Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:9799

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-04-22
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.3394
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
54.483 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel; geloofwaardigheidsbeoordeling; koptisch christen uit Egypte; motiveringsgebrek; gegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.3394 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. P.J. Schüller) en de minister van Asiel en Migratie (gemachtigde: mr. C. Stoute). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven . Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister heeft zich onvoldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de verklaring van eiser dat hij vanwege zijn geloof ten onrechte is beschuldigd van oplichting en is veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf (het vijfde asielmotief) ongeloofwaardig is. Omdat het standpunt dat de minister hierover heeft ingenomen doorwerkt in de beoordeling van de risico-inschatting en zwaarwegendheid, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de beroepsgronden die zich op die onderdelen van het bestreden besluit richten, dus ook niet voor wat betreft de wel geloofwaardig geachte asielmotieven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Eerst volgt een uiteenzetting van het procesverloop (2). Dan volgt een weergave van wat eiser aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd (3). Vervolgens zet de rechtbank het bestreden besluit uiteen (4). Daarna gaat de rechtbank in op het verrichten van de geloofwaardigheidsbeoordeling aan de hand van werkinstructie (WI) 2024/6 (5 en 5.1). Vervolgens komt de rechtbank toe aan de vraag of de minister ten onrechte geen geloof hecht aan het vijfde asielmotief (6 tot en met 16). De rechtbank sluit af met een conclusie (17 tot en met 18). Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 30 december 2024 afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft in beroep nieuwe stukken ingediend. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser heeft de Egyptische nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1997. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat de situatie in Egypte voor koptisch christenen problematisch is en hij in Egypte ook persoonlijk problemen heeft ondervonden vanwege zijn religie. Bij het openen van een kerk op 6 oktober 2020 in zijn dorp [naam dorp 1], waar de meerderheid moslim is, werden eiser en andere koptisch christenen aangevallen door niet-christenen. Ook werden hun huizen en auto’s vernield. Van beide partijen werden mensen meegenomen naar het politiebureau en een nacht vastgehouden. Eiser niet omdat hij naar huis was gegaan om zijn huis te beschermen. Nadat verzoening had plaatsgevonden, ging het weer mis met een ruzie tot gevolg, waarbij een aantal kopten werden meegenomen voor verhoor. Daarna heeft mediation plaatsgevonden (zogeheten orfi-zitting) en is een verklaring ondertekend dat de een de ander niet aanvalt. Naast deze incidenten werden eiser en andere christelijke inwoners van zijn dorp lastiggevallen en ondervonden zij problemen van de zijde van niet-christelijke bewoners. Zo werd landbouwgrond soms in brand gestoken. Het doel van dit alles was het verdrijven van christelijke inwoners uit het dorp. Na het incident op 6 oktober 2020 is de oogst van eisers familie gestolen door familie van een niet-christelijke vrouw door wie eiser twee jaar daarna valselijk is beschuldigd van aanranding, wederom met het doel om eisers familie uit het dorp weg te krijgen. Deze familie had eiser eerder ook aangevallen en geslagen. Op 20 augustus 2022 is de aangifte van aanranding gedaan. Er is onderzoek gedaan door de autoriteiten. Tijdens dat onderzoek zat eiser vast. De zaak is geseponeerd op 23 augustus 2022, waarna eiser is vrijgelaten. Wederom werd de oogst van zijn familie gestolen. Toen eiser daarvan aangifte wilde doen, werd hem op het politiebureau verteld dat het probleem onderling moest worden opgelost. Eisers familie is ook daarna nog aangevallen, waarbij het huis en ook de auto is vernield. Op enig moment is eiser vertrokken naar het klooster dat bij zijn kerk hoorde. De familie van de niet-christelijke vrouw heeft eiser er op enig moment van beschuldigd dat hij hen geld afhandig heeft gemaakt en hen heeft opgelicht. Ook dit met het doel om eisers familie af te persen, te vervolgen en hen uit het dorp te verdrijven. Hiervan is aangifte gedaan tegen eiser en eiser is bij uitspraak van 30 maart 2023 ‘bij verstek’ veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. Stukken hiervan zijn in het bezit geraakt van eisers familie. De kerk heeft eiser vervolgens geholpen met zijn vertrek uit Egypte. Eiser vreest bij terugkeer naar Egypte (wederom) te worden vervolgd vanwege zijn geloof en vreest in dat verband voor zijn leven. Specifiek vreest eiser voor de familie die hem vals heeft beschuldigd van aanranding en die aangifte heeft gedaan van oplichting, waarna eiser is veroordeeld. Ook vreest eiser in de gevangenis terecht te komen. Bescherming vragen bij de Egyptische autoriteiten is zinloos omdat hij christen is, aldus eiser. 