ECLI:NL:RBDHA:2025:2170
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-02-18
- Procedure
- Tussenuitspraak
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Aanvullende verwijzingsuitspraak geloofwaardigheidsbeoordeling asiel – deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 7 januari 2025 in twee procedures prejudiciële vragen gesteld over het beleid op grond waarvan verweerder vanaf 1 juli 2024 de geloofwaardigheid van een asielrelaas beoordeelt (ECLI:NL:RBDHA:2025:136 en ECLI:NL:RBDHA:2025:139). De rechtbank heeft het Hof verzocht om deze procedures te voegen en om de prejudiciële vragen te behandelen in de versnelde procedure (PPA). Het Hof heeft nog geen beslissing genomen over het verzoek om voeging en het verzoek om een versnelde procedure. Eiser stelt afkomstig te zijn uit Algerije, een homoseksuele geaardheid te hebben en daarom bescherming nodig te hebben – Verweerder acht de asielmotieven van eiser niet geloofwaardig - Eiser wordt thans in bewaring gehouden – verweerder heeft daarom verzocht om behandeling van de zaak – de rechtbank heeft partijen gewezen op haar uitspraken van 7 januari 2025 en heeft aangegeven de beantwoording van de prejudiciële vragen ook relevant te achten voor deze procedure en daarom in beginsel voornemens te zijn om de behandeling van de zaak aan te houden totdat het Hof de vragen heeft beantwoord – verweerder heeft op vragen van de rechtbank aangegeven in te stemmen met het verzoek aan het Hof om de prejudiciële vragen in de spoedprocedure (PPU) te behandelen – de rechtbank stelt derhalve in deze procedure dezelfde vragen aan het Hof als in de twee verwijzingsuitspraken van 7 januari 2025 en verzoekt het Hof deze procedure te voegen met de andere twee verwijzingen en de prejudiciële vragen in de spoedprocedure te behandelen. Vanaf 1 juli 2024 beoordeelt verweerder de geloofwaardigheid van een asielrelaas op een andere wijze – verweerder stelt eerst de asielmotieven vast, beoordeelt dan of deze asielmotieven volledig met authentieke en/of objectief verifieerbare documenten en/of objectieve openbare bronnen zijn onderbouwd en zo niet, of de asielzoeker aan alle in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 (die identiek zijn aan 4, vijfde lid, van richtlijn 2011/95) genoemde voorwaarden voldoet – als dit niet zo is, dan wordt het asielrelaas ongeloofwaardig geacht. De rechtbank vraagt zich of deze werkwijze verenigbaar is met artikel 4 van richtlijn 2011/95, artikel 10, derde lid onder b, van richtlijn 2013/32 en artikelen 4 en 18 van het Handvest – door de beoordeling van het asielverzoek te beperken tot artikel 4, vijfde lid, van richtlijn 2011/95, lijkt geen invulling te worden gegeven aan lid 1 tot en met 4 van deze bepaling en worden onder meer de elementen die als ondersteuning van de verklaringen kunnen dienen, niet of onvoldoende betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling en lijkt geen sprake te zijn van een volledig en grondig onderzoek van de beschermingsbehoefte. De rechtbank legt als tweede prejudiciële vraag aan het Hof de vraag voor of de rechter, net als bij het controleren van de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit, bij het beoordelen van de rechtmatigheid van de afwijzing van een asielverzoek, zo nodig ambtshalve de eerbiediging van het refoulementbeginsel moet controleren. De rechtbank schorst de behandeling van het beroep en houdt in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof iedere verdere beslissing aan.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL24.49580 VERWIJZING verwijzingsuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1990 te Algerije, verzoeker in het hoofdgeding, (gemachtigde: mr. N. Birrou), en de Minister van Asiel en Migratie, verweerder. Verzoek prejudiciële spoedprocedure (PPU) Verzoek op grond van artikel 267 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van de navolgende prejudiciële vragen in een spoedprocedure zoals is bepaald in artikel 23bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Unie: I Is een nationale werkwijze waarbij artikel 4, vijfde lid, van richtlijn 2011/95 aldus wordt toegepast dat de verklaringen die ten grondslag liggen aan een verzoek om internationale bescherming niet geloofwaardig worden geacht indien de verzoeker deze verklaringen niet volledig kan staven met authentieke en/of objectief verifieerbare documenten en/of objectieve bronnen en niet voldoet aan alle in het vijfde lid genoemde voorwaarden, verenigbaar met het Unierecht, of dient artikel 4, vijfde lid, van richtlijn 2011/95, gelezen in samenhang met