ECLI:NL:RVS:2026:3217
- Instantie
- Raad van State
- Datum
- 2026-06-03
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluiten van 3 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Materiële kern
BRS.26.002695 ECLI:NL:RVS:2026:3217 Datum uitspraak: 3 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [verzoeker 1] en [verzoeker 2], verzoekers, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 6 mei 2026 in zaken nrs. NL24.26832, NL24.26833 en NL24.26834 in het geding tussen: [verzoeker 1] en [verzoeker 2] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluiten van 3 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 6 mei 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben verzoekers hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat de voorgenomen beëindiging van de opvang op 4 juni 2026 achterwege blijft. Omdat de voor de beoordeling van het hoger beroep noodzakelijke stukken nog niet zijn ontvangen, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening. 2. De voorzieningenrechter kan, ook ambtshalve, deze voorlopige voorziening opheffen of wijzigen, voordat op het door verzoekers ingestelde hoger beroep is beslist (artikel 8:87, eerste lid, van de Awb). 3. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekers niet worden uitgezet, totdat op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier. w.g. Essenburg voorzieningenrechter w.g. Prins griffier Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026 363-1088
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...