3.1. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft eiser (gaandeweg, deels in beroep) de volgende stukken overgelegd: meerdere processen-verbaal naar aanleiding van de aangifte van aanranding (van 21, 22 en 23 augustus 2022), foto’s ter onderbouwing van de beschadiging van een auto en huis, berichtgeving uit de media over de aanval op de kerk, een bericht van Facebook, artikelen over de situatie van christenen in eisers regio van herkomst, een vonnis van de rechtbank van 30 maart 2023, een proces-verbaal van aangifte van eisers echtgenote van 1 december 2025 en een verklaring van 26 november 2025 van de kloostermanager. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst, eiser is koptisch christen, bij het openen van de koptische kerk in eisers dorp ontstonden problemen met moslims, de oogst van eisers familie werd gestolen of in brand gestoken en eiser is persoonlijk verschillende keren aangevallen door moslims vanwege zijn geloof, vanwege zijn geloof is eiser ten onrechte beschuldigd van aanranding van een vrouw, en vanwege zijn geloof is eiser ten onrechte beschuldigd van oplichting en veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. De minister hecht geloof aan de asielmotieven (1), (2), (3) en (4). Aan asielmotief (5) hecht de minister geen geloof. Daaraan ligt ten grondslag dat eiser dit asielmotief niet heeft onderbouwd met objectieve en echt bevonden bewijsstukken die dit gehele motief onderbouwen en eiser daar ook geen goede verklaringen voor heeft gegeven. Ook zijn eisers verklaringen over dit asielmotief niet samenhangend en aannemelijk. Daartoe overweegt de minister dat: a) eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem genoemde familie alleen aangifte heeft gedaan vanwege het feit dat hij koptisch christen is, b) eiser zijn stelling dat hij is veroordeeld niet heeft onderbouwd met documenten, c) eisers verklaring dat hij niets wist van de aangifte wegens oplichting niet aannemelijk is, d) eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de reden dat hij naar het klooster ging, e) eisers verklaringen dat hij zich niet kan verweren tegen de uitspraak wisselend zijn en strijdig met wat uit openbare bron blijkt, f) eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de reden van de vervolging die aanleiding is geweest voor zijn vertrek, g) eiser tegenstrijdig heeft verklaard over hoe en welk rechtbankdocument bij zijn familie terecht is gekomen, h) het niet aannemelijk is dat eiser ondanks de veroordeling een uitreistoestemming kreeg en zonder problemen kon uitreizen. Volgens de minister voldoet eiser daarom niet aan de in artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgenomen voorwaarden om hem het voordeel van de twijfel te geven. Uit de wel geloofwaardig geachte verklaringen volgt niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft. Aan dat standpunt legt de minister ten grondslag dat uit eisers verklaringen niet is gebleken dat hij zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren in Egypte. Verder kan eiser in het geval van problemen vanwege zijn geloof de bescherming inroepen van de Egyptische autoriteiten. Eiser kan zich bovendien elders in Egypte vestigen, zoals in het nabijgelegen dorp [naam dorp 2]. De wel geloofwaardig geachte verklaringen leiden evenmin tot de conclusie dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade in Egypte. De minister concludeert daarom tot afwijzing van eisers asielaanvraag. De toepassing van WI 2024/6 op de geloofwaardigheidsbeoordeling 5. Eiser betoogt dat de minister de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas ten onrechte aan de hand van WI 2024/6 heeft beoordeeld omdat dit beleid nog niet geldig was op het moment dat uiterlijk op de asielaanvraag van eiser had moeten worden beslist, namelijk op 21 december 2023 (zes maanden na indiening van de asielaanvraag op 21 juni 2023). Dat te laat is beslist op eisers asielaanvraag levert een gebrek op in de besluitvorming, waardoor eiser is benadeeld. WI 2024/6 is voor eiser namelijk minder gunstig dan de voorheen geldende WI 2014/10. Zo zijn de voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 cumulatief toegepast omdat eiser geen originele documenten heeft overgelegd, terwijl dat voorheen niet gebeurde. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn betoog naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 15 augustus 2024 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 24 oktober 2024. Ook wijst eiser erop dat het Hof van Justitie zich naar aanleiding van prejudiciële vragen nog buigt over de vraag of WI 2024/6 in overeenstemming is met het Unierecht. Dat in WI 2024/6 is opgenomen dat alleen met objectieve en authentieke documenten elementen een asielrelaas geloofwaardig kan worden geacht en zonder zulke documenten moet worden voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000, is volgens eiser niet met het Unierecht in overeenstemming. 5.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft zich in andere, maar voor de beantwoording van deze rechtsvragen vergelijkbare zaken uitgelaten over de beroepsgronden die eiser hier aanvoert. De minister heeft de asielaanvraag van eiser terecht beoordeeld aan de hand van het beleid in WI 2024/6, dat met onmiddellijke ingang van toepassing is. Dat de minister niet tijdig op de asielaanvraag van eiser heeft beslist, doet daaraan niet af. Verder is deze rechtbank en zittingsplaats tot het oordeel gekomen dat de vanaf 1 juli 2024 met WI 2024/6 geldende geloofwaardigheidsbeoordeling niet in strijd is met het Unierecht en voor de vreemdeling ook geen zwaardere bewijslast geldt dan met de voorheen geldende WI 2024/10. De rechtbank ziet in de door eiser, ook op de zitting nog, aangehaalde rechtspraak geen aanleiding om in de zaak van eiser anders te oordelen en evenmin om de antwoorden van het Hof van Justitie op de voorgelegde prejudiciële vragen af te wachten. Het vijfde asielmotief 6. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt stelt dat en waarom hij geen geloof hecht aan de verklaringen van eiser dat hij vanwege zijn geloof ten onrechte is beschuldigd van oplichting en in dat verband is veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. Eiser constateert daarbij dat niet in geschil is dat hij is veroordeeld en dat dit is gebeurd vanwege een beschuldiging door de (niet-christelijke) familie die hem eerder vanwege zijn religie valselijk heeft beschuldigd van aanranding. Hem is ten onrechte niet het voordeel van de twijfel gegeven, aldus eiser. 6.1. De rechtbank stelt vast dat eiser alle tegenwerpingen bestrijdt die de minister ten grondslag legt aan zijn standpunt dat hij geen geloof hecht aan de verklaringen van eiser dat hij vanwege zijn geloof ten onrechte is beschuldigd van oplichting en is veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. Die gronden van eiser zal de rechtbank hieronder bespreken. Daarbij neemt de rechtbank – anders dan eiser veronderstelt – als uitgangspunt dat de minister (ook) geen geloof hecht aan de veroordeling, en dus evenmin aan de omstandigheid dat eiser is veroordeeld vanwege een beschuldiging door de familie die hem eerder (valselijk) heeft beschuldigd. Dat de minister dit standpunt inneemt volgt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk uit de besluitvorming. Dit heeft de minister nadien, op de zitting, ook bevestigd. 6.2. De rechtbank stelt ook vast dat de minister in het bestreden besluit heeft overwogen dat de tegenwerping dat het niet aannemelijk is dat eiser ondanks de veroordeling een uitreistoestemming kreeg en zonder problemen kon uitreizen, geen dragende overweging is. Verder is met het verweerschrift één van de (drie) argumenten op grond waarvan de minister tot de conclusie komt dat eiser zijn verklaring dat hij is veroordeeld niet (afdoende) heeft onderbouwd met documenten, komen te vervallen. Dit betreft de tegenwerping dat de strafmaat in het overgelegde vonnis van 30 maart 2023 afwijkt van de volgens het Egyptische Wetboek van Strafrecht maximaal op te leggen straf voor de door eiser (gesteld) begane overtreding. De onderbouwing van het asielmotief met (objectieve) documenten (stap 2a en stap 2b) 7. De rechtbank begrijpt de besluitvorming zo, dat de minister zich op het standpunt stelt dat eiser zijn verklaring dat hij vanwege zijn geloof ten onrechte is beschuldigd van oplichting en is veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf, niet voldoende heeft onderbouwd met (objectieve en echt bevonden) bewijsstukken die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daaraan ligt, nadat de minister één van zijn argumenten voor deze conclusie heeft laten vallen (zie 6.2), ten grondslag dat eiser de veroordeling niet met een origineel rechtbankvonnis heeft onderbouwd en hij geen bevredigende en onderbouwde verklaring heeft gegeven voor het niet kunnen overleggen van een origineel vonnis. Eiser heeft alleen een kopie van het vonnis overgelegd, terwijl een kopie niet op echtheid kan worden onderzocht. Zonder onderbouwing daarvan wordt eiser niet gevolgd in zijn verklaring dat zijn advocaat geen toegang zou hebben tot het originele vonnis. 7.1. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de veroordeling voor oplichting niet heeft onderbouwd met documenten. Eiser voert tegen de nog overgebleven argumenten van de minister voor dit standpunt aan dat de minister onvoldoende deugdelijk het standpunt inneemt dat hij het originele vonnis zou kunnen overleggen. De minister verwijst daarvoor naar ‘bronnen’, zonder een specifieke bron te noemen. Eiser heeft er daarentegen, onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht over Egypte van november 2021 (ambtsbericht), op gewezen dat het originele vonnis bij de rechtbank blijft en advocaten niet altijd een behoorlijke toegang tot het dossier hebben. Onder deze omstandigheden verwacht de minister ten onrechte van eiser dat hij een verklaring van zijn advocaat overlegt waaruit blijkt dat deze geen toegang heeft tot het originele vonnis. Bij het voorgaande komt volgens eiser nog dat uit het arrest LH van het Hof van Justitie volgt dat niet is vereist dat de overgelegde documenten authentiek of afkomstig van een objectief verifieerbare bron zijn en dat de beslisautoriteit rekening moet houden met ieder document dat ter onderbouwing van een asielaanvraag wordt overgelegd. De minister vereist dan ook ten onrechte een origineel document, aldus eiser. 7.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht en voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt dat eiser het vijfde asielmotief niet heeft gestaafd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. De rechtbank merkt hierover allereerst op dat het vijfde asielmotief ziet op het vanwege geloof ten onrechte zijn beschuldigd van oplichting en vervolgens zijn veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. Het vonnis, waarvan niet in geschil is dat eiser dit stuk enkel in kopie heeft overgelegd, ziet alleen op de veroordeling en zegt (ook gelet op de vertaling zoals op genomen in het nader gehoor) niets over de beschuldiging van oplichting vanwege religie. Van een stuk waarmee eiser dit asielmotief volledig onderbouwt, is in die zin dan ook geen sprake. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat met het overleggen van enkel een kopie van een vonnis, eiser de gestelde veroordeling niet met objectieve documenten, die authentiek zijn en waarvan de echtheid kan worden vastgesteld, heeft onderbouwd. Dat lijkt eiser op zich ook niet te betwisten. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich vervolgens (en naar de rechtbank begrijpt: in het kader van stap 2b van de geloofwaardigheidsbeoordeling) niet ten onrechte op het standpunt dat eiser geen overtuigende en onderbouwde verklaring heeft gegeven voor het niet kunnen overleggen van een origineel rechtbankvonnis. Eiser wijst er terecht op dat de minister enkel stelt dat uit openbare bron zou blijken dat een advocaat in Egypte originele rechtbankstukken, zoals een vonnis, kan opvragen bij de rechtbank, maar niet de bron(nen) noemt waaruit dat zou volgen. Daar staat echter tegenover dat eiser zijn stelling dat hij een origineel rechtbankvonnis niet kan verkrijgen alleen onderbouwt met een verwijzing naar een passage in het ambtsbericht. Uit de betreffende passage (opgenomen in een voetnoot) volgt niet meer dan dat er een voorbeeld is van een zaak waarin advocaten geen behoorlijke toegang tot het dossier hadden omdat ze slechts kort de dossiers mochten inkijken wanneer ze bij de rechtbank waren. Daaruit volgt niet dat een procespartij in Egypte geen origineel vonnis krijgt of kan verkrijgen. Daar komt nog bij dat eiser zelf heeft verklaard dat zijn advocaat in Egypte toegang had tot zijn dossier en hij bovendien geen aantoonbare moeite heeft gedaan om alsnog het originele vonnis te verkrijgen dan wel om, bijvoorbeeld via een verklaring van zijn advocaat, nader toe te lichten waarom zijn advocaat het originele vonnis niet namens hem kan verkrijgen. Eiser heeft daarom niet voldoende aannemelijk gemaakt dat hij het originele rechtbankvonnis niet kan verkrijgen. Onder deze omstandigheden heeft de minister ook geen aanleiding hoeven zien om het ministerie van Buitenlandse Zaken te verzoeken om, al dan niet via het opstellen van een individueel ambtsbericht, onderzoek te doen naar het bestaan van dit vonnis. 7.3. De minister heeft terecht geconcludeerd dat eiser niet (volledig) met bewijsmateriaal heeft onderbouwd dat hij vanwege zijn geloof ten onrechte is beschuldigd van oplichting en is veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. Overeenkomstig WI 2024/6 heeft de minister beoordeeld of eiser voldoet aan de in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 opgenomen voorwaarden om het vijfde asielmotief desondanks geloofwaardig te achten. In dat kader heeft de minister zich, gelet op het voorgaande, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser geen overtuigende en onderbouwde verklaring heeft gegeven voor het niet kunnen overleggen van een origineel rechtbankvonnis. De rechtbank zal hieronder de beoordeling van de in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 