artikel 4, leden 1 tot en met 4, van richtlijn 2011/95, artikel 10, derde lid onder b, van richtlijn 2013/32 en artikelen 4 en 18 van het Handvest van de Grondrechten, aldus te worden uitgelegd dat de beslisautoriteit bij de beoordeling van de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan het verzoek om internationale bescherming moet samenwerken met de verzoeker en elk bewijsmiddel en element ter staving van dit verzoek moet betrekken bij het onderzoeken en beoordelen van de beschermingsbehoefte en indien de verzoeker zijn verklaringen voldoende kan staven met bewijsmateriaal of indien de verzoeker voldoet aan de genoemde voorwaarden, zijn verklaringen geen nadere bevestiging behoeven en dus geloofwaardig zijn? II Dient artikel 46, derde lid, van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikelen 4, 18, en 47 van het Handvest van de Grondrechten aldus te worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie van eerste aanleg die wordt aangezocht om de rechtmatigheid te toetsen van de ongegrondverklaring van een verzoek om internationale bescherming, verplicht is om zo nodig ambtshalve een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden te verrichten, met inbegrip van een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn 2011/95 op basis van de haar ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak? Motivering van de spoedeisendheid (PPU) conform het bepaalde in artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4 van richtlijn 2011/95, artikel 10, derde lid onder b, en artikel 46, derde lid, van richtlijn 2013/32 en artikelen 4, 18 en 47 van het Handvest van de Grondrechten. De prejudiciële verwijzing heeft aldus betrekking op de uitlegging van bepalingen uit het Unierecht die behoren tot de gebieden bedoeld in titel V van het derde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Het hoofdgeding is ingeleid met een verzoek om internationale bescherming en de rechtbank is aangezocht om de rechtmatigheid van de afwijzing van dat verzoek te beoordelen. Verzoeker in het hoofdgeding is op 14 november 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, welke bepaling de implementatie is van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van richtlijn 2013/33. De handhaving van deze bewaringsmaatregel op deze grondslag, welke maatregel niet ter toetsing voorligt in het hoofdgeding, is in beginsel afhankelijk van het moment waarop de rechtbank uitspraak doet in het hoofdgeding. De vragen die de rechtbank voorlegt zien enerzijds op het onderzoeken van het refoulementrisico en met name de wijze waarop de lidstaten de geloofwaardigheid van de verklaringen van een verzoeker om internationale bescherming moeten beoordelen en anderzijds op de omvang van de verplichting van de rechterlijke autoriteit om de naleving van het refoulementverbod ten volle te verzekeren. De rechtbank acht de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof noodzakelijk om uitspraak in het hoofdgeding te kunnen doen en de beantwoording heeft aldus een rechtstreekse invloed op de uitkomst van het hoofdgeding en de rechtspositie van verzoeker. Omdat verzoeker thans in bewaring op deze grondslag wordt gehouden in afwachting van een uitspraak van de rechtbank in het hoofdgeding, acht de rechtbank de omstandigheid als bedoeld in artikel 267, vierde alinea, van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie aan de orde. De rechtbank heeft de twee prejudiciële vragen die de rechtbank thans voorlegt, ook op 7 januari 2025 voorgelegd aan het Hof in twee andere procedures. De vragen die de rechtbank thans voorlegt zijn gelijkluidend. De rechtbank wijst er hierbij op dat in alle drie de procedures de prejudiciële vragen zien op de verenigbaarheid van het door de minister toegepaste beleid met het Unierecht. In het hoofdgeding is in het besluit waartegen wordt opgekomen de werkinstructie waarin is opgenomen hoe het beleid dient te worden toegepast, niet uitdrukkelijk genoemd. Om die reden zijn de bewoordingen van de motivering van de vragen soms niet geheel identiek aan die in de twee eerder voorgelegde procedures. Deze twee andere procedures zijn bij het Hof geregistreerd onder C-7/25 en C-8-25. De rechtbank heeft in die procedures het Hof verzocht om de vragen in de versnelde procedure (PPA) ex artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering te behandelen en de rechtbank heeft in procedure C-8/25 verzocht om deze procedure te voegen met de procedure in C-7/25. Het Hof heeft ten tijde van deze verwijzingsuitspraak nog geen beslissing genomen, althans bekend gemaakt, op