten van Rwanda. De rechtbank overweegt dat verweerder over het hoofd lijkt te zien dat eiser door de UNHCR en niet door de Rwandese autoriteiten is erkend als vluchteling. De aanname dat eisers band met Rwanda voortvloeit uit de vluchtelingenstatus van eiser is derhalve geen deugdelijk uitgangspunt voor de niet-ontvankelijk verklaring van eisers asielaanvraag, en ook geen rechtvaardiging om van eiser te verlangen dat hij toestemming geeft aan verweerder om zijn persoonsgegevens te delen met de Rwandese autoriteiten en navraag te doen naar zijn verblijfsrechtelijke positie. Verweerder stelt zich ook ten onrechte op het standpunt dat, nu eiser de voor dit specifieke onderzoek gevraagde toestemming niet heeft verleend, verweerder van zijn kant genoegzaam invulling heeft gegeven aan zijn samenwerkingsplicht. Dit geldt te meer omdat eiser niet alleen heeft uitgelegd waarom hij geen toestemming geeft, maar tegelijkertijd uitdrukkelijk aan verweerder heeft verzocht om contact op te nemen met de UNHCR om na te gaan of eiser zal worden toegelaten tot Rwanda. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij hiertoe niet bereid is. Verweerder heeft namelijk alleen in een tweede verzoek om instemming medegedeeld “dat uit C2/6.2 volgt dat het gaat om informatie van het derde land over de internationale bescherming en niet van een internationale organisatie. Daarom wil ik navraag doen bij de autoriteiten van Rwanda en niet bij de UNHCR”. Met het in deze zo strikt aan de tekst van het beleid vasthouden, gaat verweerder eraan voorbij dat het juist de UNHCR was die eiser als vluchteling heeft erkend en niet de Rwandese autoriteiten. Daarnaast miskent het instemmingsverzoek de aard en strekking van eisers asielaanvraag en de daaraan ten grondslag gelegde vrees en verklaringen. Verweerder had voorafgaand aan dit instemmingsverzoek eiser reeds gehoord, aanvullend gehoord en nader aanvullend gehoord en was dus op de hoogte van de asielmotieven van eiser. Verweerder heeft dit instemmingsverzoek aan eiser doen toekomen na het uitbrengen van het voornemen en heeft in het voornemen verder overwogen dat Burundezen “in principe vrije toegang tot Rwanda hebben mits wordt beschikt over de juiste documenten”. Verweerder heeft in het voornemen opgemerkt dat eiser in het bezit is geweest van een Rwandees vluchtelingenpaspoort en een Burundees paspoort en dat het van eiser mag worden verwacht dat hij weer in het bezit kan komen van deze documenten omdat hij daar recht op heeft. De rechtbank wijst er echter op dat niet uit het oog moet worden verloren dat eiser uit Burundi is gevlucht en door de UNHCR is erkend als vluchteling. Van eiser mag daarom niet verwacht worden dat hij zich tot de Burundese autoriteiten wendt om een paspoort te verkrijgen. Weliswaar is door de Rwandese autoriteiten een vluchtelingenpaspoort aan eiser verstrekt, maar verweerder heeft niet genoegzaam gemotiveerd waarom van eiser zou mogen worden verwacht dat hij zich tot de Rwandese autoriteiten wendt omdat hij thans in Nederland bescherming vraagt vanwege zijn vrees dat de Rwandese autoriteiten hem zullen verwijderen naar Burundi en hij overigens in Rwanda vreest te worden onderworpen aan een met artikel 3 EVRM-strijdige situatie. Eiser heeft overigens ook verklaard te vrezen voor de veiligheid van zijn gezin als de Rwandese autoriteiten worden geïnformeerd over zijn asielaanvraag in Nederland. Nu van eiser, zonder nadere motivering, niet kan worden verlangd dat hij zich tot de Burundese en Rwandese autoriteiten wendt, kan verweerder zich dus ook niet zonder meer op het standpunt stellen dat eiser onvoldoende inspanningen levert om toestemming voor toelating te krijgen en dat verweerder om die reden ook niet gehouden zou zijn om nadere inspanningen te verrichten. 