Zaak

ECLI:NL:RVS:2026:3223

Instantie
Raad van State
Datum
2026-06-05
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
BRS.25.001559
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
3.179 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 5 maart 2025, aangevuld bij besluit van 10 juni 2025, heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

05Kern

Materiële kern

BRS.25.001559 ECLI:NL:RVS:2026:3223 Datum uitspraak: 5 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 13 oktober 2025 in zaak nr. NL25.11293 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 5 maart 2025, aangevuld bij besluit van 10 juni 2025, heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 13 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Rasul, advocaat in Assen, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1.        In de uitspraak van 12 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1326, heeft de Afdeling geoordeeld dat uit de landeninformatie over Iran geen eenduidig beeld volgt over de situatie van afvalligen en atheïsten. Dat geldt ook voor vreemdelingen die deze overtuigingen in beginsel terughoudend uiten. De minister kan zich daarom niet zonder nader onderzoek op het standpunt stellen dat zij geen gegronde vrees hebben voor vervolging. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog van appellant over het risico dat zij loopt bij terugkeer naar Iran, slaagt. 2.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 5 maart 2025 en 10 juni 2025 in stand heeft gelaten. Omdat de minister een nieuw besluit op de aanvraag moet nemen en daarbij rekening moet houden met de feiten en omstandigheden zoals die op dat moment zijn, is het niet nodig wat appellant verder in hoger beroep heeft aangevoerd te bespreken. Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.        verklaart het hoger beroep gegrond; II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 13 oktober 2025 in zaak nr. NL25.11293, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 5 maart 2025 en 10 juni 2025 in stand heeft gelaten; III.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier. w.g. Meijer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Lagaaij griffier Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026 936-1183

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...