Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:5900

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-03-17
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
24.30605
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
54.622 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel. Geloofwaardigheid (toegedicht) Gülenisme. Beroep gegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL24.30605 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers), en de minister van Asiel en Migratie , de minister (gemachtigde: mr. K. Bruin en mr. M.H.S. Volker). Samenvatting In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de minister tot afwijzing van eisers asielaanvraag. In het kader van die asielaanvraag stelt eiser – kort gezegd – te vrezen voor de Turkse autoriteiten vanwege zijn (toegedicht) Gülenisme. Nadat de minister dit besluit heeft genomen heeft hij in de fase van beroep in een aangepaste motivering een aanvullend standpunt ingenomen. Daarin heeft hij overwogen dat hij het niet geloofwaardig vindt dat eiser Gülenist is dan wel toegedicht Gülenist is. De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister zich onvoldoende zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd op dit standpunt heeft gesteld. Het beroep van eiser is gegrond, de rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op om opnieuw te beslissen op de asielaanvraag van eiser. Procesverloop 1. Eiser heeft op 12 april 2023 een asielaanvraag ingediend. Op 4 augustus 2024 heeft eiser een beroep niet tijdig beslissen ingediend, vanwege het uitblijven van een besluit op deze asielaanvraag. 2. Met het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 heeft de minister een beslissing genomen op de asielaanvraag en deze afgewezen als ongegrond. Daarbij heeft de minister verder bepaald dat eiser geen verblijfsvergunning regulier krijgt, dat eiser geen uitstel van vertrek krijgt, en dat eiser een terugkeerbesluit voor Turkije wordt opgelegd met een vertrektermijn van vier weken. 3. Eiser heeft het beroep niet tijdig beslissen gehandhaafd. Eiser heeft vervolgens op 29 oktober 2024 ook beroep ingesteld tegen de afwijzing van de asielaanvraag. Dit beroep is geregistreerd onder nummer NL24.42193. 4. De minister heeft op 4 maart 2025 gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft op 11 maart 2025 aanvullende gronden ingediend. 5. De rechtbank heeft het beroep – tezamen met de zaak NL24.42193 – op 14 maart 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, tolk G. Dogeyol en de gemachtigde van de minister, mr. K. Bruin. Tijdens deze zitting is met partijen besproken dat de zaak aangehouden wordt, dat eiser (onder meer) zorgt draagt voor de integrale vertaling van een door hem ingediend Turks proces-verbaal en dat de minister vervolgens – met inachtneming van de nadere stukken – een nader standpunt inneemt omtrent de inwilligbaarheid van de asielaanvraag. 6. Partijen hebben vervolgens op 27 maart 2025, 9 mei 2025, 8 juni 2025, 12 augustus 2025, 25 augustus 2025, 31 augustus 2025, 2 maart 2026 en 4 maart 2026 nadere stukken ingediend en nadere standpunten ingenomen. 7. De rechtbank heeft het beroep – tezamen met de zaak NL24.42193 – op 5 maart 2026 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, tolk O. Agir en de gemachtigde van de minister, mr. M.H.S. Volker. 8. Eiser heeft ter zitting het beroep NL24.42193 ingetrokken. Overwegingen Beroep tegen het niet tijdig beslissen 9. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de minister niet tijdig heeft beslist op de asielaanvraag van eiser, dat de ingebrekestelling van 17 juli 2024 geldig is en dat sindsdien twee weken zijn verstreken, zonder dat de minister in die periode heeft beslist op de aanvraag. De minister heeft na het instellen van het beroep met het besluit van 28 oktober 2024 echter alsnog beslist op de aanvraag. Dat betekent dat eiser geen inhoudelijk belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk. 10. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Eiser is het niet eens met het inhoudelijke besluit op zijn asielaanvraag. Het beroep van eiseres heeft dus mede betrekking op het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024. Beroep tegen het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 11. De rechtbank beoordeelt of de minister het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 terecht heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden (de argumenten) van eiser. Het asielrelaas en onderbouwing asielaanvraag 12. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1994. Op 12 april 2023 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: asielaanvraag) ingediend. 13. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser sympathiseert met de Gülenbeweging. In 2006 is hij met deze beweging in contact gekomen. Tijdens zijn middelbare (militaire) school – die in 2008 begon – nam eiser deel aan ‘Sohbets’ (religieuze gespreksbijeenkomsten) en had hij een eigen ‘Abi’, die hij via een openbare telefooncel belde om af te spreken. Na zijn middelbare school is eiser naar de militaire school in Ankara gegaan. Naar aanleiding van de coup in 2016 – toen de noodtoestand was afgeroepen – zijn militaire scholen per decreet gesloten en zijn de studenten van deze scholen weggestuurd. Ook eiser is op deze wijze van zijn school geroyeerd. Er is hem toen verteld dat het voortaan niet mogelijk is om bij een overheidsinstantie te gaan werken. Eiser werkte later als vertegenwoordiger voor een onderneming in Ankara, waar hij nadien ontslag heeft genomen toen hem vragen werden gesteld of hij als militair student betrokken was bij de Gülenbeweging. Toen hij in juni 2022 – in verband met dit werk – naar een beurs voor defensiematerieel ging, werd hij bij binnenkomst geweigerd vanwege veiligheidsredenen (eiser stond op de namenlijst van de bewaker). Eiser heeft toen van een vriend die advocaat is te horen gekregen dat zijn naam voorkomt in strafzaakdossiers, in verband met het bellen vanuit een publieke telefooncel naar mensen van de Gülenbeweging. De advocaat heeft eiser verteld dat hij mogelijk ook zal worden aangehouden. Twee studievrienden van eiser zijn om die reden al aangehouden. Eén daarvan is hiervoor ook veroordeeld door de rechtbank in Istanbul. Eiser gaat er, op basis van wat hij gehoord heeft, vanuit dat zijn naam in deze strafzaken voorkomt. Eiser denkt dat iemand heeft ‘geklikt’ dat hij destijds deelnam aan Sohbets. Eiser vermoedt dat er een onderzoek naar hem loopt, waarbij bekeken wordt hoe lang hij als militair student betrokken is geweest bij de Gülenbeweging. Hij kan in dit kader door de Turkse overheid beschuldigd worden van lidmaatschap van een terroristische organisatie. Eiser is op 12 september 2022 – ongeveer twee maanden na de beurs – op legale wijze het land verlaten. Na zijn vertrek uit Turkije zijn er op 2 januari 2023 politieagenten van de terreurafdeling bij eisers ouders thuis geweest, waarbij ze naar eiser hebben gevraagd. Daarna is ook het zusje van eiser bevraagd waar eiser is, toen zij haar toelatingsexamen ging doen voor de universiteit. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Turkije aangehouden zal worden. 14. Ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft eiser op 9 juli 2023 en op 22 oktober 2024 diverse documenten ingeleverd. Voor zover relevant voor de beoordeling van het beroep in deze uitspraak gaat het om: Verzekeringsbewijs SGK, waarin staat dat eiser de militaire school heeft verlaten vanwege decreet 669; Brief van Turkse advocaat [naam] van 14 augustus 2023 (met betrekking tot een op 2 januari 2023 uitgevoerde operatie door de Afdeling Terrorismebestrijding en over een arrestatiebevel jegens eiser); Brief van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 21 juli 2021 aan advocatenkantoor [naam] (waarin een toelichting wordt gegeven over de inwilliging van een asielvergunning van een andere vreemdeling, die volgens de IND als militaire student betrokkenheid wordt toegedicht bij de Gülenbeweging); en Screenshots van Instagram. Het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 15. In het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 heeft de minister het asielrelaas onderscheiden in de volgende asielmotieven: Identiteit, nationaliteit en herkomst Betrokkenheid bij de Gülenbeweging en de daaruit volgende problemen met de Turkse autoriteiten 16. De minister acht de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook de betrokkenheid van eiser bij de Gülenbeweging wordt door de minister geloofd. De door eiser gestelde daaruit volgende problemen acht de minister echter (deels) ongeloofwaardig. De minister vindt dat eiser zijn vrees vanwege de geloofwaardig geachte betrokkenheid bij de Gülenbeweging – op grond waarvan eiser tot een risicoprofiel behoort als bedoeld in het beleid van de minister – niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarom wordt eiser door de minister niet aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser komt evenmin in aanmerking voor subsidiaire bescherming. Met het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 heeft de minister de asielaanvraag van eiser daarom afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarbij heeft de minister verder bepaald dat eiser geen verblijfsvergunning regulier krijgt, dat eiser geen uitstel van vertrek krijgt, en dat hem een terugkeerbesluit voor Turkije wordt opgelegd met een vertrektermijn van vier weken. Procedure in beroep 17. Voor zover relevant voor deze uitspraak zijn in de procedure in beroep nadere stukken ingediend door eiser en de minister. Het gaat om de volgende stukken. Eiser heeft op 11 maart 2025 aanvullende gronden van beroep ingediend, voorzien van een dertiental bijlagen. In deze bijlagen bevindt zich een proces-verbaal van verhoor van [naam] , alsmede een