Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:10549

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2026-04-07
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL26.2282
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
21.114 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel; Syrische nationaliteit; geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade vanwege seculiere islamitische geloofsovertuiging; artikel 15c Kwalificatierichtlijn; huidige humanitaire omstandigheden in Syrië aan de hand van actuele bronnen ten onrechte niet (kenbaar) betrokken; wel individuele omstandigheden aangevoerd; artikel 3 EVRM; onvoldoende gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer geen risico loopt op ernstige schade; beroep is gegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.2282 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M. Spapens), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. D. Gigengack). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Hij heeft op 21 januari 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 9 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 1.1. De rechtbank heeft op 9 maart 2026 partijen verzocht om te reageren op de uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026 . Eiser en verweerder hebben een reactie ingediend. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Suleman als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2003. Eiser is geboren in [geboorteplaats] , Syrië, en is eind 2012 op negenjarige leeftijd met zijn ouders naar Turkije vertrokken. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Zijn familie is Soenitisch, maar eiser is het niet eens met die ideologieën. Als kind werd hij gedwongen mee te doen aan alle praktiserende onderdelen, maar naarmate hij ouder werd had hij daar met zijn ouders steeds meer discussie over. Vanaf zijn 17e lieten zijn ouders hem hierover met rust. Eiser beschouwt zichzelf wel als moslim maar hij gelooft op zijn eigen manier waarbij respect naar elkaar voorop staat. Eiser drinkt alcohol, bidt niet en vast niet tijdens de ramadan. In het AZC heeft eiser gesproken met een man die inmiddels naar Syrië is teruggekeerd. Die man ziet eiser als afvallige en heeft hem bedreigd. Eiser wordt ook door zijn familie als afvallige gezien, zijn ooms willen niets met hem te maken hebben. Eiser vreest bij terugkeer naar Syrië niet te kunnen uitkomen voor zijn eigen ideeën of eigen ideologie. Hij vreest dat hij een punt zal bereiken waarop ontdekt zal worden wie hij is, dat hij als afvallige zal worden beschouwd en dat er dan wraak op hem wordt genomen. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende geloofwaardig geachte relevante asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; seculiere islamitische geloofsovertuiging. 3.1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond . Uit de verklaringen van eiser blijkt volgens verweerder namelijk niet dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Dat eiser uit Syrië komt, is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Ook heeft verweerder eisers vrees voor problemen vanwege zijn seculiere islamitische geloofsovertuiging niet aannemelijk geacht. 3.2. Verder heeft eiser volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn loopt als hij naar Syrië terugkeert. Dat eiser naar Syrië zal moeten terugkeren is op zichzelf niet voldoende om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Volgens verweerder is er in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege persoonlijke en individuele omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. 3.3. Verweerder heeft eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser verzoekt in beroep ten eerste om de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser handhaaft zijn standpunt dat zijn wijze van godsdienst belijden niet door de huidige machthebbers en de aanwezige burgers getolereerd zal worden. Verweerder werpt ten onrechte tegen dat eiser naar gedateerde informatie heeft verwezen. Eiser heeft niet alleen naar een rapport uit 2020 verwezen, waarin staat hoe extreme moslims denken, maar ook naar het recente ambtsbericht van Syrië waarin staat dat er na de machtsovername ook sprake was van andere signalen. Extremistische opvattingen werden zowel online als offline verspreid. Eiser merkt ook op dat het niet geloofwaardig is dat mensen als president al-Sharaa en de kring rond hem, die extreme standpunten hebben, daar later ineens heel anders over denken. Verweerder ziet de patrouilles van HTS – die individuen corrigeren die flyers uitdelen om vrijheidsbeperkende maatregelen te promoten – ten onrechte als losstaand incident in plaats van een patroon. Volgens eiser gaat verweerder er ten onrechte van uit dat er in Syrië sprake is van vooruitgang. Eiser zal in Syrië worden gedwongen om mee te doen met het praktiseren van het geloof en hij zal dus altijd moeten acteren, omdat hem anders toegedicht zal worden dat hij afvallig is. Daarnaast loop eiser risico om slachtoffer te worden van ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Verweerder heeft de humanitaire omstandigheden die het gevolg zijn van het gewapende conflict niet meegewogen. Daarbij brengt eiser individuele omstandigheden naar voren als gevolg waarvan hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeuring geweld. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Herhaald en ingelast 6. De rechtbank overweegt allereerst dat door het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht, zij niet kan afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Verweerder is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van verweerder op de zienswijze volgens hem niet juist of niet toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot de bespreking van de gronden die in beroep zijn aangevoerd. Seculiere geloofsovertuiging 7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege zijn seculiere geloofsovertuiging. Eiser stelt dat hij bij terugkeer problemen krijgt met zijn familie vanwege zijn wijze van geloofsuiting. Verweerder heeft er tijdens de zitting op gewezen dat eiser in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor heeft gezegd dat hij geen contact heeft met de familie van zijn vader en ook niet met de familie van zijn moeder in Aleppo en dat eiser geen netwerk heeft om op terug te vallen. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat eiser een reëel risico loopt om bij terugkeer naar Syrië problemen met zijn familie te krijgen. Verder heeft verweerder er op gewezen dat in het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025 en van januari 2026 staat dat de geraadpleegde bronnen niet bekend waren met concrete voorbeelden van atheïsten en afvalligen van de islam die na de machtsovername problemen ondervonden , voor zover eiser bij een terugkeer vreest als afvallige te worden gezien. De huidige interim president al-Sharaa heeft beloofd zich tolerant op te stellen richting alle religieuze en etnische groepen en de grondwettelijke verklaring van 13 maart 2025 garandeert vrijheid van geloof. Verweerder heeft ook betrokken dat de HTS patrouilles heeft ingesteld om individuen die conservatieve of radicale ideologieën willen verspreiden door flyers uit te delen te corrigeren. Uit de informatie die eiser heeft ingebracht blijkt onvoldoende dat de informatie uit de hiervoor genoemde ambtsberichten niet kan worden gevolgd. 7.1. Verweerder mag van eiser verwachten dat hij zich houdt aan de sociale en culturele normen in Syrië, omdat niet is gebleken dat het uiten van zijn afvalligheid van belang is voor zijn religieuze identiteit. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij alleen met mensen in discussie zal gaan over zijn seculiere geloofsovertuiging, als hij weet dat diegene er voor open staat. Eiser heeft ook verklaard dat hij bij terugkeer zal doen alsof hij de soenitische stroming aanhangt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de manier waarop eiser uiting geeft aan zijn religieuze overtuiging terecht betrokken in zijn beoordeling of eiser bij terugkeer naar Syrië een reëel risico op ernstige schade loopt of een gegronde vrees heeft voor vervolging. Reëel risico op ernstige schade door willekeurig geweld 8. Volgens artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn bestaat ernstige schade uit ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. In het arrest X en Y van 9 november 2023 heeft het Hof uitgelegd dat dat artikel allereerst gaat over de situatie waarin de mate van geweld dermate hoog is dat kan worden aangenomen dat iemand die terugkeert, alleen al door zijn aanwezigheid in een land of gebied, een reëel risico op ernstige schade zou lopen ongeacht zijn identiteit en persoonlijke situatie. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt dan ook niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Het Hof gaat in het arrest ook in op andere situaties waarin het geweldsniveau minder hoog is en waarbij elementen die verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van een betrokkene wel relevant zijn. Het gaat dan om een ‘minder uitzonderlijke situatie’, waarbij niet alleen gekeken moet worden naar de algemene veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een betrokkene. Hoe meer een betrokkene aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico met zich brengen, hoe minder een situatie van willekeurig geweld nodig is om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. 8.1. Als gevolg van het arrest X en Y en de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 17 juli 2024 over dit arrest, is verweerder voor artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw verschillende gradaties gaan aannemen van willekeurig geweld. De drie gradaties zijn: (1) uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld (zoals hiervoor in r.o. 8 toegelicht), (2) een relatief hoger niveau van willekeurig geweld, en (3) een relatief lager niveau van willekeurig geweld. 8.2. Verweerder moet bij de beoordeling of sprake is van een situatie die valt onder artikel 15c, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking nemen. Humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, moeten als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling worden betrokken. Daarbij heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag in haar uitspraak van 23 februari 2026 geoordeeld dat het moet gaan om de huidige humanitaire omstandigheden die worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die momenteel nog actief zijn in het gewapende conflict. Verweerder moet dit in de motivering van zijn besluit betrekken. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat verweerder dit aan de hand van actuele bronnen moet beoordelen, het Algemeen Ambtsbericht van mei 2025 was vanwege de veranderlijke en onzekere situatie in Syrië onvoldoende. 