de verzoeken om een versnelde behandeling en om voeging. De rechtbank verzoekt het Hof, gelet op de omstandigheid dat verzoeker thans in bewaring wordt gehouden en de rechtbank geen uitspraak in het hoofdgeding kan doen voordat het Hof de vragen van de rechtbank heeft beantwoord, om de vragen van de rechtbank in de spoedprocedure (PPU) te behandelen. De rechtbank merkt hierbij op dat verweerder meerdere asielzoekers in bewaring houdt van wie de asielmotieven niet geloofwaardig zijn geacht. De rechtbank wordt in al deze procedures voor de vraag gesteld of het gewijzigde en thans toepasselijke beleid, op grond waarvan de geloofwaardigheid van de asielmotieven wordt beoordeeld, verenigbaar is met het Unierecht. De rechtbank acht het noodzakelijk om in al die zaken de beantwoording door het Hof van de prejudiciële vragen van de rechtbank af te wachten en dit heeft rechtstreekse gevolgen voor de duur van de bewaringsmaatregelen. De rechtbank die belast is met het hoofdgeding is niet bevoegd om de rechtmatigheid van de bewaringsmaatregel van verzoeker te beoordelen. De rechtbank wijst er evenwel op dat in artikel 9, eerste lid, van richtlijn 2013/33 is bepaald dat een verzoeker slechts in bewaring wordt gehouden voor een zo kort mogelijke termijn en slechts zo lang de in artikel 8, derde lid, genoemde redenen van toepassing zijn. In artikel 9, eerste lid, van richtlijn 2013/33 is tevens bepaald dat administratieve procedures die verband houden met de in artikel 8, lid 3, genoemde redenen voor bewaring, met de nodige zorgvuldigheid worden uitgevoerd en dat vertraging in de administratieve procedure die niet aan de verzoeker kan worden toegeschreven, geen reden is om de bewaring te laten voortduren. Ten aanzien van verzoeker in het hoofdgeding wordt thans nader onderzoek gedaan naar zijn identiteit en nationaliteit. Indien de rechtbank echter einduitspraak zou doen in het hoofdgeding, heeft dit, ongeacht of het rechtsmiddel slaagt, tot gevolg dat de thans geldende bewaringsmaatregel op deze grondslag niet kan voortduren. De rechtbank is evenwel niet in staat om einduitspraak te doen in het hoofdgeding, alvorens de gevraagde nadere duiding van het Unierecht te verkrijgen. Van verweerder kan niet worden verlangd dat hij afziet van (handhaving van) de inbewaringstelling van verzoekers om internationale bescherming als dit noodzakelijk, proportioneel en evenredig wordt geacht en aan alle overige rechtmatigheidsvoorwaarden voor een inbewaringstelling wordt voldaan. Een aanhouding door de rechtbank van de procedure in het hoofdgeding (en alle andere verglijkbare procedures) in afwachting van de noodzakelijk geachte nadere duiding door het Hof van het Unierecht en het te wijzen arrest in procedures C-7/25 en C-8/25, heeft gevolgen voor de duur van de vrijheidsontneming van verzoeker (en alle andere in bewaring gestelde verzoekers om internationale bescherming van wie de asielmotieven met toepassing van het thans geldende nationale beleid niet geloofwaardig worden geacht) . Ook deze omstandigheden brengen de rechtbank ertoe om in het hoofdgeding de prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen, die de rechtbank ook op 7 januari 2025 in procedures C-7/25 en C-8/25 heeft voorgelegd en te verzoeken om een gevoegde behandeling van deze vragen in de prejudiciële spoedprocedure. De rechtbank wil het Hof conform artikel 107, tweede lid, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie in overweging geven om de gestelde prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden: I Artikel 4, vijfde lid, van richtlijn 2011/95, gelezen in samenhang met artikel 4, leden 1 tot en met 4, van richtlijn 2011/95, artikel 10, derde lid onder b, van richtlijn 2013/32 en artikelen 4 en 18 van het Handvest van de Grondrechten, dient aldus te worden uitgelegd dat de beslisautoriteit bij de beoordeling van de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan het verzoek om internationale bescherming moet samenwerken met de verzoeker en elk bewijsmiddel en element ter staving van dit verzoek moet betrekken bij het onderzoeken en beoordelen van de beschermingsbehoefte en indien de verzoeker zijn verklaringen voldoende kan staven met bewijsmateriaal of indien de verzoeker voldoet aan de genoemde voorwaarden, zijn verklaringen geen nadere bevestiging behoeven en dus geloofwaardig zijn. II Artikel 46, derde lid, van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikelen 4, 18, en 47 van het Handvest van de Grondrechten dient aldus te worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie van eerste aanleg die wordt