19. Gelet op het bovenstaande concludeert dat de rechtbank dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser zal worden toegelaten tot Rwanda en dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat dit niet zo is. De rechtbank stelt ook vast dat verweerder onvoldoende inspanningen heeft geleverd om zich te vergewissen van de feitelijke toegang tot Rwanda. Verweerder kan zijn standpunt dat eiser wordt toegelaten niet baseren op de vluchtelingenstatus omdat eiser door de UNHCR als vluchteling is erkend en de Rwandese autoriteiten “enkel” hebben toegestaan dat eiser zijn rechten als vluchteling effectueert op hun grondgebied. In aanvulling hierop overweegt de rechtbank dat het standpunt van verweerder ter zitting dat eiser geen inspanningen heeft geleverd om aannemelijk te maken dat hij zal worden toegelaten tot Rwanda onbegrijpelijk is. Eiser heeft in reeds op 12 juni 2023 in reactie op het instemmingsverzoek van eiser aangegeven dat hij zelf en via UNHCR Nederland contact heeft opgenomen met UNHCR Rwanda. Uit dit contact is gebleken dat de bescherming nog actief zou zijn, maar komt te vervallen als iemand langer dan zes maanden het land uit is. Daarnaast heeft UNHCR Nederland, volgens eiser, navraag gedaan in Rwanda en is hen medegedeeld dat eiser met een kopie van het vluchtelingenpaspoort en een kopie van het Burundese paspoort niet kan terugkeren naar Rwanda. De rechtbank merkt op dat de omstandigheid dat eiser ten tijde van deze navraag nog over bescherming beschikte niet wil zeggen dat de door eiser overgelegde informatie niet juist is. Eiser heeft immers verklaard vanuit Kenia naar Nederland te zijn gekomen en het is allerminst zeker dat de Rwandese autoriteiten op de hoogte zijn van de omstandigheid dat hij zich reeds aanzienlijke tijd buiten Rwanda bevindt. Dit wordt echter aanstonds duidelijk als eiser zich tot de Rwandese autoriteiten zou wenden om een nieuw paspoort te verkrijgen. Verweerder is echter niet gemotiveerd ingegaan op deze informatie. 20. In zijn schriftelijke reactie van 27 mei 2024 heeft eiser dit herhaald en nader onderbouwd onder verwijzing naar een document van de UNHCR en e-mail correspondentie van zijn gemachtigde met de UNHCR. In deze mailwisseling is het navolgende vermeld: ‘UNHCR collega's bevestigen dat jouw client inderdaad destijds op prima facie basis als vluchteling is erkend. Dat gebeurde bij het overgrote deel van Burundezen die in Rwanda om bescherming verzochten (zie p. 94). Sinds 2020 is er geen sprake meer van het verlenen van prima facie status aan Burundese asielzoekers door de Rwandese autoriteiten (zie p. 94). Iedereen dient een individuele beoordeling te doorlopen. Over die beoordeling het volgende. Zoals je weet, zijn er veel zorgen geuit door UNHCR over de kwaliteit en capaciteit van het asielsysteem in Rwanda. Op de eerste pagina van het UNHCR stuk aan de Engelse rechter wordt al geconcludeerd dat er geen sprake is van een voldoende robuust en effectief asielsysteem om te waarborgen dat er geen schendingen van het refoulement verbod zullen plaatsvinden (p. 5); en dat direct en indirect refoulement plaatsvind in het land (p. 5). Daarnaast zit door de hele compilatie van UNHCR stukken gedetailleerde passages over welke onderdelen van het systeem tot die conclusies leiden. Waaronder ook een drietal voorbeelden van personen die eerder Rwandese prima facie status hadden en wiens asielaanvraag bij terugkomst in Rwanda zijn afgewezen zonder interview, zie pagina 104.’ 