Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:8573

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-04-08
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.40203
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
ja
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
5.363 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asielaanvraag – besluit op aanvraag ingetrokken – beroep op verzoek van eiser omgeklapt naar BNT – beroep gegrond voor zover het ziet op het niet-tijdig beslissen

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.40203 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. B.W.M. Toemen), en de minister van Asiel en Migratie , verweerder (gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman). Procesverloop Bij besluit van 18 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft het bestreden besluit op 26 maart 2026 ingetrokken. Eiser heeft bij bericht van 26 maart 2026 de rechtbank verzocht om het beroep tegen het bestreden besluit om te klappen naar een beroep tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag en te bepalen dat verweerder binnen twee weken opnieuw dient te beslissen. Verweerder heeft desgevraagd op 3 april 2026 een reactie ingediend. De rechtbank doet op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten zitting uitspraak. Overwegingen 1. De rechtbank stelt vast dat verweerder het bestreden besluit heeft ingetrokken. Verweerder heeft toegelicht dat de reden hiervoor gelegen is in het thans geldende besluit- en vertrekmoratorium voor Iran. In zijn brief van 3 april 2026 heeft verweerder overwogen dat geen sprake is van een tegemoetkoming en dat verweerder daarom niet op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser. Verder heeft verweerder laten weten dat zo snel mogelijk een nieuw besluit zal worden genomen, omdat de termijn van 21 maanden is verstreken. 2. Eiser heeft verzocht om het beroep om te klappen naar een beroep tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Hij heeft het beroep niet ingetrokken, zodat artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb, niet van toepassing is. 3. De rechtbank verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk, nu dit besluit is ingetrokken en eiser daardoor geen procesbelang meer heeft. 4. Het intrekken van het bestreden besluit heeft tot gevolg dat de verweerder opnieuw op de asielaanvraag van eiser moet beslissen. De termijn waarbinnen verweerder uiterlijk op de aanvraag moest beslissen is verlopen. Daarbij geldt dat in een situatie waarin verweerder hangende het beroep het besluit intrekt als gevolg waarvan de situatie ontstaat dat niet tijdig is beslist, niet van eiser kan worden verwacht dat hij verweerder eerst in gebreke stelt voordat hij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit instelt. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag is daarom ontvankelijk en gegrond. 5. Eiser heeft zijn asielaanvraag op 6 maart 2023 ingediend. De uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is reeds op 6 december 2024 verstreken. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag te beslissen, maar uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak. 6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom moet betalen voor elke dag waarmee de onder 5 genoemde termijn wordt overschreden. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom in deze zaak vast op een bedrag van € 100 per dag voor elke dag waarmee de termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. 7. Verweerder wordt veroordeeld tot het betalen van de vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 934 met een wegingsfactor 0,5). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet-tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag; - draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een besluit op de asielaanvraag bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 467 aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan op 8 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2013:BY8849.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...