Zaak

ECLI:NL:RVS:2025:977

Instantie
Raad van State
Datum
2025-03-10
Procedure
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202501217/1/V2 en 202501217/2/V2
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.881 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 5 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

05Kern

Materiële kern

202501217/1/V2 en 202501217/2/V2. Datum uitspraak: 10 maart 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 februari 2025 in zaak nr. NL25.913 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 5 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 24 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B. Snoeij, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen 1.       In zijn enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om het onderzoek te heropenen, zodat documenten die hij nog had overlegd bij de uitspraak konden worden betrokken. 1.1.    Ingevolge artikel 8:68, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het onderzoek, als zij oordeelt dat dit onvolledig is geweest, heropenen. Dit is een bevoegdheid die ter discretie van de rechtbank staat en waarvan de toepassing doorgaans geen nadere motivering behoeft. Zie de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9349, onder 2. 1.2.    De Afdeling stelt vast dat de rechtbank aan het einde van de zitting op 5 februari 2025 het onderzoek heeft gesloten. De vreemdeling heeft op 12 februari 2025 documenten ingebracht. Gelet op de aard, inhoud en strekking van de door de vreemdeling overgelegde documenten heeft de rechtbank niet ten onrechte geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen. 1.3.    De grief faalt. 2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.        bevestigt de aangevallen uitspraak; II.       wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier. w.g. Van Breda voorzieningenrechter w.g. Tibold griffier Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2025 1024

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...