Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:17922

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-02-19
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.44017
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
12.422 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Dublin Bulgarije, niet is gebleken van onzorgvuldigheid van het aanmeldgehoor, ook is met het standaardvoornemen voldoende duidelijk is uiteengezet dat, en op grond waarvan, Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag, eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in Bulgarije sprake is van ernstige tekortkomingen in de asielprocedure, waardoor niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL25.44017 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 2005, van Syrische nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. K. Ross), en de minister van Asiel en Migratie verweerder (gemachtigde: mr. A. Sarmastzada). Procesverloop Bij besluit van 11 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 23 juni 2025 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. Op 11 september 2025 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Op dezelfde datum heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening ertoe strekkende dat hij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist. Op 22 januari 2026 is het verzoek door de voorzieningenrechter toegewezen. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026. Eiser is verschenen en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig M. Driessen-Yousef in de taal Arabisch (Syrisch-Libanees). De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Overwegingen Achtergrond 1. Eiser heeft in maart 2014 Syrië verlaten en is naar Turkije gereisd. Eiser heeft Turkije op 20 juli 2024 verlaten en is toen naar Bulgarije gereisd. Daarna is eiser naar Duitsland gereisd. Eiser is op 23 juni 2025 Nederland ingereisd. Besluitvorming 2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Verweerder heeft dit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 6 augustus 2024 in Bulgarije een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft vervolgens op 30 juli 2025 de autoriteiten van Bulgarije verzocht om eisers terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, Dublinverordening . Op 4 augustus 2025 zijn de Bulgaarse autoriteiten van hiermee akkoord gegaan op grond van artikel 18, eerste lid onder c, Dublinverordening. Aanmeldgehoor 3. Eiser voert aan dat het aanmeldgehoor niet zorgvuldig is geweest en hij daardoor in zijn belangen is geschaad. Ten onrechte is er niet doorgevraagd naar eisers bezwaren. Zo is de hoormedewerker helemaal niet ingegaan op het feit dat eiser eerder al een keer is uitgezet naar Bulgarije door Roemenië, nadat hij vanuit Bulgarije was vertrokken. 3.1. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat sprake is van onzorgvuldigheid doordat verweerder onvoldoende zou hebben doorgevraagd tijdens het aanmeldgehoor. De rechtbank is het met verweerder eens dat eiser namelijk voldoende gelegenheid heeft gehad tijdens het gehoor, de correcties en aanvullingen en de zienswijze, om zijn bezwaren tegen de overdracht aan Bulgarije kenbaar te maken. De rechtbank volgt verweerder dan ook in het standpunt dat eiser niet in zijn belangen is geschaad. Standaardvoornemen 4. Verder voert eiser aan dat ten onrechte een standaardvoornemen is uitgebracht. Verweerder heeft nagelaten om concreet te vermelden welke specifieke verklaringen en omstandigheden in zijn beoordeling zijn meegenomen. 4.1. De rechtbank overweegt over het standaardvoornemen als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2023 volgt dat een standaardvoornemen aan de daartoe gestelde vereisten kan voldoen. Dat een voornemen gestandaardiseerde overwegingen bevat, betekent niet dat sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming. De rechtbank overweegt dat in het voornemen voldoende duidelijk is uiteengezet dat, en op grond waarvan, Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Aangezien het bestreden besluit uitgebreider is gemotiveerd dan het voornemen en in het bestreden besluit is ingegaan op de door eiser in het aanmeldgehoor aangevoerde omstandigheden, bestaat er geen grond voor het oordeel dat er sprake is van onzorgvuldigheid. Interstatelijk vertrouwensbeginsel 5. Eiser betoogt verder dat ten aanzien van Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hiervoor heeft eiser verwezen naar het rapport Matteo van 29 januari 2025, een artikel van Pro Asylum van 19 maart 2025, het AIDA -rapport van maart 2025, en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 11 augustus 2025 . Eiser wijst er op dat de Afdeling zich nog niet heeft uitgelaten over pagina 86 van het AIDA-rapport waaruit volgt dat de toestand van de opvangfaciliteiten sinds 2015 ieder jaar slecht wordt, dat ieder jaar weer delen van de opvang als onbruikbaar worden aangemerkt, dat de opvangcapaciteit afneemt en dat er niet voldoende financiële middelen zijn voor verbetering hiervan. Volgens eiser is klagen bij de autoriteiten in Bulgarije niet mogelijk. Eiser stelt dat verweerder in strijd met de samenwerkingsverplichting aan eiser tegenwerpt dat hij niet heeft onderbouwd dat hij van Roemenië aan Bulgarije is overgedragen. Verweerder heeft toegang tot deze informatie en had dan ook nader onderzoek kunnen doen. 5.