ECLI:NL:RBDHA:2025:27764
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-11-19
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Dublin, interstatelijk vertrouwensbeginsel, refoulement, opvolgende asielaanvraag, art. 17 Dv.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.46433 (beroep) en NL25.46434 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. M. Timmer), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 september 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Beoordeling door de rechtbank Geen zitting 2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit. Waar gaat deze zaak over? 3. Eiser stelt de Iraanse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1994 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser vreest dat hij na overdracht aan Duitsland zal worden uitgezet naar Iran. Verweerder heeft niet adequaat gereageerd op de zienswijze. Eiser stelt niet dat er in Duitsland sprake is van systeemfouten of dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Eiser stelt dat het risico op refoulement een gevolg is van eisers proceshouding waardoor hij Duitsland niet in staat heeft gesteld om zijn asielaanvraag naar behoren te beoordelen. Verweerder stelt in de beschikking echter dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen niet nakomt of dat er sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de Duitse asielprocedure en opvangvoorzieningen. Volgens eiser heeft hij echter geen recht op opvang in de zin van de Opvangrichtlijn op basis van artikel 18, eerste lid, onder d en artikel 18, tweede lid, derde zin van de Dublinverordening en op basis van het gegeven dat hij een uitspraak op zijn asielberoep in Duitsland niet heeft afgewacht en hier tevens geen rechtsmiddel tegen heeft aangewend. Eiser stelt dat ook als hij een opvolgende asielaanvraag indient, hij geen recht zal hebben op opvang. Eiser stelt dat Nederland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag aan zich moet trekken, omdat Duitsland de nodige maatregelen zal nemen om ervoor te zorgen dat eiser het grondgebied van de Europese Unie zal verlaten. Eiser stelt dat niet kan worden verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van 30 november 2023 of de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 12 juni 2024 met betrekking tot het verbod op (indirect) refoulement, omdat eiser zich niet beroept op systeemfouten in Duitsland of een onjuiste ‘Duitse’ beoordeling van het risico op refoulement. Eisers asielmotieven zijn in Duitsland niet meer voor behandeling vatbaar. Eiser stelt dat zijn eerdere asielaanvraag als niet-ontvankelijk is afgedaan en verwijst naar een arrest van het Hof van Justitie. Volgens eiser zal zijn asielaanvraag als een opvolgende asielaanvraag worden aangemerkt. Deze asielaanvraag zal nu wederom als niet-ontvankelijk worden verklaard, gelet op eisers proceshouding in de eerdere procedure. Eiser verwijst hiervoor naar een arrest van het Hof van Justitie en artikel 40 van de Procedurerichtlijn. Tot slot stelt eiser dat een overdracht naar Duitsland in strijd is met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM , nu er een risico op verboden refoulement is en er een procedureel gebrek is doordat eiser zijn asielmotieven niet kan laten beoordelen. Wat is het oordeel van de rechtbank? Interstatelijk vertrouwensbeginsel en non-refoulement 5. De rechtbank stelt voorop dat uit de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 en het arrest van het Hof van Justitie van 30 november 2023 volgt dat de bestuursrechter binnen de Dublinprocedure niet kan beoordelen of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders indien niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van het betreffende land. Eisers stelling dat verweerder niet naar voornoemde arresten heeft kunnen verwijzen, omdat eiser zich niet beroept op systeemfouten treft dus geen doel. Voor een beoordeling van het beroep op indirect refoulement dient eiser eerst aannemelijk te maken dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten opzichte van Duitsland. De rechtbank zal daarom eerst overwegen of dit ten aanzien van Duitsland het geval is. 5.1. De rechtbank overweegt dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel van mag uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem in Duitsland dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Van een schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken in de zin van het arrest Jawo van 19 maart 2019. 5.