Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:8287

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-05-09
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.20134
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
3.880 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Vervolgberoep bewaringsmaatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, opvolgende asielaanvraag, artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vreemdelingenbesluit 2000, geen rechtmatig verblijf.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.20134 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft op 10 januari 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het vooronderzoek is gesloten op 8 mei 2025. Overwegingen Inleiding 1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 22 april 2025 (in de zaak NL25.16046) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 16 april 2025) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 16 april 2025. Omzetting van de maatregel 2. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring te laat is omgezet. Eiser heeft een herhaalde asielaanvraag ingediend, waarna verweerder de bewaringsmaatregel had moeten omzetten. Nu verweerder dit heeft nagelaten heeft de maatregel van bewaring onrechtmatig voortgeduurd. 3. De rechtbank overweegt als volgt. Eisers asielaanvraag is op 15 december 2023 afgewezen als ongegrond. Uit het voortgangsrapport (de M120) volgt dat eiser op 29 april 2025 heeft aangegeven nogmaals een asielaanvraag te willen indienen. Op 30 april 2025 is er beslist op deze aanvraag en is besloten dat uitzetting niet achterwege blijft op grond van artikel 3.1, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Uit het dossier in de zaak met nummer NL25.19470 blijkt verder dat verweerder in het besluit van 30 april 2025 heeft besloten dat eisers uitzetting niet achterwege blijft omdat de opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder d, van de Vw (in samenhang met artikel 3.1, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb). Dit besluit heeft tot gevolg dat de indiening van de opvolgende asielaanvraag op 29 april 2025 niet heeft geleid tot rechtmatig verblijf. Een wijziging van de grondslag van de maatregel van bewaring was dan ook niet nodig. De beroepsgrond slaagt niet. Ambtshalve toetsing 4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest. Conclusie 5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...