Zaak

ECLI:NL:RVS:2025:1797

Instantie
Raad van State
Datum
2025-04-22
Procedure
Voorlopige voorziening
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202502287/2/V3
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.602 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 20 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

05Kern

Materiële kern

202502287/2/V3. Datum uitspraak: 22 april 2025 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [verzoeker], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 18 april 2025 in zaak nr. NL25.2846 in het geding tussen: verzoeker en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 20 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 18 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1.       Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt overgedragen voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt. 2.       Gelet op wat is aangevoerd, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat de uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Gelet op de belangen die verzoeker naar voren heeft gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening, hoewel de hogerberoepstermijn niet is verstreken. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de verantwoordelijkheid van Bulgarije voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming is vastgesteld op grond van de Dublinverordening. De overdracht van verzoeker aan Bulgarije heeft verder geen onomkeerbare gevolgen. Mocht uiteindelijk blijken dat Nederland verantwoordelijk moet worden geacht voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, dan kan verzoeker vanuit Bulgarije worden teruggeleid naar Nederland. 3.       Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier. De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. Nouta griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2025 309

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...