ECLI:NL:RVS:2023:4727
- Instantie
- Raad van State
- Datum
- 2023-12-20
- Procedure
- Hoger beroep
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluit van 9 september 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Materiële kern
202207429/1/V2. Datum uitspraak: 20 december 2023 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 6 december 2022 in zaak nr. NL22.18484 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 9 september 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 6 december 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.H. Steenbergen, advocaat te Roosendaal, hoger beroep ingesteld. De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend. Overwegingen 1. De vreemdeling heeft in hoger beroep nog ingebracht een iMMO-rapport van 15 september 2023 en een brief van een psycholoog van 21 november 2023. Deze stukken dateren van na de uitspraak van de rechtbank. Ook heeft zij een foto ingebracht van een opsporingsbericht van 5 juli 2017. Deze stukken kunnen niet bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken, omdat de uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 dwingend als object van hoger beroep is aangewezen. De vreemdeling kan deze stukken desgewenst aan een nieuwe asielaanvraag ten grondslag leggen. 2. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier. w.g. Van Gastel lid van de enkelvoudige kamer w.g. Graat griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 december 2023 307-1087
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...