opgenomen voorwaarden voor het overige bespreken. Daar gaat de rechtbank ook in op het betoog van eiser dat de minister ook stukken waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld moet betrekken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. De aannemelijkheid en samenhangendheid van de verklaringen (stap 2b) 8. Volgens de minister voldoet eiser niet aan de in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 opgenomen voorwaarde dat de verklaringen over het vijfde asielmotief samenhangend en aannemelijk zijn en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor het asielverzoek, en krijgt eiser ook daarom niet het voordeel van de twijfel. Op die beoordeling gaat de rechtbank hierna in aan de hand van de verschillende argumenten die de minister daarvoor geeft (zie ook overweging 4) en de beroepsgronden die eiser daartegen richt. Het causale verband tussen eisers religie en de aangifte (a) 9. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aangifte van oplichting is gedaan vanwege zijn religie. Dat tegen eiser eerder aangifte (toen van aanranding) is gedaan vanwege zijn religie, wat geloofwaardig wordt geacht, is daarvoor onvoldoende. De minister acht daartoe van belang dat de eerdere aangifte (die is geseponeerd) is onderzocht door de autoriteiten en toen is vastgesteld dat die was gedaan vanwege eisers geloof. Dan mag er volgens de minister van worden uitgegaan dat ook bij de aangifte vanwege oplichting (waarvoor eiser zou zijn veroordeeld) serieus en nauwkeurig is onderzocht of die is gedaan vanwege eisers geloof. Dat dat zo was, is niet gebleken. Eiser zou ondanks de voorgeschiedenis die bekend is, zijn veroordeeld. Ook vindt de minister relevant dat in het overgelegde vonnis niet wordt verwezen naar eisers geloof en ook dat daarin wordt verwezen naar documenten/bewijs en eiser zelf heeft verklaard dat hij is veroordeeld omdat er bewijs was van oplichting. Tijdens het onderzoek is kennelijk voldoende bewijs gevonden voor de vaststelling dat eiser zich schuldig had gemaakt aan oplichting, aldus de minister. De minister neemt, zo begrijpt de rechtbank, het bestaan van de veroordeling bij deze laatste tegenwerping veronderstellenderwijs aan, nu de minister het bestaan van die veroordeling immers niet geloofwaardig heeft geacht. 9.1. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte niet volgt in het causale verband tussen zijn religie en de aangifte die heeft geleid tot de strafrechtelijke veroordeling voor oplichting. Daartoe voert eiser aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het alleen aan eiser is om dit causale verband aannemelijk te maken en de minister aan zijn deel van de samenwerkingsverplichting heeft voldaan door een nader gehoor af te nemen. Onder verwijzing naar artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn en het arrest MM van het Hof van Justitie had de minister volgens eiser actief met hem moeten samenwerken om dit causale verband te onderzoeken. Zo had de minister bij zijn beoordeling relevante landeninformatie moeten betrekken en onderzoeksvragen moeten uitzetten bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. De minister heeft volgens eiser ten onrechte niet gemotiveerd waarom hij daartoe niet is overgegaan. Verder voert eiser in dit verband aan dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij wel geloofwaardig acht dat eiser vanwege zijn religie door de betreffende familie valselijk is beschuldigd van aanranding, maar niet dat diezelfde familie hem later vanwege zijn religie valselijk heeft beschuldigd van oplichting. Daarbij acht eiser relevant dat niet wordt betwist dat het om dezelfde familie gaat. Onder verwijzing naar rechtspraak voert eiser aan dat de minister moet motiveren waarom ten aanzien van een bepaald asielmotief niet het voordeel van de twijfel wordt gegund als dat samenhangt met een ander asielmotief dat wel geloofwaardig wordt geacht. De motivering van de minister dat evenals de aangifte van aanranding ook de aangifte van oplichting zorgvuldig zal zijn beoordeeld, volstaat volgens eiser niet gelet op landeninformatie over de kwaliteit van de rechtsgang voor kopten in Egypte. De minister heeft ten onrechte niet kenbaar en inzichtelijk de vaste rechtspraak over externe geloofwaardigheidsindicatoren bij de beoordeling betrokken. Bovendien miskent de minister volgens eiser dat hij heeft verklaard dat de betreffende familie in de procedure over de beschuldiging van oplichting vals bewijsmateriaal zou hebben overgelegd. Uit het ambtsbericht volgt verder dat bewijs in strafzaken vaak onvoldoende is. Gelet daarop neemt de minister ten onrechte aan dat de procedure eerlijk is verlopen, aldus eiser. 9.2. Deze beroepsgrond slaagt deels. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich onvoldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt stelt dat het niet aannemelijk is dat de door eiser genoemde familie aangifte tegen hem heeft gedaan van oplichting (alleen) vanwege het feit dat hij koptisch christen is en hij dus niet uitgaat van een causaal verband tussen eisers religie en de aangifte. De rechtbank gaat er hierbij, vanwege de bewoordingen van de tegenwerping, van uit dat de minister niet in twijfel trekt dat tegen eiser aangifte is gedaan van oplichting en dat die aangifte is gedaan door de niet-christelijke familie die hem eerder onder andere valselijk heeft beschuldigd van aanranding. Aanwijzingen dat de minister de aangifte op zichzelf in twijfel trekt, heeft de rechtbank gelet op de besluitvorming niet. Verder stelt de rechtbank vast dat de minister aan alle andere asielmotieven van eiser en wat hem in Egypte is overkomen geloof hecht, ondanks dat (ook) die verklaringen niet allemaal zijn onderbouwd met (objectieve) stukken. Zo acht de minister geloofwaardig dat eiser vanwege zijn religie valselijk is beschuldigd van aanranding door dezelfde familie als die de aangifte vanwege oplichting heeft gedaan, dat eiser en/of zijn familie nadien nog problemen van deze familie heeft ondervonden en dus ook dat de aangifte van oplichting is gedaan door wederom diezelfde familie. Ook meer in het algemeen acht de minister geloofwaardig dat eiser vanwege zijn religie meerdere keren problemen van verschillende aard heeft ondervonden van de zijde van niet-christelijke dorps- of buurtbewoners. Dat schetst naar het oordeel van de rechtbank wel een bepaald uitgangspunt en specifieke context waarbinnen de verklaringen van eiser over ook het vijfde asielmotief op geloofwaardigheid moeten worden beoordeeld. De minister moet dan des te uitgebreider motiveren waarom hij geen geloof hecht aan de verklaring van eiser dat de reden van de aangifte vanwege oplichting, dus afkomstig van diezelfde niet-christelijke familie, wederom is gelegen in zijn religie, ook gelet op de verklaringen die eiser geeft over de motieven die deze familie daarvoor heeft. Dat doet de minister niet voldoende. De rechtbank acht in dat verband onvoldoende dat in het vonnis van 30 maart 2023 niet wordt verwezen naar eisers geloof. Ook als de reden voor de aangifte van oplichting zou zijn gelegen in eisers religie, valt naar het oordeel van de rechtbank niet direct in te zien dat dat in een vonnis tot uiting zou komen, als dat bij de rechtbank al bekend zou zijn geweest. Verder leest de rechtbank de verklaring van eiser in het nader gehoor dat de bedoelde familie bewijzen van oplichting zou hebben overgelegd, ook gelet op de hele context van eisers verklaringen, zo dat hij daarmee niet heeft bedoeld te verklaren dat dat objectief bewijsmateriaal was, zijnde bewijs dat hij zich daadwerkelijk aan oplichting heeft schuldig gemaakt (en om die reden terecht zou zijn veroordeeld). Eiser betoogt terecht dat de minister zijn verklaringen in dit verband niet op juiste wijze heeft geïnterpreteerd en bij de besluitvorming heeft betrokken. Ook het argument van de minister dat ervan kan worden uitgegaan dat de veroordeling op deugdelijk onderzoek is gestoeld en dus terecht was, nu de zaak naar aanleiding van de beschuldiging van aanranding is geseponeerd na deugdelijke onderzoek, is naar het oordeel van de rechtbank geen deugdelijk (onderbouwd) argument om eiser niet te volgen in het door hem gestelde causale verband. Daarbij merkt de rechtbank op de minister zich hoofdzakelijk op aannames baseert. Eiser heeft over de aangifte van aanranding verklaard dat een bepaalde kapitein recherchewerk heeft verricht naar die aangifte, dat die kapitein tot de conclusie kwam dat van aanranding geen sprake was geweest en de aangifte was gedaan vanwege eisers religie, om hem dwars te zitten. Hoe het zit met het strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de aangifte van oplichting, wordt de rechtbank uit de besluitvorming niet duidelijk. Verder heeft eiser in dit verband gewezen op de kwaliteit van de rechtsgang in Egypte en in dat verband verwezen naar het ambtsbericht. Daar gaat de minister in de besluitvorming, mede in licht van eisers verklaringen, te summier op in. De verklaring dat eiser niets wist van de aangifte wegens oplichting (c) 10. De minister stelt zich op het standpunt dat niet valt in te zien dat eiser niet afwist van de aangifte vanwege oplichting. Daartoe verwijst de minister naar het ambtsbericht waaruit volgt dat verdachten een schriftelijke oproep ontvangen om te verschijnen bij de rechtbank op het adres waar diegene staat geregistreerd. De minister ziet niet in waarom die oproep in eisers geval niet zou zijn gestuurd of uitgereikt aan zijn familie. Ook wijst de minister erop dat eisers advocaat op de hoogte was van de strafzaak omdat deze bij de zitting aanwezig was, waardoor niet valt in te zien dat eiser niet van de aangifte afwist. 