ECLI:NL:RBDHA:2025:27917
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-12-18
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asielaanvraag; gestelde problemen ongeloofwaardig; verweerder heeft onvoldoende gedragen gemotiveerd waarom uitingen van afvalligheid niet de drempel van een wezenlijk onderdeel van de religieuze identiteit niet halen; onvoldoende gemotiveerd waarom terughoudendheid bij de grens verwacht mag worden; politieke activiteiten bij terugkeer onvoldoende betrokken; motiveringsgebrek (art. 3:46 Awb); beroep gegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.30555 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J. Amakodo). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 9 maart 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 juni 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond . 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F. Flippo als tolk en de gemachtigde van verweerder. De zaak van de echtgenote van eiser (zaaknummer NL25.30554) is op dezelfde zitting behandeld. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1990 en heeft de Iraanse nationaliteit. Hij heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft vanaf 2009 meerdere keren meegedaan aan demonstraties vanwege de omstandigheden in Iran. In 2022 heeft eiser samen met zijn echtgenote deelgenomen aan de protesten na de dood van [naam] waarbij eiser zelf ook heeft opgeroepen tot protest, foto’s heeft gemaakt en videobeelden heeft opgenomen. Ook heeft eiser zich begeven onder de Sepah en de Basij om beeldmateriaal te verzamelen wat hij naar verschillende (internationale) media stuurde. Daarnaast heeft eiser tijdens één van de protestdagen een meisje gered door een agent met zijn helm te slaan, waarna eiser met wapens werd mishandeld. Hij heeft met behulp van omstanders uit de groep weg kunnen komen en is zwaar gewond naar vrienden gevlucht. Na zijn revalidatie en een reis met zijn echtgenote werd hij voor het disciplinaire comité van zijn werkgever geroepen, omdat men voornemens was hem te ontslaan vanwege zijn politieke activiteiten. Eiser is een korte tijd later met zijn echtgenote op vakantie gegaan naar Nederland. Tijdens zijn vakantie hebben de Iraanse autoriteiten op 8 maart 2023 een inval in zijn huis gedaan en zijn apparatuur met beeldmateriaal in beslag genomen. Daar komt bij dat eiser zich, hoewel hij al langer niet meer praktiseerde, sinds 2022 tegen de islam heeft gekeerd en zodoende afvallig is. Bij terugkeer vreest eiser gevangen genomen te worden door de Iraanse autoriteiten of erger. Het bestreden besluit 3. Verweerder heeft drie asielmotieven uit het asielrelaas van eiser herleid. Zijn identiteit, nationaliteit en herkomst zijn geloofwaardig. Zo ook zijn afwending van de islam. Daarbij worden zijn politieke activiteiten en dat eiser voor een disciplinair comité moest verschijnen wel geloofd, maar niet de problemen die hij naar aanleiding daarvan met de autoriteiten zegt te hebben. Verweerder werpt eiser in dit verband tegen dat zijn verklaringen geen aannemelijk en samenhangend geheel vormen. Verder is eiser geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder acht daarbij van belang dat hoewel eisers afvalligheid wordt geloofd, uit zijn verklaringen niet is gebleken dat hij vanwege zijn afvalligheid een gegronde vrees voor vervolging heeft. Ook over zijn politieke activiteiten is niet gebleken dat eiser in de negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten staat. Daarnaast is niet gebleken van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM . Tot slot wordt eiser een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Verweerder heeft gelet op de in de zienswijze ingebrachte informatie onvoldoende gemotiveerd waarom eiser door zijn afvalligheid geen vrees voor vervolging zou hebben. Ook ten aanzien van de geloofwaardig bevonden politieke activiteiten van eiser in Iran en in Nederland heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de informatie uit de zienswijze tot de conclusie leidt dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Daarbij kan verweerder gezien de werkinstructie (WI) 2022/3 en relevante jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geen terughoudendheid van eiser verwachten ten aanzien van zijn afvalligheid om vervolging te voorkomen. Verder is het aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Iran, mede gezien hij nu ruim drie jaar in Nederland verblijft, aan de grens problemen kan verwachten. Hierbij is niet gebleken dat verweerder beschikbare informatie bij de beoordeling hiervan heeft betrokken. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank stelt vast dat de afvalligheid van eiser, tezamen met zijn politieke overtuiging en activiteiten, worden geloofd. Ook staat niet ter discussie dat eiser vanwege zijn politieke activiteiten onder een risicoprofiel valt. De gronden van eiser strekken zich dan ook primair tot de vraag of er als gevolg van de geloofwaardig bevonden asielmotieven sprake is van een gegronde vrees op vervolging. Afvalligheid 6. WI 2022/3 beschrijft de werkwijze van verweerder voor het beoordelen van bekering en afvalligheid van vreemdelingen als asielmotief. Onderdeel hiervan is het in kaart brengen van de uiting van de afvalligheid in het land van herkomst, in Nederland en in de toekomst, en wat het belang hiervan is voor de persoon zelf. Daarnaast wordt in WI 2022/3 een onderscheid gemaakt tussen – kort gezegd – afvalligheid als gevolg van desinteresse in het geloof en afvalligheid als gevolg van een afwending van het geloof met sterke ideeën daarover wat gezien kan worden als een wezenlijk onderdeel van de religieuze identiteit . Zo kan van iemand die uit desinteresse afvallig is en zich in het land van herkomst altijd heeft geconformeerd aan de heersende religie, eerder terughoudendheid worden verwacht bij terugkeer. 6.1. Eiser heeft aangevoerd dat van hem geen terughoudendheid verwacht mag worden en dat verweerder zijn uitingen van afvalligheid als wezenlijk onderdeel van zijn religieuze identiteit onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken, ook gelet op hoe hij zich nu in Nederland uit. Hiertoe heeft eiser gewezen op zijn eigen verklaringen en de bij zijn zienswijze ingebrachte verklaringen van derden, die hij in heeft gebracht om aan te tonen dat zijn afvalligheid een wezenlijk onderdeel van zijn leven is. Zo volgt eiser geen islamitische rituelen, drinkt hij alcohol, praat hij negatief over de islam en de regelgeving die dat geloof oplegt en heeft hij vrienden en kennissen uit de LHBTI+-gemeenschap. 6.2. Verweerder heeft in het bestreden besluit tegengeworpen dat het niet meer praktiseren van de islam op zichzelf past binnen de huidige seculariseringstendens en eiser geen zwaarwegende problemen hierdoor heeft gehad en dit ook niet te verwachten valt. Dat eiser eerder eens is opgepakt wegens alcoholbezit rond 2016/2017, waarbij eiser met steekpenningen een veroordeling heeft kunnen voorkomen, ziet verweerder niet als een probleem vanwege eisers uiting als afvallige op zichzelf. Daarbij is het dossier volgens zijn verklaring vernietigd en betreft het geen recente gebeurtenis. Daarnaast heeft eiser ook in Iran discussies met mensen gehad over zijn afvalligheid zonder problemen en is hij in Nederland niet actief bezig met het overtuigen van mensen om zich van de islam af te wenden. Bovendien was zijn afvalligheid niet de aanleiding van zijn vertrek uit Iran. Verweerder vindt het daarom niet aannemelijk dat eiser zijn afvalligheid bij terugkeer actief zal uiten op een manier die hem problemen oplevert. Van eiser mag, nu het geen wezenlijk onderdeel van zijn religieuze identiteit is, enige terughoudendheid worden verwacht. 6.3. De rechtbank is van oordeel dat de motivering van verweerder in deze tekortschiet. Zo heeft verweerder de verklaringen van derden niet kenbaar in deze context bij zijn beoordeling betrokken en enkel aangegeven dat dit over reeds geloofwaardig bevonden onderdelen gaat. Ook is niet gebleken dat verweerder hierbij eisers verklaringen heeft betrokken over dat het hem een vreselijk gevoel zou geven om zich aan de islamitische regels te moeten conformeren, dat het zijn trots beschadigt om zich niet te kunnen uiten en dat hij ondanks acht jaar huwelijk zijn kinderwens heeft onderdrukt omdat hij geen kinderen wilde die gedwongen moslim moeten worden . Waarom dergelijke omstandigheden niet uit meer voortkomt dan enkel desinteresse in de islam, volgt niet uit het bestreden besluit. Ook ter zitting heeft verweerder geen voorbeelden kunnen geven van uitingen die wel de drempel van een wezenlijk onderdeel van de religieuze identiteit