Zaak

ECLI:NL:RVS:2024:4581

Instantie
Raad van State
Datum
2024-11-13
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202404501/1/V3
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.695 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 24 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

05Kern

Materiële kern

202404501/1/V3. Datum uitspraak: 13 november 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 12 juli 2024 in zaak nr. NL23.9075 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 24 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 12 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. Overwegingen 1.       De vreemdeling heeft op 4 juli 2022 een eerste asielaanvraag gedaan in Nederland. De minister heeft die asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Bulgarije op grond van de Dublinverordening daarvoor verantwoordelijk was. De uiterlijke overdrachtstermijn van de eerste asielaanvraag is verstreken op 20 april 2023. Vóór het verstrijken van die termijn heeft de vreemdeling op 11 januari 2023 een tweede asielaanvraag ingediend. De minister had tot 20 april 2023 de vreemdeling tijdens deze tweede asielaanvraag mogen overdragen, gelet op artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000. Dit heeft de minister echter nagelaten. Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening is Nederland daarom verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag. 2.       De minister heeft geen belang meer bij de beoordeling van zijn hoger beroep. Dat de minister in hoger beroep heeft gewezen op de precedentwerking van de uitleg die de rechtbank heeft gegeven aan het arrest van het Hof van Justitie van 29 februari 2024, X, ECLI:EU:C:2024:195, maakt dat niet anders. De Afdeling heeft namelijk al uitleg gegeven aan het arrest X in haar uitspraak van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455. 3.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Weber griffier Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2024 846-1073

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...