10.1. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat het niet aannemelijk is dat hij niet wist van de aangifte wegens oplichting. Eiser handhaaft zijn verklaring dat hij er niet van wist omdat het bereik in het klooster niet goed was. Daarbij is volgens eiser ook van belang dat hij in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd omdat vier van zijn asielmotieven wel geloofwaardig zijn. Eiser wijst erop dat uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat het vaak nodig is om asielzoekers, gelet op de bijzondere situatie waarin zij zich bevinden, het voordeel van de twijfel te geven bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van verklaringen en overgelegde stukken. Bovendien is het eiser onduidelijk waarom dit detail relevant is voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. 10.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat wat eiser in dit verband heeft aangevoerd, heeft de minister bij de besluitvorming betrokken. De minister heeft, ook afgezien van de vraag of de oproep eiser zou kunnen zijn ontgaan, zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien dat eiser niet afwist van de aangifte vanwege oplichting. De minister wijst er immers terecht op dat eisers advocaat wel afwist van de aangifte en de zitting naar aanleiding daarvan, hij eiser op de zitting heeft vertegenwoordigd en daar een vrijspraak-verweer heeft gevoerd. Specifiek hiertegen brengt eiser niks in. De minister mag ervan uitgaan dat eiser deze advocaat (ondanks het gestelde gebrek aan bereik in het klooster) heeft ingeschakeld of in ieder geval overleg heeft gehad over de zitting. Dat eiser wel wordt gevolgd in de overige vier asielmotieven, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Verder houdt deze tegenwerping naar het oordeel van de rechtbank voldoende verband met het vijfde asielmotief zodat van een detail dat voor de beoordeling van de geloofwaardigheid daarvan geen relevantie heeft, geen sprake is. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de omstandigheid dat eiser niet afwist van de aangifte vanwege oplichting, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers verklaring dat hij vanwege zijn geloof ten onrechte is beschuldigd van oplichting en is veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. De tegenstrijdigheid over de reden dat eiser naar het klooster is gegaan (d) 11. De minister werpt eiser tegen dat hij enerzijds verklaart dat hij naar het klooster ging na de beschuldiging van oplichting en anderzijds verklaart dat hij zes maanden voor vertrek naar Nederland naar het klooster ging en dat eiser geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor deze tegenstrijdigheid. De verklaring dat eiser verkeerd is begrepen, vindt de minister onvoldoende. 11.1. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de reden waarom hij naar het klooster is gegaan. Over de gestelde tegenstrijdigheid heeft eiser tijdens het nader gehoor opheldering gegeven, zodat van een tegenstrijdigheid volgens eiser geen sprake is. Bovendien leek het ook voor de hoormedewerker op dat moment duidelijk. Ook voor deze tegenwerping is het eiser niet duidelijk waarom dit relevant is in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid van dit asielmotief. De problemen die zich hebben voorgedaan voordat eiser naar het klooster ging zijn allemaal geloofwaardig geacht, zodat de redenen voor zijn vertrek naar het klooster duidelijk zijn, aldus eiser. 11.2. Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich onvoldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt stelt dat sprake is van een (nog altijd bestaande) tegenstrijdige verklaring over de reden waarom eiser naar het klooster ging. Met afwijkende verklaringen die op dit punt tijdens het nader gehoor werden geconstateerd, is eiser tijdens dat gehoor geconfronteerd en daar heeft eiser op gereageerd. De minister motiveert niet waarom hij eiser er niet in volgt dat van een tegenstrijdigheid geen sprake is omdat deze tijdens het nader gehoor is opgehelderd, en hij ondanks de verklaringen tijdens het nader gehoor nog altijd uitgaat van het bestaan van een tegenstrijdigheid op dit punt. Anders dan de minister lijkt te suggereren, is eiser tijdens dat gehoor niet de vraag gesteld waarom hij eerst anders zou hebben verklaard over zijn reden van vertrek naar het klooster. Eiser verklaart vrij consistent dat hij na zijn vrijlating en ongeveer zes maanden voor zijn komst naar Nederland naar het klooster ging. De verklaring dat dit was ná de beschuldiging van oplichting heeft eiser tijdens het gehoor hersteld. Daarbij wijst de rechtbank er in het licht van de tijdlijn op dat eiser ook steeds heeft verklaard dat hij niks afwist van de aangifte van oplichting en hij daar pas in het klooster achter is gekomen. De verklaringen over de redenen