ECLI:NL:RBDHA:2025:28016
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-10-20
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
asiel. beroep ongegrond. pakistaanse nationaliteit. problemen vanwege religie en uitgesproken fatwa ongeloofwaardig.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.38993 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. T. Thissen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. M. Latul). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. 1.1. Eiser heeft op 16 juli 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 12 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F. Hussain als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1993. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij en zijn broer problemen kregen nadat eiser een poster met daarop een Arabische tekst die op hun huis was geplakt eraf heeft gehaald en hierbij is een scheurtje ontstaan in de poster. Als gevolg hiervan is er een fatwa over eiser uitgesproken en heeft hij Pakistan moeten verlaten. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: eisers identiteit, nationaliteit en herkomst; en eisers problemen vanwege zijn religie en de uitgesproken Fatwa. 3.1. Verweerder vindt het eerste asielmotief geloofwaardig. Ten aanzien van het tweede asielmotief vindt het feit dat eiser christen is wel geloofwaardig, maar wordt ongeloofwaardig bevonden dat er over hem een fatwa is uitgesproken. Eiser heeft geen objectieve documenten overgelegd ter onderbouwing van dit asielmotief. Verweerder heeft daarom getoetst of eiser dit asielmotief op een andere wijze aannemelijk heeft gemaakt, maar dit is niet het geval. Eiser heeft volgens verweerder niet samenhangend en aannemelijk verklaard. Dat eiser uit Pakistan komt en christen is, is onvoldoende om aan te nemen dat hij een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Pakistan een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser komt vanwege het voorgaande niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser voert aan dat in de bestreden beschikking onvoldoende wordt ingegaan op de zienswijze, waardoor geen sprake is van een draagkrachtige motivering. Eiser kan niet volgen dat verweerder geen onderzoek heeft verricht naar de overgelegde fatwa, nu in een vergelijkbare zaak verweerder dat wel heeft gedaan. Ook is verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank waar van belang werd geacht dat de inhoud van de fatwa overeenkwam met de verklaringen van de vreemdeling, zoals ook hier het geval is. Ook vindt eiser dat verweerder gebrekkig heeft gemotiveerd waarom niet wordt ingezien dat hij de poster van het huis heeft gehaald. Dat hij de fatwa niet eerder heeft gelezen en geen online onderzoek daarnaar heeft gedaan, komt voort uit de omstandigheid dat men negatieve persoonlijke berichten liever niet leest. Ten slotte voert eiser aan dat hij niet tegenstrijdig heeft verklaard over de veiligheid van zijn ouders in [plaats]. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen. 6. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Met de enkele stelling dat dit niet zo is, heeft eiser onvoldoende uiteengezet op welke punten het bestreden besluit volgens hem onjuist of onvolledig is en waarom. Dit kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot bespreking van de gronden die in beroep zijn aangevoerd. Mocht verweerder het tweede asielmotief deels ongeloofwaardig vinden? 7. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder het ongeloofwaardig vinden dat eiser een poster met Arabische teksten van zijn muur heeft afgescheurd. Verweerder mocht hierbij betrekken dat eiser hoogopgeleid is en van hem verwacht mag worden dat hij zich bewust is van het feit dat het scheuren van een Arabische tekst zeer gevaarlijk is en ernstige juridische en sociale gevolgen kan hebben. Zowel eiser als verweerder hebben aangegeven bekend te zijn met verschillende lynchpartijen en blasfemie incidenten met dodelijke afloop die door een dergelijk vergrijp in Pakistan hebben plaatsgevonden. Dat eiser dit ook nog eens heeft gedaan in het bijzijn van de jongens die de poster hebben opgehangen kan dan ook niet worden gevolgd. Eisers stelling dat hij bewust voor dit moment heeft gekozen omdat de lijm nog niet hard was, doet aan het voorgaande niet af. 7.1. Verweerder mocht het daarom ook ongeloofwaardig vinden dat er een fatwa over hem is uitgesproken. Daarbij is tevens van belang dat eiser enkel een kopie van de fatwa heeft overgelegd. In eerste instantie heeft verweerder aangegeven dat het doen van onderzoek naar dit document geen meerwaarde heeft. Daarbij heeft verweerder betrokken dat uit het Algemeen Ambtsbericht blijkt dat de meeste papieren fatwa’s nep zijn. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de kopie alsnog is voorgelegd aan Bureau Documenten. Die heeft geconcludeerd dat het inderdaad niet mogelijk is om onderzoek te doen naar het document, omdat er onvoldoende vergelijkingsmateriaal is en omdat de kwaliteit van het document onvoldoende is. Weliswaar heeft verweerder hier geen rapport van overgelegd, maar de rechtbank heeft geen aanknopingspunten om hieraan te twijfelen. Daarbij is van belang dat gemachtigde ter zitting heeft aangegeven dat bij de uitspraak waar hij naar heeft verwezen in de beroepsgronden het om dezelfde reden ook niet mogelijk was om de fatwa op echtheid te onderzoeken. 7.2. Ook heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiser niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard ten aanzien van de uitgesproken fatwa. Verweerder mocht hierbij betrekken dat het bevreemdend is dat eiser weinig interesse had in de fatwa, nu dit de reden is dat hij is gevlucht uit zijn land van herkomst. Zo heeft hij verklaard dat hij niet nieuwsgierig was naar wat er in de fatwa stond omdat het om een doodsbedreiging zou gaan en wilde hij dit negatieve nieuws niet onder ogen komen. Eiser zou pas nadat de IND hem daarom had gevraagd, zijn vader hebben gevraagd een foto van de fatwa op te sturen. Verweerder heeft dit alles bevreemdend kunnen vinden, helemaal nu eiser heeft aangegeven wel al op de hoogte te zijn van de inhoud van de fatwa. 7.3. Verder mocht verweerder hierbij betrekken dat het vreemd is dat eiser geen online onderzoek heeft gedaan naar de fatwa of de problemen die zijn ontstaan rondom hem. De niet onderbouwde stelling van eiser dat dergelijke fatwa’s niet online komen , laat onverlet dat eiser heeft nagelaten te onderzoeken of er online iets te vinden was over het incident en bijvoorbeeld over de menigte die bij elkaar zou zijn gekomen nadat de fatwa was uitgesproken door de moskeeën in zijn wijk. Daarbij heeft eiser in zijn gehoor verklaard dat het wel mogelijk is dat fatwa’s op bepaalde websites worden geplaatst. Dat eiser in zijn geheel niet online heeft gekeken of er daar wat over hem en zijn broer werd gezegd, en hij hiervoor ook geen interesse lijkt te hebben, heeft verweerder ongerijmd mogen vinden. 7.4. Gelet op het voorgaande heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over zijn problemen met zijn religie en uitgesproken fatwa. De stelling van eiser dat de inhoud van de kopie van de fatwa overeenkomt met de verklaringen van eiser doet aan al het voorgaande niet af. De verwijzing naar de uitspraak zoals vermeld in voetnoot 5 leidt dan ook niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft het asielmotief dan ook deels ongeloofwaardig mogen vinden. De beroepsgronden slagen niet. 8. Niet is aannemelijk gemaakt dat eiser als vluchteling kan worden aangemerkt en dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Pakistan. Dat eiser christen is en dat christenen zijn aangewezen als risicoprofiel doet aan het voorgaande niet af, nu de verklaringen van eiser over zijn problemen ongeloofwaardig zijn bevonden. Hij komt dan ook niet in aanmerking voor een vergunning op basis van zijn aangevoerde problemen met betrekking tot zijn religie. Verweerder heeft daarom de asielaanvraag af kunnen wijzen. Conclusie en gevolgen 9. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. De rechtbank is daarom van oordeel het beroep ongegrond is. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. 10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.L. Maats, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) Het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76). Zie ook artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw. Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. ECLI:NL:RBDHA:2025:3473 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2169, r.o. 3. Algemeen Ambtsbericht Pakistan p. 104 Verslag nader gehoor, p. 14. Verslag nader gehoor, p. 13. Verslag nader gehoor, p. 17. Verslag nader gehoor, p. 17. Zie C7/27.3.2 Vreemdelingencirculaire
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...