ECLI:NL:RBDHA:2025:7967
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-02-27
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Pakistan - onbevoegd genomen besluit - geloofwaardigheidsbeoordeling - reel risico op ernstige schade - ongegrond - proceskostenveroordeling
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL24.41355 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. T. Thissen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: J.E. Herlaar). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Hij heeft op 4 maart 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 1 oktober 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Parvez als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat de zaak over? 2. Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1998. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vanwege zijn werk bij de Rangers van 2018 of 2019 tot 2022 is aangevallen door de sjiieten. Vanwege het slechte imago van de Rangers zou eiser twee keer zijn aangevallen. Bij terugkeer vreest eiser dat hij op de luchthaven door de FIA zal worden ondervraagd en zal worden gemarteld. Ook vreest hij dat hij opnieuw door de sjiieten zal worden aangevallen. Het asielrelaas van de eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; de aanval op eiser in mei 2022 vanwege zijn werkzaamheden bij de Rangers; de aanval op het gebedshuis waarbij eiser is geraakt door een mes. 3. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Ook heeft verweerder de aanval op het gebedshuis waarbij eiser is geraakt door een mes geloofwaardig gevonden. Verweerder heeft daarentegen de aanval op eiser in mei 2022 vanwege zijn werkzaamheden bij de Rangers niet geloofwaardig gevonden. Hierbij is volgens verweerder onder meer van belang dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de aanvallers hem hebben kunnen herkennen als Ranger. Zo droeg eiser geen uniform ten tijde van de aanval. Ook heeft eiser onverschoonbaar geen aangifte gedaan, wat afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de aanval. Verder zijn de verklaringen van eiser over de aanval summier en onvoldoende onderbouwd en heeft eiser wisselend verklaard over het aantal aanvallen. Op grond van de geloofwaardige elementen kan eiser volgens verweerder niet als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag worden aangemerkt. Ook zijn deze elementen onvoldoende zwaarwegend om aan te nemen dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert - kort samengevat - het volgende aan. Het bestreden besluit is in de eerste plaats niet genomen door de bevoegde bewindspersoon nu de minister van Asiel en Migratie sinds 2 juli 2024 bevoegd is om te beslissen op asielaanvragen en het bestreden besluit genomen is door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. In de tweede plaats berust het bestreden besluit niet op een daadkrachtige motivering. Hier ligt onder andere het volgende aan ten grondslag. In mei 2022 werd eiser werd wel degelijk aangevallen, omdat hij een Ranger is. Verweerder mag eiser niet tegenwerpen dat deze tijdens de aanval zijn uniform niet droeg. De aanval kan namelijk voorbereid zijn. Verder mag verweerder eiser niet tegenwerpen dat hij geen aangifte heeft gedaan. Eiser loopt namelijk het risico om te beschuldigd te worden van blasfemie. Daarnaast komt eiser van het platteland en is toegang tot rechtsbescherming moeilijk en een kwestie van geld. Ten aanzien van het reële risico op ernstige schade heeft verweerder ook niet goed onderbouwd waarom de aanvallers bij de tweede aanval op het gebedshuis niet dezelfde aanvallers zouden zijn als bij de eerste aanval. Daarbij laat verweerder specifiek na om te reageren op de zienswijze van eiser. Tot slot heeft eiser te vrezen voor de FIA. Verweerder heeft enkel rekening gehouden met de landeninformatie en niet met het feit dat eiser beschikt over gevoelig militaire informatie. Wat is het oordeel van de rechtbank? Onbevoegd genomen besluit 5. De rechtbank is bekend met het feit dat de bevoegde beslissingsautoriteit in het Nederlandse vreemdelingenrecht met ingang van 2 juli 2024 is gewijzigd. Dit is nu de minister van Asiel en Migratie. De feitelijke bevoegdheid tot het nemen van een besluit op een asielaanvraag is neergelegd in het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid, het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Mandaatbesluit IND Ministerie van Justitie en Veiligheid 2022. Daarin is per 2 juli 2024 (kort gezegd) geen verandering gekomen. Hieruit volgt dat bepaalde ambtenaren van de IND bevoegd waren en zijn om het bestreden besluit te nemen en te ondertekenen namens de minister van Asiel en Migratie. Door eiser is niet bestreden dat het besluit is genomen door een daartoe bevoegde ambtenaar. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en dus namens de verkeerde bewindspersoon is ondertekend. De rechtbank merkt dit aan als een vormgebrek in de zin van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en passeert dit gebrek met toepassing van dit artikel, omdat gesteld noch gebleken is dat eiser door het gebrek is benadeeld. Vanwege dit gebrek en omdat eiser dit als beroepsgrond heeft aangevoerd, zal de rechtbank wel een proceskostenveroordeling uitspreken. Geloofwaardigheidsbeoordeling 6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de problemen van eiser vanwege zijn werkzaamheden bij de Rangers niet geloofwaardig heeft mogen vinden. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de aanvallers hem hebben kunnen herkennen. Verweerder mocht hierbij terugvallen op de verklaring van eiser dat hij geen uniform droeg toen hij reisde van zijn huis naar de stad. Daarbij mocht verweerder ervan uitgaan dat eisers werk als Ranger niet breed bekend was in het dorp. De stelling van eiser dat de motivering van verweerder is gebaseerd op aannames volgt de rechtbank niet. De rechtbank overweegt hierbij dat verweerder zijn motivering heeft gebaseerd op hetgeen eiser zelf tijdens het nader gehoor heeft verklaard. Verder heeft verweerder ook kunnen concluderen dat het ontbreken van een aangifte afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de aanval. Weliswaar wordt uit het ambtsbericht van 23 juli 2024 duidelijk dat ook de soennieten kans lopen op blasfemie aanklachten, eiser heeft – los van het voorgenoemde ambtsbericht – niet onderbouwd waarom hij hier problemen van zou ondervinden. Verweerder heeft hierbij niet ten onrechte betrokken dat eiser zelf werkzaam was als Ranger, wat betekent dat hij voor dezelfde overheid werkt als de politie. Niet wordt ingezien waarom de aangifte van eiser niet in behandeling zou worden genomen. 7. Het betoog van eiser dat verweerder niet benoemt wat eiser heeft weggelaten ten aanzien van de verklaring van het uiterlijk van de aanvallers, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft in het nader gehoor namelijk niet gezegd dat er geen sprake was van bijzondere kenmerken, maar dat hij de specifieke kenmerken niet weet. Verweerder heeft van eiser mogen verwachten dat hij meer kan verklaren over de gebeurtenis aangezien het de kern van zijn relaas raakt. De stelling van eiser dat verweerder hem niet mocht tegenwerpen dat zijn verklaringen wisselend zijn, volgt de rechtbank gelet op het voorgaande niet. Nu verweerder het voorgaande ongeloofwaardig heeft mogen vinden, heeft verweerder de wisselende verklaringen over de aanvallen ook kunnen betrekken. Reëel risico op ernstige schade 8. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder terecht heeft concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege de aanval op het gebedshuis waarbij hij geraakt door een mes een reëel risico loopt op vervolging. De rechtbank overweegt hierbij als volgt. 8.1. De stelling van eiser dat hij bang was om afgewezen te worden en daarom met behulp van IOM wilde terugkeren zodat hij langs de FIA geleid kon worden, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft namelijk in het nader gehoor verklaard dat hij terug wilde keren naar Pakistan vanwege de gezondheidssituatie van zijn moeder. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het feit dat eiser de opties tot terugkeer wilde ontdekken, afbreuk doet aan zijn gestelde vrees om terug te keren naar Pakistan 8.2. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanval bij het gebedshuis niet persoonlijk gericht was op eiser. Niet is gebleken dat de aanvallers specifiek op zoek waren naar eiser. Ook heeft eiser op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de aanval op hem gericht was, of te maken had met zijn werk bij de Rangers. Eiser heeft namelijk zelf verklaard dat er geen concrete aanwijzingen zijn om aan te tonen dat hij is aangevallen door dezelfde mannen. Ook heeft hij niet verklaard over concrete aanwijzingen die kunnen bevestigen dat de aanvallers sjiieten waren. Een enkel vermoeden kan niet leiden tot een reëel risico op ernstige vrees. 8.3. Tot slot heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het ambtsbericht van 23 juli 2024 niet specifiek betrekking heeft op eiser, aangezien eiser het grondgebied niet met vervalste of frauduleus verkregen documenten heeft verlaten. Ook wordt eiser niet verdacht of beschuldigd van strafbare feiten. Daarbij heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser bij terugkeer naar Pakistan in de bijzondere negatieve belangstelling van de autoriteiten, in het bijzonder de FIA, staat. Eiser heeft Pakistan immers niet verlaten vanwege problemen met de autoriteiten en niet is gebleken dat eiser beschuldigd zal worden van het lekken van staatsgeheimen. Conclusie en gevolgen 9. Verweerder heeft de aanvraag op goede gronden afgewezen als ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. 10. Vanwege het constateerde gebrek ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1814,-. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Federal Investigation Agency (FIA) Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zie artikelen 2 en 3 van het Mandaatbesluit Ministerie van Justitie en Veiligheid (Staatscourant 62274, 7 november 2018). Zie artikel 1, aanhef en onder h, van het Mandaatbesluit hoofden taakorganisaties Ministerie van Justitie en Veiligheid (Staatscourant 71090, 18 december 2018). Zie artikel 1, aanhef en onder d, gelezen in samenhang met artikel 4 en bijlage 1 van het Mandaatbesluit IND Ministerie van Justitie en Veiligheid 2022 (Staatscourant 7 maart 2022, 6512). Zie artikel 1 van de Regeling voortzetting mandaat, volmacht en machtiging beleidsterreinen Justitie en Veiligheid en Asiel en Migratie (Staatscourant 23190, 12 juli 2024). Immigratie- en Naturalisatiedienst. Zie in dat kader ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9593. 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...