ECLI:NL:RVS:2025:4965
- Instantie
- Raad van State
- Datum
- 2025-10-17
- Procedure
- Hoger beroep
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluiten van 16 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Materiële kern
BRS.25.000456 ECLI:NL:RVS:2025:4965 Datum uitspraak: 17 oktober 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 18 april 2025 in zaken nrs. NL25.2378 en NL25.2382 in het geding tussen: [betrokkene 1], [betrokkene 2], mede voor hun minderjarige kinderen en de minister. Procesverloop Bij besluiten van 16 januari 2025 heeft de minister aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 18 april 2025 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkenen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. D. van Elp, advocaat in Utrecht hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. Overwegingen 1. Bij brief van 2 oktober 2025 heeft de minister laten weten dat de uiterlijke termijn om betrokkenen over te dragen aan Kroatië is verstreken. Betrokkenen moeten daarom worden opgenomen in de nationale asielprocedure. Gelet daarop rijst de vraag of de minister nog belang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep. 1.1. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1412, onder 5.2, heeft een bestuursorgaan, indien de rechtbank een besluit van dat bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd, belang bij het hoger beroep, alleen al wegens de precedentwerking die van die vernietiging kan uitgaan. In deze procedure ligt dit anders. De centrale vraag in de Dublinprocedure is welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag. Gelet op de brief van 2 oktober 2025, staat in dit geval vast dat Nederland daarvoor verantwoordelijk is. Anders dan de minister aanvoert, werpt het hoger beroep verder geen rechtsvraag op die beantwoording behoeft wegens zaaksoverstijgend belang of mogelijke precedentwerking in soortgelijke zaken. De minister heeft daarom geen belang bij een beoordeling van haar hoger beroep. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3822. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkenen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Weber griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2025 846-1073
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...