beëdigde vertaling van een passage uit dit verhoor. Eiser heeft op 27 maart 2025 nadere stukken – waaronder de integrale vertaling van het voornoemde proces-verbaal van verhoor – en aanvullende gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 8 mei 2025 een aangepaste motivering gegeven voor het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024. Eiser heeft op 8 juni 2025 aanvullende gronden van beroep ingediend, gericht tegen de aangepaste motivering van de minister. Eiser heeft op 25 augustus 2025 een nader stuk overgelegd, te weten een nadere vertaling van een deel van het proces-verbaal van verhoor van [naam] . Eiser heeft op 4 maart 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend en een nader stuk ingediend, te weten een nadere vertaling van een deel van het proces-verbaal van verhoor van [naam] . Aangepaste motivering de minister 18. In de brief van 8 mei 2025 heeft de minister een aangepaste motivering gegeven met betrekking tot de asielaanvraag van eiser en de geloofwaardigheidsbeoordeling – zoals hij zelf zegt – ‘herzien’. 19. In deze aangepaste motivering heeft de minister het asielrelaas onderscheiden in de volgende asielmotieven: Identiteit, nationaliteit en herkomst Betrokkenheid bij de Gülenbeweging en de daaruit volgende problemen met de Turkse autoriteiten Politieke overtuiging ten aanzien van de regering Erdogan en de uiting daarvan op sociale media 20. De identiteit, nationaliteit en herkomst heeft de minister in de aangepaste motivering niet verder besproken, nu deze volgens hem niet ter discussie staan. De betrokkenheid bij de Gülenbeweging en de daaruit volgende problemen met de Turkse autoriteiten acht de minister (deels) ongeloofwaardig. Meer in het bijzonder acht de minister niet meer geloofwaardig dat eiser Gülenist is dan wel toegedicht Gülenist is, maar gelooft hij enkel nog dat eiser enige betrokkenheid heeft gehad bij de Gülenbeweging in het verleden. De minister vindt voorts dat eiser zijn gestelde vrees vanwege het geloofwaardig geachte deel van dit asielmotief niet aannemelijk heeft gemaakt. De politieke overtuiging ten aanzien van de regering Erdogan en de uiting daarvan op sociale media acht de minister ook geloofwaardig. De door eiser in dat kader gestelde vrees acht de minister echter eveneens onaannemelijk. 21. De rechtbank stelt vast dat de minister met de aangepaste motivering van 8 mei 2025 – zoals verkort weergegeven onder 18 tot en met 20 – zijn standpunt omtrent de asielaanvraag van eiser wezenlijk heeft gewijzigd. Tijdens de nadere zitting van 5 maart 2026 heeft de minister desgevraagd aangegeven dat het daarin opgenomen standpunt omtrent asielmotief II integraal de geloofwaardigheidsbeoordeling en risicotaxatie over dat asielmotief uit het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 vervangt. De rechtbank van oordeel dat de minister hiermee erkent dat het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 een motiveringsgebrek kent. De minister is immers teruggekomen op zijn aanvankelijke beoordeling. Dit brengt met zich dat het beroep gegrond is en dat het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 voor vernietiging in aanmerking komt. 22. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 in stand kunnen worden gelaten. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De beoordeling door de rechtbank zich richt op het standpunt van de minister in de aangepaste motivering en de daartegen gerichte gronden van eiser. Aangepaste motivering 8 mei 2025 Geloofwaardigheid problemen vanwege betrokkenheid Gülenbeweging 23. In de eerste plaats is tussen partijen in geschil of de minister niet ten onrechte de door eiser gestelde problemen vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging gedeeltelijk ongeloofwaardig heeft bevonden. Meer in het bijzonder ligt in dit kader de vraag voor of de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet geloofwaardig is dat eiser Gülenist is dan wel toegedicht Gülenist is. Standpunt van de minister Geloofwaardigheidsstandpunt Gülenist zijn 24. De minister gelooft niet dat eiser Gülenist is. Hij wijst erop dat dat hij niet afkomstig is uit een familie van Gülenisten. Ook stelt de minister dat uit eisers verklaringen niet volgt dat hij na 2016 nog actief is geweest binnen de Gülenbeweging. Ook in Nederland heeft hij geen aansluiting tot de beweging gezocht. Verder heeft eiser verklaard dat zijn denkbeelden verschillen met de denkbeelden van de beweging. Zo is voor eiser Atatürk een belangrijk persoon, terwijl uit openbare informatie volgt dat de denkbeelden van de Gülenbeweging en Atatürk fundamenteel tegengesteld zijn aan elkaar. Eiser geeft verder aan dat hij niet erg religieus is, wat niet in overeenstemming is met de religieus-conservatieve denkbeelden van de Gülenbeweging. 