aangezocht om de rechtmatigheid te toetsen van de ongegrondverklaring van een verzoek om internationale bescherming, verplicht is om zo nodig ambtshalve een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden te verrichten, met inbegrip van een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn 2011/95 op basis van de haar ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak. Verzoek voeging op grond van artikel 54 van het Reglement voor de procesvoering Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 7 januari 2025 gelijkluidende prejudiciële vragen aan het Hof gesteld in twee procedures die bij het Hof zijn geregistreerd onder C-7/25 en C-8/25. Het Hof heeft ten tijde van deze verwijzingsuitspraak nog niet beslist op het verzoek van de rechtbank in procedure C-8/25 tot voeging met procedure C-7/25. Het Hof heeft thans ook niet beslist op het verzoek van de rechtbank in procedure C-7/25 en C-8/25 tot behandeling van de prejudiciële vragen in de versnelde procedure (PPA) ex artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering. De rechtbank verzoekt Het Hof thans om de onderhavige verwijzingsuitspraak op grond van artikel 54 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wegens verknochtheid te voegen met de procedures C-7/25 en C-8/25 voor de schriftelijke of mondelinge behandeling en het eindarrest en deze drie procedures in de prejudiciële spoedprocedure (PPU) te behandelen. Procesverloop Verzoeker in het hoofdgeding (hierna: verzoeker) heeft in meerdere lidstaten een verzoek om internationale bescherming ingediend zonder tussentijds het grondgebied van de Unie te verlaten. Het meest recente verzoek om internationale bescherming heeft verzoeker op 16 juli 2024 ingediend in Nederland. Tussen Nederland en Italië is op 1 september 2024 een claimakkoord tot stand gekomen. Verweerder heeft op 16 oktober 2024 het claimverzoek aan Italië ingetrokken en aan verzoeker medegedeeld zijn verzoek om internationale bescherming inhoudelijk te zullen behandelen. Verzoeker is, aansluitend op een strafrechtelijke detentie met een duur van nagenoeg vier maanden, op 14 november 2024 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, welke bepaling de implementatie is van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van richtlijn 2013/33. De rechtbank heeft in uitspraken van 24 december 2024 en van 30 januari 2025 geoordeeld dat de oplegging en voortduring van de bewaringsmaatregel rechtmatig is. De rechtmatigheid van de verdere voortduring van de maatregel ligt niet ter toetsing voor in het hoofdgeding. Verweerder heeft het verzoek om internationale bescherming op 11 december 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond en tevens bepaald dat verzoeker geen verblijfsvergunning op andere gronden krijgt. Dit besluit omvat een terugkeerbesluit, waarin Algerije en Marokko als landen van bestemming zijn geduid. Omdat geen termijn voor vrijwillig vertrek is bepaald, is aan verzoeker een inreisverbod met een duur van twee jaar opgelegd. In het besluit is tevens medegedeeld dat de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt verlengd omdat er nog onderzoek nodig is naar de identiteit en nationaliteit van verzoeker. In het besluit is ook medegedeeld dat verzoeker vanwege het terugkeerbesluit wordt gesignaleerd in het Schengen Informatie Systeem. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Verweerder heeft de rechtbank verzocht om de procedure van verzoeker met voorrang te behandelen vanwege de inbewaringstelling. De rechtbank heeft partijen gewezen op de prejudiciële vragen die de rechtbank op 7 januari 2025 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) heeft voorgelegd en heeft partijen medegedeeld dat de beantwoording van die vragen ook relevant is voor het hoofdgeding en dat de rechtbank daarom voornemens is om het hoofdgeding aan te houden. Verweerder heeft op 11 februari 2025 op een vraag van de rechtbank aangegeven in te stemmen met een verzoek van de rechtbank aan het Hof om dezelfde prejudiciële vragen in de prejudiciële spoedprocedure (PPU) te behandelen. Bij bericht van 12 februari 2025 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat de rechtbank, mede gelet op het standpunt van verweerder, zich tot het Hof zal wenden om in het hoofdgeding prejudiciële vragen voor te leggen en daarbij zal verzoeken om behandeling in de prejudiciële spoedprocedure (PPU) en zal verzoeken om voeging met procedures C-7/25 en C-8/25. De rechtbank heeft partijen medegedeeld de zitting in het hoofdgeding te agenderen nadat het Hof de vragen heeft beantwoord. Overwegingen Inzet van het hoofdgeding en standpunten van partijen 1. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om internationale bescherming ten grondslag gelegd dat hij een homoseksuele geaardheid heeft en dat er overigens veel armoede is in zijn land van herkomst en een gebrek aan medische zorg en veiligheid. Verzoeker heeft verklaard zich vanaf zijn veertiende levensjaar te realiseren dat hij homoseksueel is en dat hij vanwege zijn homoseksuele geaardheid door de politie en anderen is mishandeld en hier littekens aan over heeft gehouden. Verzoeker heeft tijdens zijn gehoor over zijn asielmotieven enkele littekens op zijn hoofd getoond. Verzoeker stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en vreest bij terugkeer naar Algerije te worden aangehouden in verband met zijn illegale uitreis en vervolgens een gevangenisstraf te krijgen omdat hij homoseksueel is. Verzoeker heeft ook verklaard dat er een oproep naar zijn voormalige adres in Algerije is gestuurd om voor de rechter te verschijnen in verband met zijn homoseksuele geaardheid en dat hij dit heeft vernomen van zijn familie. Zijn familie is op de hoogte van zijn homoseksuele geaardheid omdat hij door de politie is opgepakt nadat hij werd betrapt bij het intiem zijn met een man. Verzoeker heeft verklaard in Nederland sinds 2021 een relatie te hebben met een man en het COC in Amsterdam te hebben bezocht. Hij heeft ook verklaard voornemens te zijn geweest naar een feest voor LHBTI in Amsterdam te gaan, maar dit uiteindelijk niet heeft gedaan omdat hij in strafrechtelijke detentie is geplaatst. 2. Verweerder heeft per 1 juli 2024 zijn beleid over de beoordeling van de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die aan een verzoek om internationale bescherming ten grondslag liggen gewijzigd en heeft de wijze waarop dit beleid wordt toegepast toegelicht in “Werkinstructie WI 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel) (hierna: WI 2024/6)” . Verweerder heeft in zijn besluit in het hoofdgeding WI 2024/6 niet uitdrukkelijk benoemd, maar deze nieuwe werkwijze in het hoofdgeding wel toegepast en de geloofwaardigheid van de asielmotieven op grond van zijn nieuwe beleid beoordeeld. 3. Verweerder heeft in het voornemen tot het besluit toegelicht dat het verzoek om internationale bescherming als volgt wordt beoordeeld: (…) “ Eerst bepaalt de IND uit welke asielmotieven uw asielrelaas bestaat. Het asielrelaas is uw uitleg waarom u asiel hebt aangevraagd. De asielmotieven vormen samen de kern van het asielrelaas. Ze bestaan uit feiten en omstandigheden die volgen uit uw verklaringen en documenten. De IND beoordeelt uw persoonsgegevens ook als een asielmotief. Daarna beoordeelt de IND of de asielmotieven geloofwaardig zijn. Dit volgt uit paragraaf C1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). De IND geeft hierbij eerst een oordeel over uw documenten. Deze moeten uw asielmotieven volledig onderbouwen. Het moet gaan om originele en objectieve documenten die controleerbaar zijn. Als u zulke documenten niet hebt dan beoordeelt de IND of uw verklaringen uw asielmotieven alsnog geloofwaardig maken. De voorwaarden hiervoor staan in artikel 31, zesde lid, Vw. Als laatste beoordeelt de IND of de geloofwaardige asielmotieven reden zijn om u een verblijfsvergunning asiel te geven. Is een asielmotief ongeloofwaardig maar zijn er wel geloofwaardige feiten en omstandigheden? Dan neemt de IND deze feiten en omstandigheden ook mee in de beoordeling. De IND beoordeelt of u een vluchteling bent zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag (zoals uitgelegd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw). Ook beoordeelt de IND of u bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt (zoals uitgelegd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw). Als laatste beoordeelt de IND of u een gezinslid bent van een persoon met een asielvergunning in Nederland (zoals uitgelegd in artikel 29, tweede lid, Vw) .” (…) 4. Verweerder heeft in het asielrelaas van verzoeker enerzijds de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst, en anderzijds de gestelde homoseksuele geaardheid als asielmotieven geduid. Verweerder acht beide asielmotieven ongeloofwaardig. Verweerder heeft allereerst vastgesteld dat verzoeker geen documenten heeft overgelegd en heeft vervolgens ten aanzien van beide asielmotieven geoordeeld dat verzoeker niet voldoet aan alle voorwaarden zoals ze zijn opgesomd in artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, welke voorwaarden overeenkomen met de voorwaarden in artikel 4, vijfde lid, van richtlijn 2011/95. Ten aanzien van de gestelde de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst, heeft verweerder overwogen dat verzoeker niet voldoet aan voorwaarden a, b, c, en e van artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Ten aanzien van de gestelde homoseksuele geaardheid heeft verweerder overwogen dat verzoeker niet voldoet aan voorwaarden c en e van artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. 