Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:16862

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-06-05
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL26.19277-V
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
5.108 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Verzet uitspaak: Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend, omdat geopposeerde volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag). Bij uitspraak van 11 mei 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van opposant niet-ontvankelijk verklaard. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. – DUBLIN onderzoek. Dictum: Verzet gegrond

05Kern

Materiële kern

Uitspraak verzet RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.19277-V uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [opposant] , V-nummer: [V-nummer] , opposant (gemachtigde: mr. M.A. Krikke), en de minister van Asiel en Migratie, geopposeerde. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingediend, omdat geopposeerde volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag). Bij uitspraak van 11 mei 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van opposant niet-ontvankelijk verklaard.1 Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord. Overwegingen De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft in de uitspraak van 11 mei 2026 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de rechtbank van oordeel was dat de beslistermijn ten tijde van de ingebrekestelling nog niet was verlopen. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Awb. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 11 mei 2026 niet juist was. 1. ECLI:NL:RBDHA:2026:12180. 5. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 11 mei 2026 onjuist, omdat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een Dublin-onderzoek en het daardoor gewijzigde aanvangsmoment van de beslistermijn. Gemachtigde van opposant stelt dat het in deze zaak uitsluitend ging om de vaststelling van de leeftijd van opposant en dat geopposeerde daarna geen andere handelingen heeft verricht die als Dublin-onderzoek kunnen worden beschouwd. Opposant is van mening dat de proceshandelingen van geopposeerde juist het tegendeel aantonen. 6. De rechtbank is het eens met opposant dat de rechtbank de zaak niet zonder zitting had kunnen afdoen, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat de minister heeft onderzocht of Nederland de aanvraag wel in behandeling moest nemen, waardoor de beslistermijn pas later is aangevangen. 7. Een informatieverzoek in het kader van de Dublinverordening kan verschillende doelen hebben, zoals beschreven in artikel 34, lid 1, onderdelen a tot en met c van de Dublinverordening. Onder onderdeel a valt een informatieverzoek wanneer geopposeerde onderzoekt of de Dublinverordening van toepassing is. Onder onderdeel b gaat het om een informatieverzoek dat uitsluitend dient voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Een juiste interpretatie van de Dublinverordening en het informatieverzoek is van belang, omdat dit invloed heeft op het moment waarop de verantwoordelijkheid van Nederland voor de behandeling van de aanvraag aanvangt. 8. De rechtbank moet bij de beoordeling van het beroep vaststellen of de handelingen van geopposeerde kunnen worden gezien als onderzoek naar de toepassing van de Dublinverordening. In dit geval betreft het een verzoek aan de Spaanse autoriteiten om informatie, onder meer over de leeftijd van opposant. Geopposeerde heeft daarna geen aanvullend onderzoek verricht dat duidt op toepassing van de Dublinverordening. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het niet zonder twijfel vaststaat dat de verantwoordelijkheid van Nederland later is ingegaan dan direct na ontvangst van de aanvraag. 9. Dit betekent dat opposant hierover gelijk heeft. Het verzet is dus gegrond en de uitspraak van 11 mei 2026 vervalt (artikel 8:55, lid 9, Awb). 10. De rechtbank hervat het onderzoek in de stand waarin dat zich bevond voordat de uitspraak van 11 mei 2026 werd gedaan. De zaak wordt nu verder behandeld door de rechtbank. Opposant krijgt hierover nog bericht. Voor de duidelijkheid merkt de rechtbank op dat dit nog niet direct betekent dat de rechtbank opposant gelijk zal geven in de beroepszaak. Dat moet nog beoordeeld worden. 11. De rechtbank neemt nu nog geen beslissing over de vergoeding van de proceskosten van opposant. Dit gebeurt pas in de einduitspraak over het beroep. Beslissing De rechtbank - verklaart het verzet gegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van M.H.G.P. Tober, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 05 juni 2026 Documentcode: [Documentcode] Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...