25. De minister acht geloofwaardig dat eiser vóór 2016 contact heeft gehad met de Gülenbeweging, nu hij van 2006 tot 2008 Sohbets heeft bezocht en tijdens zijn middelbare school-periode één-op-één-huiswerkbegeleiding kreeg van een Abi. De minister wijst er echter op dat op pag. 44 in het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 2023 (hierna: AAB 2023) is vermeld dat – omdat de Gülen-instituties hoog stonden aangeschreven in kwalitatief opzicht – in het verleden miljoenen mensen in Turkije in een bepaald opzicht verbonden waren aan de Gülenbeweging. Eiser heeft zich niet op één of andere wijze onderscheiden ten opzichte van deze vele miljoenen anderen. Uit eisers verklaringen volgt wél dat de betrokkenheid van eiser bij de beweging gering was. Zo bezocht hij de Sohbets toen hij 12-14 jaar oud was, omdat vrienden van hem die ook bezochten. Na 2008 had eiser één keer per maand contact met een Abi die hem hielp met het huiswerk – en het contact verliep via een munttelefoon. Uit eisers verklaringen volgt verder niet dat hij afkomstig is uit een familie van Gülenisten: zijn vader had geen betrokkenheid bij de beweging en zijn moeder bezocht af en toe Sohbets maar besloot na 2016 niet meer te gaan. Eiser had verder geen ByLock-app en geen rekening bij de Asya-bank. Geloofwaardigheidsstandpunt toegedicht Gülenisme 26. De minister acht voorts ongeloofwaardig dat eiser toegedicht Gülenist is. De minister volgt wel dat eiser op een school heeft gezeten die door de Turkse overheid per decreet is gesloten. Uit openbare bronnen volgt dat de militaire scholen in Turkije naar aanleiding van de mislukte coupe van 2016 per decreet gesloten werden, waaronder de school die eiser bezocht, de Kara Harp Okulu in Ankara. Ook uit het door eiser overgelegde SGK-overzicht volgt dit. Echter, niet alle studenten die een school bezochten die per decreet gesloten is, worden individueel door de Turkse autoriteiten als Gülenistisch cadet beschouwd. In de nasleep van de coupe werden duizenden cadetten collectief ontslagen, zonder individuele beoordeling van hun betrokkenheid bij de Gülenbeweging, waarbij de minister verwijst naar de bron ‘Nordic Monitor’. Ongeveer 16.409 militaire studenten werden uit hun opleiding verwijderd en de academies – waaronder Kara Harp Okulu – werden opgeheven en ondergebracht in de nieuw opgerichte Nationale Defensie Academie. Uit het feit dat de school per decreet gesloten is, volgt volgens de minister dan ook nog niet dat hij als individu ook door de Turkse autoriteiten als Gülenistisch cadet wordt beschouwd. 27. De minister vindt het – op basis van de criteria genoemd in het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 2021 (hierna: AAB 2021) die kunnen leiden tot negatieve aandacht van de autoriteiten (en aldus tot toegedicht Gülenisme), eveneens genoemd in het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 2022 (hierna: AAB 2022) en het AAB 2023 – niet geloofwaardig dat de Turkse overheid eiser Gülenisme heeft toegedicht. Eiser voldoet aan niet één van deze criteria. Er zijn verder geen aanwijzingen op grond waarvan toedichting tóch dient te worden aangenomen. Hierbij motiveert de minister – opnieuw – dat zeker niet alle cadetten van militaire academies die per decreet zijn gesloten, door de overheid met de Gülenbeweging in verband worden gebracht. Uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 2025 (hierna: AAB 2025) volgt dat gedurende de verslagperiode met name Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat in de negatieve belangstelling van de autoriteiten stonden. Gülenistische cadetten, militairen, gendarmes, politieagenten, rechters en openbare aanklagers kregen de negatieve aandacht van de Turkse overheid. Het is volgens de minister niet aannemelijk dat eiser als Gülenistisch cadet wordt beschouwd. Dit nu niet geloofwaardig is dat eiser Gülenist is, en omdat hij niet aan de criteria voldoet voor toegedicht Gülenisme. De minister herhaalt in dit kader dat eiser geen familieleden heeft die veroordeeld zijn wegens betrokkenheid bij de beweging, dat eiser zelf niet eerder strafrechtelijk vervolgd is wegens betrokkenheid en dat uit de verklaringen van eiser niet volgt dat hij na de coup van 2016 nog op enige wijze betrokken is geweest bij de beweging. Overige tegenwerpingen 28. Wat betreft de door eiser overgelegde documenten overweegt de minister als volgt. De brief van de Turkse advocaat van 14 augustus 2023 ziet de minister als een subjectieve verklaring, steunbetuiging dan wel alternatieve geloofwaardigheidsbeoordeling. Hieraan wordt in de regel beperkte waarde toegekend. Dit is slechts anders indien zo’n brief betrekking heeft op feitelijke waarnemingen die objectief controleerbaar zijn. Dat is hier niet het geval. Ten aanzien van het proces-verbaal van verhoor (hierna: PV) van [naam] van 8 maart 2023 wordt allereerst opgemerkt dat de minister de authenticiteit van dit stuk niet kan verifiëren, nu het geen stukken betreft die zijn opgesteld door een rechtbank. Uit het PV leidt de minister onder meer af dat [naam] telefonisch contact met eiser heeft gehad in 2012 en dat eiser in deze periode student was aan een militaire middelbare school en onderwerp was van een FETÖ-onderzoek. Uit het woordje ‘was’ volgt volgens de minister dat dit onderzoek is afgerond. Onduidelijk is wanneer dit onderzoek heeft plaatsgevonden en wat de conclusies en gevolgen waren. Uit het PV volgt verder niet dat eiser anderszins in verband wordt gebracht met de Gülenbeweging, en ‘verklikt’ is als lid van de beweging. Eveneens blijft onduidelijk wat er met [naam] nadien is gebeurd, en of hij strafrechtelijk is vervolgd. 29. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser tussen 2016 en zijn vertrek uit Turkije in 2022 niet aantoonbaar problemen heeft ondervonden met de Turkse autoriteiten. Ut zijn verklaringen volgt dat hij, samen met andere klasgenoten, direct na de coupe in 2016 voor de Officier van Justitie moest verschijnen, en dat hij en zijn klasgenoten één voor één naar voren moesten komen om te verklaren wat er de dag van de coup op school was gebeurd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er in het verleden onderzoek naar eiser is gedaan, maar dit onderzoek niet heeft geleid tot een strafrechtelijke vervolging. Wat betreft de door eiser gestelde toegangsweigering bij een beurs in juni 2022 vindt de minister dat eiser zijn conclusies – dat sprake is van een geheim onderzoek naar eiser – enkel baseert op vermoedens. Eiser heeft toen de advocaat gebeld, en deze advocaat heeft gezien dat eisers naam voorkwam in het beldossier van een klasgenoot van eiser. De minister neemt in dit kader aan dat het hier om het voornoemde PV van [naam] gaat. Uit niets blijkt echter dat er daadwerkelijk een strafrechtelijk onderzoek gestart is, en dat de beurswijziging dáár het gevolg van is. Eiser heeft ook niet verklaard wat er precies op de namenlijst stond. Eiser heeft voorts niet aangetoond dat er een geheim strafdossier tegen hem zou bestaan. Gelet op informatie in het AAB 2025 (pag. 20) – waarin staat dat bij niet gevoelige zaken het dossier in UYAP raadpleegbaar moet zijn – acht de minister niet aannemelijk dat de advocaat geen toegang tot dit dossier kan krijgen. 30. De legale uitreis vormt volgens de minister voorts een indicatie dat eiser niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Hij baseert zich hierbij op informatie uit het AAB 2021 en AAB 2025, waarin staat dat dat in de meeste gevallen met een politieke dimensie, die in de context van het Turkse strafrecht werden beschouwd als ‘terreurzaken’ (Koerdische activisten en (vermeende) Gülenisten), een uitreisverbod werd opgelegd, alsmede dat het gebruikelijk is dat een uitreisverbod wordt opgelegd aan personen tegen wie een strafrechtelijk onderzoek loopt. 31. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser niet met documenten kan onderbouwen dat de Turkse autoriteten op 1 januari 2023 een huisbezoek bij hem hebben afgelegd. Uit de verklaringen van eiser volgt dat de politie naar zijn huis toekwam om te informeren naar de verblijfplaats van eiser, en niet dat de agenten een reden gaven waarom ze naar eiser op zoek waren en evenmin dat er een inval heeft plaatsgevonden. Dit terwijl in de brief van de advocaat van eiser staat dat er op 2 januari 2023 in operatie is uitgevoerd door de Afdeling Terrorismebestrijding van Ankara, om eiser in hechtenis te nemen – en dat de operatie plaatsvond in de woning van eiser. Dit is tegenstrijdig met elkaar. Ook heeft eiser het bezoek aan zijn huis niet aangetoond door een arrestatiebevel te overleggen, terwijl de advocaat stelt dat dit arrestatiebevel zou zijn uitgevaardigd, en uit het voorgaande volgt dat niet valt in te zien waarom zo’n bevel niet in UYAP is terug te vinden. 32. De minister heeft eiser tenslotte artikel 31, zesde lid, onder d van de Vw 2000 tegengeworpen. Eiser heeft zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en heeft hier géén goede reden voor. Eiser is eind september 2022 Nederland ingereisd en heeft zich pas op 11 april 2023 gemeld voor asiel. De minister ziet geen verschoonbaarheid in de door eiser opgegeven reden; het omzeilen van de Dublinprocedure. Eiser had in het Dublingehoor bovendien kunnen toelichten waarom overdracht aan Hongarije in zijn geval onwenselijk zou zijn geweest. Standpunt van eiser Betwisting geloofwaardigheidsstandpunt Gülenist zijn 33. Eiser voert allereerst aan dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden dat eiser Gülenist is. Hij wijst erop dat hij in het nader gehoor zelf heeft verklaard dat hij Gülenist is. Verder acht de minister geloofwaardig dat eiser vóór 2016 contact had met de Gülenbeweging (in de vorm van deelname aan Sohbets en één-op-één-huiswerkbegeleiding van een Abi). De minister miskent dat Sohbets enkel door Gülenisten wordt gedaan, evenals het feit dat het hebben van een Abi slechts voorbehouden is aan Gülenisten. Dat heeft niets te maken