9. De rechtbank stelt vast dat verweerder de huidige humanitaire omstandigheden in Syrië ten onrechte niet (kenbaar) heeft betrokken in het bestreden besluit. Verweerder verwijst daarin slechts naar het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025. Verweerder heeft in het verweerschrift van 16 maart 2026 weliswaar gewezen op het meest recente Algemeen Ambtsbericht van januari 2026 en erop gewezen dat ook dit ambtsbericht bevestigt dat in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, maar heeft ook hierin geen beoordeling van de huidige humanitaire omstandigheden gemaakt aan de hand van actuele bronnen, zoals bedoeld in voormelde uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026. Dit betekent dat het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet goed is gemotiveerd. 9.1. De rechtbank overweegt verder dat tussen partijen niet in geschil is dat in Syrië geen sprake is van een situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op ernstige schade. Zoals hiervoor is overwogen neemt verweerder voor heel Syrië aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Daarbij moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een eiser. 9.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser geen individuele omstandigheden heeft aangevoerd. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij tot 2012 in Aleppo heeft gewoond en daarna 13 jaar in Turkije heeft gewoond en dat hij niet meer terug naar Syrië is geweest. Hij stelt daarom een hoger risico te lopen, omdat het voor hem erg lastig is een inschatting te maken waar hij zich kan verplaatsen zonder verwikkeld te raken in gewelddadigheden. Daarbij komt dat, zoals tijdens de zitting is besproken, eiser geen contact heeft met zijn familie in Syrië. Verweerder had dit in zijn besluit moeten betrekken en heeft ten onrechte in het verweerschrift van 16 maart 2026 het standpunt ingenomen dat eiser geen individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht. Ook kon verweerder niet volstaan met de op zitting ingenomen stelling dat van eiser als volwassen man verwacht mag worden dat hij zich in Syrië kan handhaven. Op voorhand valt namelijk niet uit te sluiten dat de lange afwezigheid van eiser uit Syrië en de omstandigheid dat hij niet op zijn familie ter plaatse kan terugvallen als risico verhogende omstandigheid kan worden aangemerkt en verweerder zal dit dan ook in zijn beoordeling moeten betrekken. Dit betekent dat het besluit ook op dit punt onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet goed is gemotiveerd. Artikel 3 van het EVRM 10. In het arrest Sufi en Elmi heeft het EHRM onderscheid gemaakt tussen humanitaire omstandigheden die enerzijds in overwegende mate zijn ontstaan als gevolg van een gewapend conflict en anderzijds humanitaire omstandigheden die veroorzaakt zijn door armoede en natuurrampen. Als de humanitaire crisis in overwegende mate veroorzaakt is door de strijdende partijen, moet gekeken worden naar eisers ‘ability to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.’ Als blijkt dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate is of wordt veroorzaakt door de strijdende partijen, dan wordt artikel 3 van het EVRM slechts geschonden als sprake is van ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Verweerder is gehouden om de actuele humanitaire situatie in Syrië in zijn beoordeling te betrekken en moet zo nodig in het kader van de samenwerkingsverplichting met de vreemdeling samenwerken om alle feiten te verzamelen. Verweerder had informatie over de actuele humanitaire situatie, anders dan ter zitting is gesteld, ambtshalve moeten betrekken in zijn beoordeling of terugkeer naar Syrië voor eiser strijd oplevert met artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit en de aanvullende motivering – in reactie op het verzoek van de rechtbank om in te gaan op de uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026 – echter niet inzichtelijk beoordeeld. Daarbij stelt de rechtbank vast dat eiser, anders dan verweerder in het verweerschrift stelt, al bij de zienswijze twee brieven van Vluchtelingenwerk heeft overgelegd over de humanitaire situatie in Syrië. De rechtbank volgt verweerder dus ook niet in het standpunt ter zitting, dat er pas twee dagen voor de zitting een beroep is gedaan op humanitaire omstandigheden in Syrië. Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vraag of eiser bij terugkeer te maken krijgt met een situatie als bedoeld in het arrest Sufi en Elmi in dit geval niet aan de orde is omdat eiser dit niet heeft aangevoerd. Het bestreden besluit kan op dit punt geen stand houden. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank wijst hierbij nogmaals op de overwegingen 9, 9.2 en 10. 12. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakt proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.868,-. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 9 januari 2026; draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een totaalbedrag van €1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming. Algemeen Ambtsbericht Syrië 2025, p. 101 en Algemeen Ambtsbericht Syrië 2026, p. 107. Algemeen Ambtsbericht Syrië 2025, p. 91. Nader gehoor, p. 12. Nader gehoor, p. 13. Uitspraak van het Hof van Justitie van de EU (het Hof) van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843, punten 40 en 41. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927. Uitspraak van het Hof van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (CF en DN), punten 40 en 45. Uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, r.o. 4.2. Zie noot 1, r.o. 7.3. Zoals volgt uit het arrest X en Y, zie noot 9. Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk). Arrest Sufi en Elmi, punt 283. Arrest Sufi en Elmi, punt 280. Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...