halen en is niet duidelijk gebleken waarom eiser die drempel niet haalt. Te meer zo nu een en ander voortkomt uit de afkeer van eiser tegen de islam en het Iraanse regime. Voor zover verweerder in het geval van eiser er ter zitting op heeft willen wijzen dat zijn uiting van afvalligheid in Nederland niet wezenlijk afwijkt van zijn uitingen in Iran, wordt dit door de rechtbank niet gevolgd nu hieruit, nog los van de vraag of deze inderdaad niet wezenlijk van elkaar afwijken, niet blijkt dat dit tot de conclusie moet leiden dat deze uitingen geen wezenlijk onderdeel van zijn religieuze identiteit zijn. 6.4. De rechtbank overweegt voorts dat uit het algemeen ambtsbericht inderdaad volgt dat niet iedere Iraanse burger wordt ondervraagd bij terugkeer zoals door verweerder op gewezen, maar uit datzelfde ambtsbericht volgt ook dat het risico dat iemand bij aankomst wordt ondervraagd groot is als diegene lang in het buitenland heeft verbleven. Dat eiser in het verleden niet eerder is ondervraagd bij terugkeer naar Iran doet hier niets aan af, nu dat ging om enkele korte bezoeken in het buitenland. Thans is eiser al drie jaar in Nederland. 6.5. Verweerder heeft op grond van het voorgaande ook onvoldoende gemotiveerd dat van eiser terughoudendheid verwacht kan worden bij de grens indien hij bij terugkeer ondervraagd wordt, dan wel in hoeverre van eiser verwacht mag worden dat hij zich terughoudend opstelt binnen de Iraanse samenleving. Politieke activiteiten 7. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder het bestreden besluit ook voor wat betreft de politieke activiteiten onvoldoende heeft gemotiveerd. Verweerder heeft namelijk aangenomen dat eiser een politieke overtuiging heeft, maar vervolgens bij de zwaarwegendheidstoets niet betrokken in welke mate eiser zijn politieke overtuiging bij terugkeer zal uiten. Verweerder heeft alleen gekeken naar hoe eiser zijn politieke overtuiging in het verleden en in Nederland heeft geuit en geconcludeerd dat hij daar geen problemen door heeft ondervonden. Ook hier heeft verweerder de verklaringen van derden niet kenbaar in deze context bij zijn beoordeling betrokken en enkel aangegeven dat dit over reeds geloofwaardig bevonden onderdelen gaat. In het nieuw te nemen besluit zal verweerder dan ook moeten betrekken hoe eiser zijn politieke activiteiten in Iran wenst te uiten en daarbij moeten ingaan op wat de risico’s voor eiser zijn in dat geval. Dat niet is gebleken dat eiser tot op heden niet in de negatieve aandacht staat van de Iraanse autoriteiten in verband met zijn politieke activiteiten is daarvoor onvoldoende. 7.1. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Vanwege de aard van het gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, een bestuurlijke lus toe te passen of om zelf in de zaak te voorzien. 7.2. Nu de rechtbank voldoende reden ziet om het bestreden besluit te vernietigen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de overige gronden, voor zover aangevoerd, te behandelen. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op de aard van het gebrek geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. 8.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. 8.2. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Omdat het beroep van eiser samenhang heeft met het beroep van zijn echtgenote (zaaknummer NL25.30554) en daar al een punt is toegekend voor de zitting, kent de rechtbank in de zaak van eiser geen punt toe voor de zitting. Wel kent de rechtbank een punt toe voor het indienen van het beroepschrift, nu de beroepsgronden van eiser en zijn echtgenote op een aantal punten verschillen. De vergoeding bedraagt daarom € 907- (1 punt voor het beroepschrift met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1) . Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op om opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 907,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verdrag tot bescherming van de rechtbank van de mens en de fundamentele vrijheden. Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94, en van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5349. Zie WI 2022/3 pag. 18. Verslag nader gehoor, pag. 18, 35 en 36. Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:63, onder r.o. 11. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...