met aan de Gülenbeweging gelieerd onderwijs, maar zijn juist Gülenistische activiteiten. Anders dan de minister stelt heeft eiser Sohbets gevolgd van 2006 tot 2016. Eveneens anders dan de minister stelt, komt eiser wél uit een gezin van Gülenisten. Eisers moeder ging tot 2016 naar Sohbets. Zij is gestopt – zo heeft eiser verklaard – vanwege de arrestaties en problemen; dit zag dus niet op een intrinsieke afname van gevoel bij de beweging. Dat eiser in Nederland weinig activiteiten heeft ontplooid kan hem niet worden tegengeworpen. Er zijn verschillen in denkbeelden in de beweging, en bovendien heeft eiser beperkte mogelijkheden in het kamp waar hij verblijft. Dit betekent echter niet dat hij niet met gelijkgestemden wenst samen te komen. Betwisting geloofwaardigheidsstandpunt toegedicht Gülenisme 34. Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat hem Gülenisme wordt toegedicht. De door de minister vermelde lijst met indicatoren voor toegedicht Gülenisme is onvolledig. Er zijn veel andere indicatoren die eveneens op (toegedicht) Gülenisme duiden. In dit kader wijst hij (onder meer) op een rapport van de Finse immigratiedienst van juni 2024 (getiteld: “Turkey, Individuals associated with the Gülen movement”). Eiser merkt op dat hij op een middels decreet gesloten militaire school gezeten heeft en dat hij als militair student regelmatig contact had via een munttelefoon met een Abi. Dit laatste vormt een zeer belangrijk bewijsmiddel in militaire zaken, wat door de minister wordt miskend en ten onrechte niet als indicator voor toedichting genoemd is. Eiser ging daarnaast naar een Dershane, nam deel aan Sohbets en had een Abi. Vaak zijn dat de bewijsmiddelen die via getuigenverklaringen als bewijs worden gebezigd. De minister heeft bovendien eerder – in een andere procedure – expliciet aangegeven dat militaire studenten bij terugkeer gevaar lopen, in welk kader eiser een bewijsstuk overlegt. Eiser is aldus evident in 2016 gelabeld als Gülenist – in de visie van de Turkse staat een gewapende terreurorganisatie genaamd FETÖ/PDY. Vanaf 2016 zijn er duizenden studenten aangehouden – en ook de laatste jaren gaat dit door. De militaire scholen worden gezien als broedplaats voor de infiltratie in het leger bij cadetten die doorgroeien. Wat betreft de munttelefoon wijst eiser op het AAB 2025 (pag. 48), waarin staat dat er op 1 augustus 2024 en 19 november 2024 respectievelijk 55 en 459 Gülenverdachten – die werkzaam waren in onder meer het leger, de politie en de rechterlijke macht – zijn opgepakt die contact met elkaar onderhielden vanuit telefooncellen. Eiser heeft dus een munttelefoon gebruikt, dat als bewijsmiddel wordt gezien, de Turkse autoriteiten zijn daar bovendien al achter gekomen én daarnaast bevestigt de Turkse advocaat dat er een onderzoek naar eiser loopt. Eiser brengt verder naar voren dat hij tot een groep van militaire cadetten behoort die in het AAB 2025 (pag. 49) uitdrukkelijk wordt genoemd als groep waar in de verslagperiode nog veel operaties naar zijn verricht, overigens ook in de periode na de verslagperiode. Ten aanzien van het standpunt van de minister inzake de door hem gestelde omstandigheid dat er géén individuele beoordeling plaatsvindt van betrokkenheid bij de Gülenbeweging in het kader van het collectieve ontslag van cadetten (waaronder studenten van Kara Harp Okulu), stelt eiser dat de minister deze stelling niet onderbouwt. De verwijzing van de minister naar de ‘Nordic Monitor’ – zonder bronvermelding – is onvoldoende. Eiser stelt zich op het standpunt dat uit het SGK-overzicht blijkt dat hij middels een decreet verwijderd is, en dat dit voor alle toekomstige werkgevers zichtbaar is. Dit past ook bij de verklaring van eiser dat hij weg moest van zijn werkgever toen hij daarachter kwam. 35. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat hij in deze procedure nadere vertalingen heeft overgelegd van een deel van het PV van [naam] , omdat hij constateerde dat de ene vertaler in de verleden tijd sprak over het FETÖ-onderzoek jegens eiser en de andere vertaler in de tegenwoordige tijd. Betwisting overige tegenwerpingen 36. Eiser betwist verder dat hij geen documenten heeft overgelegd waaruit zijn problemen met de autoriteiten volgen. Hierbij wijst hij op de brief van de Turkse advocaat van 14 augustus 2023 en het PV van [naam] van 8 maart 2023. Hij vindt dat aan deze stukken onvoldoende gewicht wordt toegekend. Eiser vindt dat de minister ten onrechte de brief van de advocaat van eiser kwalificeert als subjectieve verklaring dan wel steunbetuiging. Verklaringen van advocaten zijn onderworpen aan gedrags- en tuchtrecht. Er is geen reden om niet uit te gaan van de verklaring van de advocaat dat er een strafrechtelijk onderzoek – waar geheimhouding op zit – jegens eiser loopt. Ten aanzien van het PV van [naam] voert eiser aan dat het juist is – zoals de minister stelt – dat dit PV geen stuk is dat door de rechtbank is opgesteld, nu het door de Turkse politie is opgesteld. 