ECLI:NL:RVS:2025:5512
- Instantie
- Raad van State
- Datum
- 2025-11-13
- Procedure
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluit van 1 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Materiële kern
BRS.25.001347 en BRS.25.001565 ECLI:NL:RVS:2025:5512 Datum uitspraak: 13 november 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juli 2025 en haar einduitspraak van 15 september 2025 in zaak nr. NL25.21046 in het geding tussen: [de betrokkene] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 1 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij tussenuitspraak van 4 juli 2025 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om een aan dat besluit klevend gebrek te herstellen. Bij brief van 15 juli 2025 heeft de minister dat besluit nader gemotiveerd. Bij einduitspraak van 15 september 2025 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 1 mei 2025 door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Tegen de tussenuitspraak en de einduitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. P. Scholtes, advocaat in Delft, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De voorzieningenrechter van de Afdeling neemt de motivering onder 8, 9.1, 10, 12 en 12.1 van de tussenuitspraak van de rechtbank over. 1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraken van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraken; II. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier. w.g. Soffers voorzieningenrechter w.g. Hanrath griffier Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2025 392
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...