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Bulgarije nog altijd mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 juni 2024 met betrekking tot de AIDA-rapporten over 2022 en 2023, voor zover die voor Dublinclaimanten van belang zijn, geoordeeld dat uit die rapporten niet blijkt dat verweerder ten aanzien van Bulgarije niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Daarbij heeft de Afdeling de zorgen over de pushbackpraktijken, de toegang tot en de situatie in de opvangcentra, de omstandigheden in detentiecentra en de toegang tot rechtsbijstand betrokken. Eiser heeft niet met recente informatie onderbouwd dat de beoordeling zoals in voornoemde uitspraak niet meer juist is. De verwijzing naar het AIDA-rapport van 27 maart 2025 (update 2024) leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraken van de Afdeling van 26 mei 2025 , 6 oktober 2025 , 17 november 2025 en 16 januari 2026 waarin het AIDA-rapport (update 2024) is betrokken. De Afdeling heeft in deze uitspraken bevestigd dat uit het AIDA-rapport van maart 2025 (update 2024) geen wezenlijk ander beeld blijkt van de opvangsituatie in Bulgarije voor Dublinterugkeerders, dan uit de informatie uit eerdere AIDA-rapporten (update 2023 en update 2022). Met de verwijzing naar het AIDA-rapport (update 2024) heeft eiser dus niet aannemelijk gemaakt dat in Bulgarije sprake is van ernstige tekortkomingen in de asielprocedure, waardoor niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daar komt bij dat Bulgarije het terugnameverzoek heeft geaccepteerd en hierbij garandeert dat de asielaanvraag van eiser in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen. Als eiser in Bulgarije wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag ligt het op zijn weg om hierover bij de Bulgaarse autoriteiten te klagen. Niet is gebleken dat klagen bij de Bulgaarse autoriteiten niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. Bijzondere kwetsbaarheid 6. Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat hij dient te worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar. Hij heeft last van psychische problematiek. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een stuk overgelegd van Kleur GGZ van 29 januari 2026 en een uitdraai van zijn patiëntendossier. Hieruit volgt dat sprake is van depressie en suïcidaliteit. Bij eiser is de diagnose posttraumatische stressstoornis vastgesteld. Hij krijgt momenteel medicatie, Quetiapine 12,5 mg. De benodigde behandeling psychotherapie is voor eiser niet beschikbaar in Bulgarije. Dit blijkt volgens eiser uit het AIDA-rapport maart 2025, pagina’s 60 en 108. Ook volgt uit informatie van de European Medicines Agency van 14 oktober 2025 dat er een tekort is aan het medicijn Quetiapine in Bulgarije. 6.1. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat bij eiser sprake is van een zodanig bijzondere kwetsbaarheid dat verweerder ondanks het bestaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel toch voorafgaand aan de overdracht individuele garanties moet vragen aan Bulgarije. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de stukken blijkt dat de medische klachten niet gelinkt zijn aan eisers overdracht aan Bulgarije, maar aan zijn verleden in Turkije en Syrië. Het is verder uit de aangehaalde informatie niet gebleken dat ten aanzien van Bulgarije niet langer van het uitgangspunt kan worden uitgegaan, dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en dat die ook ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. Verweerder heeft er in dit verband terecht op gewezen dat uit de informatie van de European Medicines Agency blijkt dat het tekort niet geldt voor de dosering die eiser nodig heeft. Daarnaast heeft verweerder verwezen naar zijn werkwijze, in overeenstemming met artikel 32 van de Dublinverordening, waarmee hij met toestemming van eiser medische informatie aan de Bulgaarse autoriteiten kan verzenden over de bijzondere behoeften van eiser. Artikel 17 van de Dublinverordening 7. Eiser doet voorts een beroep op de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening en stelt dat overdracht aan Bulgarije door verweerder getuigt van onevenredige hardheid. Eiser heeft in dit verband verwezen naar voornoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 26 november 2024 , waarin sprake is van een vergelijkbaar geval waarbij toepassing is gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft verklaard dat zijn voeten verwond en bloedend waren en dat hij maagklachten had in Bulgarije. Eiser heeft twaalf dagen in een gesloten opvang gezeten, waar hij soms geen eten kreeg en geen medische zorg kreeg. Zijn voeten raakten ontstoken en er kwamen wormen uit. Ook heeft eiser verklaard dat hij al een keer eerder is uitgezet naar Bulgarije door Roemenië en toen een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar opgelegd heeft gekregen. Ook heeft eiser verklaard dat hij problemen heeft met zijn reisagenten in Sofia. 7.1. Uitgaande van de terughoudende toetsing is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat in dit geval geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Bulgarije vanwege onevenredige hardheid. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij dusdanig getraumatiseerd is door hetgeen dat hem in Bulgarije is overkomen dat van hem redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat hij naar Bulgarije terugkeert. Verweerder heeft in de persoonlijke ervaringen van eiser dan ook geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier. Informatie over hoger beroep Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Zaaknummer: NL25.44018. Verordening (EU) nr. 604/2013. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2023:4348. Asylum Information Database. ECLI:NL:RBDHA:2025:15059. ECLI:NL:RVS:2024:2647. ECLI:NL:RVS:2025:2387. ECLI:NL:RVS:2025:4765. ECLI:NL:RVS:2025:5536. ECLI:NL:RVS:2026:253. ECLI:NL:RBDHA:2024:19620.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...