37. Wat betreft de inhoud van het PV van [naam] stelt eiser het volgende. Als er vanuit zou moeten worden gegaan dat het onderzoek daadwerkelijk was afgerond, zijn er drie scenario’s denkbaar volgens eiser. Scenario 1 is dat dit dan tot een sepot zou hebben geleid, maar dat is nooit kenbaar gemaakt aan eiser via UYAP, en is in die zin onaannemelijk. Scenario 2 is dat er onderzoek is gedaan, maar dat de zaak niet formeel is afgerond maar op de plank is gelegd. Getracht wordt bijvoorbeeld via de spijtoptantenregeling aan nader bewijs te komen om de zaak rond te maken. In het verhoor is te zien dat [naam] geconfronteerd wordt met communicatie uit een telefooncel door eiser. Al met al kan ervan uit worden gegaan dat de autoriteiten inmiddels genoeg informatie hadden om eiser aan te houden, wat ook gepland was bij de inval van de antiterreureenheid. In scenario 3 is het strafrechtelijk onderzoek succesvol afgerond, en leidt de inhoud tot de operatie waarbij eiser moest worden aangehouden. Naar mening van eiser zijn zowel scenario’s 2 en 3 mogelijk. In beide scenario’s dient eiser bij terugkeer te worden aangehouden. Eiser betwist verder dat uit het PV niet volgt dat hij met de Gülenbeweging in verband wordt gebracht. Het betreft immers een gehoor dat verband houdt met betrokkenheid bij de Gülenbeweging en in het PV spelen bellen of gebeld worden via de telefooncel een sleutelrol. Bovendien is eiser genoemd als iemand naar wie een FETÖ-onderzoek is ingesteld. Voorts is – voor wat betreft de asielaanvraag van eiser – niet relevant wat er met [naam] nadien is gebeurd. Het is enkel van belang wat er mogelijk met eiser kan gebeuren. Eiser wijst er in dit kader overigens op dat algemeen bekend is dat Turkse autoriteiten arrestanten trachten gebruik te laten maken van de spijtoptantenregeling, opdat er bewijs kan worden verzameld tegen anderen. 38. Voorts kan er volgens eiser niet van worden uitgegaan dat de advocaat de naam van eiser enkel in het dossier van [naam] heeft gezien. In zoverre bestrijdt eiser de aanname van de minister dat de vermelding in het PV van de naam van eiser, dezelfde informatie betreft als de verklaring van de advocaat dat hij eisers naam in een dossier heeft gezien. Eiser heeft immers verklaard (pag. 19 nader gehoor) dat de advocaat heeft gezien dat een persoon die is aangehouden en veroordeeld de naam van eiser aan de autoriteiten heeft doorgegeven. De Turkse autoriteiten kwamen zelf met de naam van eiser in het verhoor van [naam] . Het voorgaande volgt ook uit het feit dat de advocaat in de zaak van [naam] ene Abdullah Polat was, en de advocaat van eiser betreft Bahadir Kücük. Dit betreft dus een extra bewijsmiddel (getuigenverklaring) naast het PV. 39. De minister hanteert volgens eiser voorts een onjuiste uitleg van de beschikbaarheid van stukken uit het UYAP-systeem. De advocaat kan niet over verdere stukken beschikken, gezien de geheimhouding die op deze dossiers rust en omdat daar toestemming van zijn cliënten voor nodig is. De minister miskent het onderscheid tussen de fase van politioneel onderzoek en een strafrechtelijke procedure en miskent de belangen van de Turkse staat bij het niet publiceren van deze stukken vóór aanhouding en verhoor. 40. Eiser betwist verder dat hij geen persoonlijke problemen heeft gehad – en dat hij door de Turkse autoriteiten niet in de negatieve belangstelling staat vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging. De minister heeft de verschillende omstandigheden onvoldoende in samenhang beoordeeld. Eiser acht het voorts bevreemdend dat de minister stelt dat hij in de periode 2016-2022 geen aantoonbare problemen heeft gehad in Turkije. Eiser is immers per decreet van school gestuurd, welk decreet is opgenomen in zijn SGK-overzicht en te zien is bij invoering van zijn Kimlik-nummer. Eiser kreeg verder te maken met toegangsweigering bij een beurs. Voorts is in de periode daarna het zusje van eiser bevraagd naar eiser, bij het toelatingsexamen tot de universiteit. 41. Ten onrechte werpt de minister volgens eiser tegen dat er een tegenstrijdigheid zit in het relaas met betrekking tot de inval door de afdeling terrorismebestrijding op 2 januari 2023 op het adres van zijn ouders. Er is gewoon andere terminologie gebruikt om hetzelfde te zeggen. Het spreekt verder voor zich dat met ‘inval’, ‘operatie’ en ‘politiebezoek’ telkens hetzelfde wordt bedoeld; namelijk dat de politie naar de woning is gegaan om eiser daar aan te houden. De afdeling terrorismebestrijding behoort bovendien gewoon tot de politie. Eiser heeft het in zijn nader gehoor bovendien ook over politieagenten (pag. 5 en 11). Dat eiser voorts geen arrestatiebevel heeft overgelegd, kan hem niet worden tegengeworpen omdat hij in UYAP niet over deze stukken kan beschikken. 