Zaak

ECLI:NL:RVS:2024:2074

Instantie
Raad van State
Datum
2024-05-17
Procedure
Hoger beroep
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
202205423/1/V3
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
3.335 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 15 juni 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

05Kern

Materiële kern

202205423/1/V3. Datum uitspraak: 17 mei 2024 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van: I.        de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, II.       [de vreemdeling], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 6 september 2022 in zaak nr. NL22.11233 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 15 juni 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 6 september 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.G. Grigorjan, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven. De vreemdeling heeft daarop gereageerd. Overwegingen Het hoger beroep van de staatssecretaris 1.       De staatssecretaris komt met zijn grief op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Bulgarije mag uitgaan, gelet op de pushbackpraktijken in dat land. Deze rechtsvraag heeft de Afdeling beantwoord in haar uitspraken van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3133 en ECLI:NL:RVS:2023:3134, onder 4.4-4.10. De Afdeling wijst ook op haar uitspraak van 29 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:870, onder 5. Uit die uitspraken volgt dat de grief slaagt. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vreemdeling 2.       Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. De vreemdeling legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000). Conclusie 3.       Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I.        verklaart het hoger beroep gegrond; II.       verklaart het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk; III.      vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 6 september 2022 in zaak nr. NL22.11233; IV.     verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van de Kolk griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2024 873-985

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...