Zaak

ECLI:NL:RVS:2025:3328

Instantie
Raad van State
Datum
2025-07-21
Procedure
Voorlopige voorziening
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202502629/2/V2
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.287 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 1 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 27 februari 2025 heeft de minister het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

05Kern

Materiële kern

202502629/2/V2. Datum uitspraak: 21 juli 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [verzoeker], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 april 2025 in zaak nr. NL25.9915 in het geding tussen: verzoeker en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 1 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 27 februari 2025 heeft de minister het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1.       De griffier heeft verzoeker er bij brief van 8 mei 2025 op gewezen dat hij voor het verzoek griffierecht moet betalen. Hem is daarbij verzocht het griffierecht uiterlijk op 15 mei 2025 te betalen. In die brief staat ook dat, als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het verzoek om een voorlopige voorziening alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet betaald. Het beroep op betalingsonmacht dat verzoeker op 19 mei 2025 heeft gedaan, is geen reden om het verzoek toch in behandeling te nemen, omdat hij deze stukken niet tijdig heeft overgelegd. 2.       Het verzoek is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.  Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van N. Capel LLM, griffier. w.g. Sevenster voorzieningenrechter w.g. Capel griffier Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2025 987

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...