42. Wat betreft de legale uitreis voert eiser aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat dit een aanwijzing is dat eiser niet in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten. In het AAB 2023 (pag. 18) en het AAB 2025 (pag. 20) staat expliciet dat het legaal kunnen uitreizen los staat van de vraag of er een strafzaak of onderzoek tegen iemand loopt. 43. Ten aanzien van het wachten met het indienen van de asielaanvraag voert eiser aan dat hij wilde voorkomen dat Hongarije verantwoordelijk zou worden voor de asielaanvraag. Eiser heeft weinig vertrouwen in de Hongaarse autoriteiten. Zijn doel was altijd al om bescherming te vragen in Nederland. Dit kan op geen enkele wijze afbreuk doen aan de oprechtheid van de beschermingsbehoefte. Dat eiser in het Dublingehoor zijn bezwaren tegen een overdracht had kunnen uiten doet daar niet aan af, omdat het allerminst zeker is dat Nederland dan had afgezien van overdracht. Bovendien heeft de Hongaarse regering goede banden met de regering van Erdogan. Beoordeling rechtbank 44. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet deugdelijk gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig voorbereid op het standpunt heeft gesteld dat het niet geloofwaardig is dat eiser Gülenist is dan wel toegedicht Gülenist is. Zij zal dit in het hiernavolgende uiteenzetten. Geloofwaardigheid Gülenist zijn 45. De rechtbank overweegt allereerst dat onduidelijk is welke definitie de minister precies hanteert van ‘een Gülenist’. In de aangepaste motivering wordt niet langer door de minister gevolgd dat eiser Gülenist is, terwijl dit ten tijde van het alsnog genomen besluit van 28 oktober 2024 nog wel het geval was. De minister achtte in dat besluit het risicoprofiel op eiser van toepassing. Het is aldus van belang dat de minister kenbaar inzicht kan geven ten aanzien van de vraag hoe de omlijning van de groep personen die ‘Gülenist zijn’ plaatsvindt en hoe deze groep concreet afgebakend kan worden van de groep die weliswaar in het verleden wellicht enige betrokkenheid heeft gehad bij de Gülenbeweging maar die volgens de ministers begrippenkader niettemin ‘geen Gülenist zijn’ – zoals volgens de minister ook bij eiser aan de orde zou zijn. Desgevraagd heeft de minister de rechtbank geen richtsnoeren kunnen geven die bepalend zijn in dit verband. 46. De voornoemde onduidelijkheid wreekt zich in deze zaak. Eiser heeft immers verklaard dat hij sympathiseert met de Gülenbeweging en dat ook zijn moeder Gülenistisch zou zijn. Uit het dossier blijkt voorts dat het niet enkel blijft bij deze stelling van eiser, maar dat eiser in het verleden ook daadwerkelijk activiteiten heeft ontplooid die typisch zijn voor leden van de Gülenbeweging, zoals het deelnemen aan Sohbets en het onderwijs volgen op een militaire Gülenistische school. Dat eiser bijvoorbeeld geen hooggeplaatst Gülenist is (geweest), is aannemelijk, maar op basis van welke feitelijke grondslag geconcludeerd kan worden dat eiser überhaupt geen Gülenist heeft de minister niet duidelijk kunnen maken. 47. Bij het voorgaande weegt mee dat uit het AAB 2025 (pag. 45) uitdrukkelijk blijkt dat de Gülenbeweging geen strak omlijnde organisatie is, dat men niet officieel lid kan worden en geen inwijdingsritueel hoeft te ondergaan en dat – voordat deze beweging in Turkije werd verboden – een losse verzameling vormde van religieuze, educatieve en maatschappelijke instellingen. De enkele omstandigheid dat eiser in het gehoor heeft verklaard dat Atatürk een belangrijk persoon voor hem is en dat dit volgens de minister niet zou rijmen met zijn Gülenisme is op zichzelf onvoldoende zwaarwegend om geheel ongeloofwaardig te vinden dat eiser ‘Gülenist is’. Weliswaar komen het gedachtegoed van Atatürk en Gülen niet overeen maar eiser heeft in dat verband ook verklaard dat binnen de Gülenbeweging verschillende meningen voorkomen en heeft hij niet verklaard vanwege zijn denkbeelden volledig afstand genomen te hebben van de Gülenbeweging. Er is op dit punt ook niet verder doorgevraagd in het gehoor. In het licht van de eerdergenoemde diffuse organisatievorm kan de stelling van de minister dat het bevreemding wekt dat eiser heeft verklaard niet zeer religieus te zijn gelet op de – volgens de minister – religieus-conservatieve denkbeelden van de Gülenbeweging evenmin standhouden. Het komt de rechtbank voor dat het Gülenisme veeleer een pluriforme beweging is, hetgeen logischerwijs ook tot uiting zal komen in de mate van religiositeit van de aanhangers. 48. De rechtbank overweegt verder dat – naast de voornoemde onduidelijkheid met betrekking tot de afbakening van wie wel en geen Gülenist is – ook onduidelijk is gebleven op basis van welk beoordelingskader de minister onderzoekt of het geloofwaardig is dat iemand Gülenistisch is. Tijdens de zitting heeft de rechtbank aan de minister gevraagd of de rechtbank het wellicht zo moet begrijpen dat de minister in feite i

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...