Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:3097

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-02-18
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL26.14
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
9.092 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Dublin, Duitsland, 8:54 Awb, interstatelijk vertrouwensbeginsel, eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen opvolgende asielaanvraag kan indienen, niet onderbouwd dat eiser medische behandeling ondergaat, refoulement, beroep kennelijk ongegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.14 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, geboren op [geboortedatum] , van Pakistaanse nationaliteit, V-nummer: [nummer] , (gemachtigde: mr. H.A. Jeuring), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 30 december 2025 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting. 1.2. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL26.15. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. 3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit 4. De EU heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 4 november 2025 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 5 november 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Zienswijze 5. Eiser verwijst in de beroepsgronden allereerst naar hetgeen in deze procedure reeds naar voren is gebracht. De rechtbank begrijpt deze beroepsgrond zo dat de inhoud van de (aanvullende) zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. De rechtbank oordeelt dat dit onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op de (aanvullende) zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de (aanvullende) zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken. Interstatelijk vertrouwensbeginsel 6. Eiser voert aan dat ten aanzien van Duitsland niet mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zo heeft Duitsland zijn asielaanvraag afgewezen, terwijl hij niet kan terugkeren naar Pakistan wegens vrees voor discriminatie, achterstelling, mishandeling, moord en het behoren tot de Ahmadiyya-gemeenschap. Eiser is bezig met het verzamelen van documenten om nader te onderbouwen dat Duitsland zich niet aan de regels houdt. Het opnieuw indienen van een asielaanvraag zal niet leiden tot een positief resultaat, omdat ook in Duitsland zal gelden dat er sprake moet zijn van nova. Dit betekent volgens eiser dat klagen bij de Duitse autoriteiten geen enkel effect zal hebben, nu Duitsland zich op het standpunt zal stellen dat hij uitgeprocedeerd is. Daarom vreest eiser bij overdracht aan Duitsland een schending van het non-refoulementbeginsel. 6.1. De rechtbank oordeelt dat de Duitse autoriteiten met het claimakkoord in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. Dit is alleen anders als moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Duitsland systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest , waarbij een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt. In de uitspraken van 4 september 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om het vermoeden te weerleggen dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. 6.2. De rechtbank stelt voorop dat volgens rechtspraak van de Afdeling ten aanzien van Duitsland nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover hem niet nakomt. De enkele vrees die eiser heeft om uitgezet te worden is daarvoor niet voldoende. Het is in het algemeen zo dat een asielzoeker na een afwijzing van de asielaanvraag het desbetreffende land moet verlaten. Dat is in Nederland niet anders. Als eiser meent dat hij toch recht heeft op een asielvergunning, dan kan hij in Duitsland opnieuw een asielaanvraag indienen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit onmogelijk is. Mocht eiser hiermee toch problemen ervaren, dan ligt het op zijn weg om daarover de Duitse autoriteiten te benaderen. Hetzelfde geldt voor eventuele problemen met (geleverde) rechtsbijstand. Artikel 17 van de Dublinverordening 7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser toch in Nederland te behandelen. 7.1. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de door eiser aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om van de overdracht aan Duitsland af te zien vanwege een onevenredige hardheid. Voor zover eiser meent dat zijn gezondheidsproblemen een reden zijn om de asielaanvraag toch in Nederland te behandelen, oordeelt de rechtbank dat hij niet heeft onderbouwd dat hij hiervoor medische behandeling ondergaat. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat Nederland het meest aangewezen land is om hem te behandelen. De minister heeft daarom in redelijkheid kunnen afzien van toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening. Refoulement 8. Ten aanzien van eisers betoog dat hij bij overdracht aan Duitsland vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hof van 30 november 2023 en de Afdeling van 12 juni 2024 . Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor onder 6.2. is overwogen kan ten aanzien van Duitsland nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Duitsland een risico is op indirect refoulement. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Algemene wet bestuursrecht. Europese Unie. Verordening (EU) nr. 604/2013. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Nieuwe feiten en/of omstandigheden. Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dit volgt uit het Jawo-arrest van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218. ECLI:NL:RVS:2024:3455 en ECLI:NL:RVS:2024:3456. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie bijvoorbeeld de Afdelingsuitspraak van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588. Europese Hof van Justitie. ECLI:EU:C:2023:934. ECLI:NL:RVS:2024:2359.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...