Zaak

ECLI:NL:RVS:2025:4144

Instantie
Raad van State
Datum
2025-08-28
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202504063/1/V3
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
3.228 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 2 augustus 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

05Kern

Materiële kern

202504063/1/V3. Datum uitspraak: 28 augustus 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 10 juli 2025 in zaak nr. NL24.30666 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 2 augustus 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 10 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Terpstra, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1.       Appellant klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroepsgrond over het zogenoemde standaardvoornemen. Hoewel de klacht terecht is voorgedragen, leidt de grief niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642, onder 4.3 tot en met 4.8, uitgelegd waarom de besluitvorming niet zonder meer onzorgvuldig is als de minister in het voornemen in de Dublinprocedure niet expliciet ingaat op alle individuele omstandigheden van een vreemdeling. De grief biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. 2.       In zijn derde grief klaagt appellant terecht dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroepsgrond dat asielzoekers in Kroatië beperkte toegang hebben tot de reguliere gezondheidszorg en dat hij daarom bij overdracht een reëel risico loopt op schending van artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM. Ook deze grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037, onder 5.9 tot en met 5.11, volgt dat er ook op momenten van overbezetting in de opvangcentra basale medische zorg is in Kroatië. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht de noodzakelijk medische zorg niet krijgt. 3.       Wat appellant verder in zijn grieven aanvoert, leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grieven in zoverre geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 4.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier. w.g. Ristra-Peeters lid van de enkelvoudige kamer w.g. Schipper griffier Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2025 872

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...