20. In de mail van UNHCR van 6 juni 2023 gericht aan gemachtigde van eiser, is medegedeeld dat eiser geregistreerd is als vluchteling maar terugkeer naar Rwanda alleen mogelijk is met een geldig paspoort of een Refugee Travel Document en terugkeer met een kopie niet mogelijk is. Daargelaten dat de bewijslast van de wedertoelating niet volledig op eiser rust, heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij ondanks deze concreet op eiser toegespitste informatie van de UNHCR er van uitgaat dat eiser zal worden toegelaten tot Rwandees grondgebied. 21. De Afdeling heeft het toetsingskader om te beoordelen waaraan een derde veilig land moet voldoen onder meer uiteengezet in de uitspraak van 6 oktober 2020 Ook uit deze uitspraken blijkt dat het aan verweerder is om na te gaan of de feitelijke toelating is gewaarborgd. De Afdeling heeft in deze uitspraak onder meer het navolgende overwogen: (…) 5.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3379, moet de staatssecretaris, indien hij tegenwerpt dat een land voor een vreemdeling een veilig derde land is, aannemelijk maken dat die vreemdeling wordt toegelaten tot dat land en dient hij hiertoe aan de hand van informatie uit algemene bronnen, of op basis van de verklaringen van die vreemdeling, redenen aan te dragen waarom toegang in beginsel mogelijk moet zijn. Verder heeft de Afdeling overwogen dat het vervolgens aan die vreemdeling is om aan te tonen dat de door de staatssecretaris geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen tot dat land, in zijn geval niet aanwezig zijn. (…) 22. De rechtbank overweegt dat het aannemelijk maken dat die vreemdeling wordt toegelaten een beoordeling vergt en het reeds aannemen dat eiser wordt toegelaten tot Rwanda omdat de Rwandese autoriteiten op enig moment een paspoort hebben afgegeven vanwege de erkenning als vluchteling door de UNHCR niet volstaat. 23. Verweerder had dus alvorens zijn voornemen uit te brengen moeten nagaan of eiser zal worden toegelaten tot Rwanda en had voor het uitbrengen van zijn besluit en in reactie op de gemotiveerde en onderbouwde beroepsgronden nader moeten onderzoeken of hij zijn aanname kon handhaven of dat eiser genoegzaam heeft onderbouwd dat hij niet zal worden toegelaten tot Rwanda. Verweerder had zich hierbij tot slot dienen te realiseren dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend en ondanks dat eiser reeds door de UNHCR is erkend als vluchteling en de Rwandese autoriteiten een, inmiddels verlopen, vluchtelingenpaspoort aan eiser hebben verstrekt, niet van eiser verlangd kan worden dat hij zich tot de Rwandese autoriteiten wendt of verweerder toestemming geeft om zijn gegevens, waaronder de omstandigheid dat eiser in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend, te delen met de Rwandese autoriteiten. Gelet op de door eiser overgelegde informatie en omdat van eiser thans niet gevergd kan worden om zich tot de Burundese of Rwandese autoriteiten te wenden, en nu verweerder deze informatie niet gemotiveerd heeft betwist, concludeert de rechtbank dat verweerder niet kan aannemen dat de wedertoelating van eiser tot Rwanda is gewaarborgd. Verweerder kan er overigens ook niet van uitgaan dat voor zover eiser zich wel zou wenden tot de Rwandese autoriteiten in verband met een hernieuwde afgifte van een vluchtelingenpaspoort, hij dit ook zou verkrijgen. Eiser heeft gemotiveerd gesteld dat een verblijf van meer dan zes maanden buiten Rwanda een omstandigheid kan zijn die kan leiden tot intrekking dan wel beëindiging van de status. Aan eiser is een prima facie vluchtelingenstatus door de UNHCR toegekend. Uit de door eiser overgelegde informatie van de UNHCR blijkt evenwel dat aan Burundese vluchtelingen thans geen prima facie vluchtelingschap wordt toegekend. Indien eiser ofwel vraagt om een vluchtelingenpaspoort ofwel om vluchtelingenrechtelijke bescherming is dus geenszins gewaarborgd dat hij dit zal verkrijgen. Eiser kan in Nederland zijn individuele vluchtrelaas ook niet ten behoeve van de Rwandese autoriteiten naar voren brengen en zal om dat te doen zich eerst moeten bevinden op het grondgebied van Rwanda. 24. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat vanwege de band die eiser met Rwanda heeft, het redelijk is om van hem te vragen terug te keren naar Rwanda. Verweerder neemt die band voornamelijk aan vanwege de vluchtelingenstatus en het verblijf van eiser in Rwanda. Zoals in het voorgaande al aan de orde is geweest heeft verweerder hierbij immers niet (kenbaar) betrokken dat niet de Rwandese autoriteiten, maar de UNHCR eiser hebben erkend als vluchteling en dat daarom dus niet zonder meer gezegd kan worden dat hieruit de door verweerder vooronderstelde band met Rwanda voortvloeit. De enkele omstandigheid dat eiser vanuit Burundi naar Rwanda is gevlucht en daarom de Rwandese autoriteiten en niet de autoriteiten van een ander buurland een vluchtelingenpaspoort hebben verstrekt, brengt mee dat verweerder nader had moeten motiveren waarom hij op grond hiervan een band aanneemt tussen eiser en Rwanda. Verweerder heeft ook niet zorgvuldig genoeg de verklaringen van eiser over de periodes dat hij heeft verbleven in Rwanda betrokken bij deze beoordeling. Eiser heeft namelijk verklaard slechts deels in bepaalde tijdvakken in Rwanda te hebben verbleven, zich daar van aanvang af niet veilig te hebben gevoeld en daarom naar Kenia te zijn vertrokken zodra hij het vluchtelingenpaspoort had verkregen. De rechtbank overweegt in dit kader tot slot dat verweerder bij deze beoordeling niet heeft betrokken dat het gezin van eiser niet in Rwanda verblijft. Gelet op al deze factoren komt aan de constatering van verweerder dat eiser in zijn onderhoud heeft kunnen voorzien en sociale contacten heeft gehad onvoldoende gewicht toe. Verweerder heeft dus onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiser een zodanige band heeft met Rwanda dat het voor hem redelijk is naar Rwanda terug te keren. Indirect refoulement en 3 EVRM 25. Verweerder dient voorts, indien hij de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk wil verklaren omdat de Rwandese autoriteiten aan eiser een vluchtelingenpaspoort hebben verstrekt, zich ervan te vergewissen dat de Rwandese autoriteiten eiser niet zullen verwijderen naar Burundi. Het verbod op refoulement is absoluut. Dit geldt ook voor het verbod op indirect refoulement als een terugkeerbesluit wordt opgelegd en de vreemdeling een vertrekplicht heeft om zich naar dat derde land te begeven. De rechtbank overweegt dat verweerder dit risico op indirect refoulement onvoldoende grondig heeft onderzocht. 26. Verweerder heeft in wezen volstaan met het benoemen dat Rwanda een veilig land is omdat eiser in zijn eigen onderhoud kan voorzien en Rwanda partij is bij het Vluchtelingenverdrag en voldoet aan “alle internationale eisen ten aanzien van vluchtelingen”. In het bestreden besluit wordt hiertoe verwezen naar het voornemen. In het voornemen is motivering hiervoor als volgt: (…) Rwanda voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), gelet op het volgende. Rwanda is partij bij het Vluchtelingenverdrag en het Antifolterverdrag. Rwanda heeft zich verplicht artikel 33 Vluchtelingenverdrag, en artikel 3 Antifolterverdrag na te leven. Er zijn geen indicaties dat Rwanda zich niet houdt aan deze verdragen. Dat Rwanda voldoet aan de voorwaarden van eerdergenoemd artikel, blijkt ook uit IB 2020/82 Beoordeling veilig derde land – Rwanda. Ook heeft Rwanda het principe van non-refoulement vastgelegd in zijn eigen vluchtelingen wetgeving. Er zijn geen recente signalen dat Rwand

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...