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat ten opzichte van Duitsland uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank stelt vast dat eiser dit dan ook niet heeft bestreden nu eiser niet stelt dat er sprake is van systeemfouten in de Duitse opvangvoorzieningen of asielprocedure of dat Duitsland zich op enige andere wijze niet aan zijn verdragsverplichtingen houdt. Eisers stelling dat verweerder onvoldoende heeft gereageerd op de zienswijze, nu eiser stelt dat hij zal worden uitgezet naar Iran op basis van zijn eerdere proceshouding in Duitsland en niet vanwege systeemfouten, treft gelet op hetgeen overwogen in overweging 5.1. geen doel. Verweerder heeft in dit opzicht kunnen overwegen dat hieruit niet blijkt dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank zal dan ook niet ingaan op de vraag of een eventuele uitzetting door Duitsland naar Iran in strijd is met het beginsel van non-refoulement. Opvolgende asielaanvraag 5.3. Voorts stelt eiser dat zijn asielaanvraag als opvolgende asielaanvraag zal worden aangemerkt op grond van artikel 40 van de Procedurerichtlijn en twee arresten van het Hof van Justitie . Bovendien stelt eiser dat hij na overdracht geen recht zal hebben op opvang nu de Opvangrichtlijn niet meer van toepassing is aangezien de beslissing op zijn eerdere asielaanvraag definitief is geworden en eiser geen beroep heeft gedaan op een rechtsmiddel. De rechtbank overweegt hiertoe dat ingevolge artikel 40 van de Procedurerichtlijn er sprake moet zijn van nieuwe feiten en omstandigheden op grond waarvan de asielaanvraag als een opvolgende asielaanvraag kan worden aangemerkt. Volgens eiser is er wel sprake van nieuwe feiten en omstandigheden, maar nu eiser in zijn voorgaande procedure zijn asielmotieven verwijtbaar niet of niet voldoende naar voren heeft gebracht zal een opvolgende asielaanvraag als niet-ontvankelijk zal worden afgedaan. Hiertoe verwijst eiser naar het AIDA rapport (update 2024). De rechtbank overweegt dat verweerder in dit opzicht heeft kunnen overwegen dat het aan de Duitse autoriteiten is om te beoordelen of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden op basis waarvan het asielverzoek als een opvolgende asielaanvraag kan worden aangemerkt. Eisers stelling dat hij na overdracht zal worden verwijderd naar zijn land van herkomst zonder een beoordeling van zijn asielmotieven wat zou resulteren in een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest, slaagt niet. De rechtbank overweegt dat de Duitse autoriteiten met het uitdrukkelijke claimakkoord hebben gegarandeerd eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen. Verweerder heeft kunnen overwegen dat het gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel aangenomen mag worden dat Duitsland eisers asielaanvraag behandelt in lijn met de Europese richtlijnen en internationale verdragen op het gebied van het asielrecht. Van eiser mag worden verwacht dat hij klaagt bij de Duitse (hogere autoriteiten) als hij problemen ondervindt, bijvoorbeeld als hij vindt dat Duitsland een onjuist toetsingskader hanteert bij de beoordeling van zijn verzoek om internationale bescherming. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd, de verwijzing naar het AIDA-rapport en de arresten van het Hof van Justitie geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Artikel 17 van de Dublinverordening 6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet gehouden is toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd dat deze maken dat eisers overdracht aan Duitsland van een zodanig onevenredige hardheid getuigen dat verweerder het asielverzoek aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. In de stelling dat Duitsland als verantwoordelijke lidstaat de nodige maatregelen zal nemen en uitvoeren om ervoor te zorgen dat eiser het grondgebied van de Europese Unie zal verlaten ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder gehouden is de asielaanvraag aan zich te trekken. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen eerder is overwogen met betrekking tot het interstatelijk vertrouwensbeginsel en het refoulementsverbod. Het bestreden besluit is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd. Conclusie en gevolgen 7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond. 8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. 9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hof van Justitie van de Europese Unie. ECLI:EU:C:2023:934. ECLI:NL:RVS:2024:2359. ECLI:EU:C:2024:1042. ECLI:EU:C:2023:934. Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. ECLI:EU:C:2019:218. ECLI:EU:C:2024:1042 en ECLI:EU:C:2023:934. Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...