van niet in beroep gaan en informatie uit openbare bron (e) 12. De minister stelt zich (in het bestreden besluit) op het standpunt dat eiser wisselend en strijdig met informatie uit openbare bron verklaart over de reden dat hij niet in beroep is gegaan tegen het vonnis van 30 maart 2023. De minister acht het niet aannemelijk dat eisers advocaat de mogelijkheden van beroep niet met eiser heeft besproken en direct komt met het advies aan eiser om te vertrekken uit Egypte. Eisers verklaring dat hij niet in beroep kan tegen het vonnis is strijdig met informatie uit openbare bron waaruit volgens de minister blijkt dat een veroordeling bij verstek een tijdelijke veroordeling is totdat de persoon die het betreft zich meldt en dat die persoon dan in aanmerking komt voor een nieuw proces. De minister volgt eiser er niet in dat de aangehaalde bronnen niet actueel en daarom niet betrouwbaar zijn omdat eiser niet met objectieve bronnen de inhoud daarvan heeft weerlegd of heeft onderbouwd dat de situatie op dat punt is gewijzigd. 12.1. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij wisselend heeft verklaard over de reden waarom hij niet in beroep is gegaan tegen het vonnis en dat zijn verklaringen strijdig zijn met informatie uit openbare bron. Daartoe voert eiser aan dat de minister ten onrechte niet motiveert waarom het niet aannemelijk is dat de advocaat van eiser de mogelijkheden van beroep niet met hem heeft besproken en direct tot het vertrekadvies is gekomen. Verder wijst eiser erop dat hij nooit heeft beweerd dat hij niet in beroep kan tegen het vonnis, maar heeft verklaard dat hij niet in beroep wil omdat hij gedurende dat beroep dan gevangen zal zitten. Bij het voorgaande komt volgens eiser nog dat de minister onvoldoende rekening houdt met het referentiekader van eiser, in die zin dat hij niet juridisch is onderlegd en van hem daarom geen juridisch sluitende verklaringen verwacht mogen worden. 12.2. Deze beroepsgrond slaagt deels. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat eisers verklaring dat hij niet in beroep is gegaan tegen het vonnis van 30 maart 2023 omdat zijn advocaat hem had geadviseerd om Egypte te verlaten en de mogelijkheid van beroep (daarom) niet is besproken, niet aannemelijk is. Dat de minister zijn standpunt niet nader toelicht, acht de rechtbank niet gebrekkig. Het is – zonder nadere toelichting daarop – voldoende duidelijk waar de onaannemelijkheid in eisers verklaringen is gelegen. Verder stelt de rechtbank met de minister vast dat uit openbare bronnen blijkt dat het mogelijk zou moeten zijn geweest om beroep in te stellen tegen het vonnis. Dat betwist eiser op zich ook niet. Op eisers verklaring dat hij nooit heeft gezegd dat hij niet in beroep kon, maar dat hij heeft gezegd dat hij niet in beroep wilde, heeft de minister zich echter ten onrechte niet uitgelaten. Ondanks dat eiser niet nader heeft onderbouwd dat hij in het geval hij beroep instelt gevangen zal worden gezet, had de minister zich daarover in het kader van de onderhavige tegenwerping wel moeten uitlaten. De verklaringen over de reden van de strafrechtelijke vervolging (f) 13. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser toerekenbaar niet eenduidig heeft verklaard over de reden van zijn vertrek uit Egypte en verzoek om internationale bescherming, wat volgens de minister afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers asielmotief. Hieraan legt de minister ten grondslag dat eiser tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard dat hij wordt vervolgd vanwege een (valse) beschuldiging van aanranding van een vrouw en eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij wordt vervolgd vanwege een (valse) beschuldiging van oplichting. 13.1. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat er een tegenstrijdigheid zit tussen het aanmeldgehoor en het nader gehoor in zijn verklaring over de reden van de strafrechtelijke vervolging. Die tegenwerping is volgens eiser in strijd is met artikel 3.108d, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). 13.2. Deze beroepsgrond slaagt. Uit artikel 3.108d, vijfde lid, van het Vb 2000 volgt dat bij de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag de door de vreemdeling tijdens de aanmeldfase afgelegde verklaringen over zijn asielmotieven niet worden betrokken, tenzij deze betrekking hebben op daden als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, andere zware strafbare feiten of relevant zijn in het kader van de bescherming van de nationale veiligheid. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser in dit geval ten onrechte tegenwerpt dat hij tegenstrijdig dan wel niet eenduidig heeft verklaard over de reden van de vervolging die aanleiding is geweest voor zijn vertrek. Redengevend daarvoor is da

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...