5. Verzoeker betwist het ongeloofwaardig achten van zijn homoseksuele geaardheid en stelt zich op het standpunt dat hij consistent en voldoende concreet heeft verklaard over zijn bewustwordingsproces en persoonlijke gevoelens. Indien verweerder zich op het standpunt stelt dat zijn verklaringen onvoldoende zijn om zijn homoseksuele geaardheid aannemelijk te achten, had verweerder meer vragen moeten stellen in het gehoor. Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat hij het moeilijk vindt om over dit onderwerp te spreken en hij bovendien mentaal in de war was. Verzoeker stelt dat indien hij dient terug te keren naar zijn land van herkomst, hij zal worden blootgesteld aan een risico op schending van artikel 3 van het EVRM. 6. Gelet op de motivering van de beslissing op het verzoek om internationale bescherming van verzoeker, rijst in het hoofdgeding de vraag of de wijze waarop verweerder heeft onderzocht en beoordeeld of verzoeker bescherming behoeft, zoals neergelegd in paragraaf C1/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en zoals toegelicht in WI 2024/6), verenigbaar is met het Unierecht en de nadere precisering hiervan die het Hof reeds in eerdere arresten heeft gegeven. 7. In het hoofdgeding rijst tevens de vraag of de verplichting voor de rechterlijke autoriteit om een daadwerkelijk rechtsmiddel te bieden, ook de verplichting omvat dat de rechterlijke autoriteit in eerste aanleg zo nodig ambtshalve nagaat of verweerder in samenwerking met verzoeker alle relevante elementen heeft verzameld, onderzocht en betrokken bij de beoordeling van zijn verzoek om internationale bescherming en dus zo nodig ambtshalve nagaat of het beginsel van non-refoulement wordt geëerbiedigd. Het Hof heeft in het arrest van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat overwogen dat het bestaan van de verplichting van de nationale rechter om, in voorkomend geval ambtshalve, toe te zien op de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement, op dezelfde wijze in het kader van een procedure inzake internationale bescherming geldt als in het kader van een procedure als die in dat hoofdgeding, die was ingeleid met een aanvraag voor een verblijfsvergunning naar nationaal recht en waar de rechterlijke autoriteit was aangezocht om de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit dat deel uitmaakte van het besluit op die aanvraag te controleren. Voor zover de rechtbank kan nagaan heeft het Hof evenwel niet eerder uitdrukkelijk bij de uitlegging van artikel 46 van richtlijn 2013/32 gepreciseerd dat het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, ook inhoudt dat de rechterlijke autoriteit verplicht is het voorgeschreven volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als de juridische gronden, met inbegrip van een onderzoek van de behoefte om internationale bescherming, zo nodig ambtshalve te verrichten. De rechtbank acht het noodzakelijk, gelet op het absolute karakter van het refoulementverbod enerzijds en gelet op de nationale rechtspraktijk anderzijds, hierover nadere verduidelijking te verkrijgen omdat er geen enkele twijfel mag bestaan over de omvang van de rechterlijke verplichting om te waarborgen dat de naleving van het refoulementbeginsel te allen tijde en ten volle is verzekerd. 8. De rechtbank legt twee prejudiciële vragen voor die in het hoofdgeding opkomen en waarvan de rechtbank de beantwoording noodzakelijk acht om uitspraak te kunnen doen in het hoofdgeding. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4 van richtlijn 2011/95, artikel 10, derde lid onder b, en artikel 46, derde lid, van richtlijn 2013/32 en artikelen 4, 18 en 47 van het Handvest van de Grondrechten. Toepasselijke bepalingen Unierecht Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie Artikel 4 van het Handvest bepaalt het navolgende: Het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Artikel 18 van het Handvest bepaalt het navolgende: Het recht op asiel Het recht op asiel is gegarandeerd met inachtneming van de voorschriften van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna „de Verdragen” genoemd). Artikel 19, tweede lid, van het Handvest bepaalt het navolgende: Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering 2. Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen. Artikel 47 van het Handvest bepaalt onder meer het navolgende: Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. (…) Artikel 52, derde lid, van het Handvest bepaalt het navolgende: Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen (…) Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt. (…) Richtlijn 2011/95 De overwegingen 4, 12 en 16 van richtlijn 2011/95 luiden als volgt: (4) Het Verdrag van Genève en het protocol vormen de hoeksteen van het internationale rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen. (12) Het hoofddoel van deze richtlijn is enerzijds te verzekeren dat de lidstaten gemeenschappelijke criteria toepassen voor de identificatie van personen die werkelijk bescherming behoeven en anderzijds ervoor te zorgen dat deze personen in alle lidstaten over bepaalde minimumvoordelen kunnen beschikken. (16) Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name erkend zijn in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In het bijzonder tracht deze richtlijn de menselijke waardigheid en het recht op asiel van asielzoekers en hun begeleidende familieleden ten volle te eerbiedigen en de toepassing van de artikelen 1, 7, 11, 14, 15, 16, 18, 21, 24, 34 en 35 van dat handvest te bevorderen, en dient derhalve dienovereenkomstig te worden toegepast. Artikel 4 van richtlijn 2011/95 bepaalt het navolgende: Beoordeling van feiten en omstandigheden 1. De lidstaten mogen van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen. 2. De in lid 1 bedoelde elementen bestaan in de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie in het bezit van de verzoeker over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumenten en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient. 3. De beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet plaatsvinden op individuele basis en houdt onder meer rekening met: a. a) alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast; b) de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de verzoeker aan vervolging of andere ernstige schade blootgesteld is dan wel blootgesteld zou kunnen worden; c) de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen; d) de vraag of zijn activiteiten, sedert hij zijn land heeft verlaten, uitsluitend ten doel hadden de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, teneinde na te gaan of de betrokkene, in geval van terugkeer naar dat land, door die activiteiten aan vervolging of ernstige schade zou worden blootgesteld; e) de vraag of in redelijkheid kan worden verwacht dat de verzoeker zich onder de bescherming kan stellen van een ander land waar hij zich op zijn staatsburgerschap kan beroepen. 4. Het feit dat de verzoeker in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan ernstige schade, of dat hij rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of dergelijke schade, is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. 5. Wanneer lidstaten het beginsel toepassen, volgens welk het de taak van de verzoeker is zijn verzoek om internationale bescherming te staven, wordt de verzoeker ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van de verklaringen van de verzoeker, geloofwaardig geacht en wordt hem het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden voldaan is: a. a) de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven; b) alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen; c) de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek; d) de verzoeker heeft zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten, en e) vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. Richtlijn 2013/32 De overwegingen 10 en 11 van richtlijn 2013/32 luiden als volgt: (10) Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn moeten de lidstaten rekening houden met de door het EASO ontwikkelde relevante richtsnoeren. (11) Met het oog op het garanderen van een grondige en doeltreffende beoordeling van de behoefte aan internationale bescherming van verzoekers in de zin van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming moet het rechtskader van de Unie betreffende procedures voor het verlenen en intrekken van internationale bescherming gebaseerd zijn op het begrip „een eenheidsprocedure voor asiel”. Artikel 10 van Richtlijn 2013/32 bepaalt onder meer het navolgende: Vereisten voor de behandeling van verzoeken 1. De lidstaten zorgen ervoor dat verzoeken om internationale bescherming niet worden afgewezen of van behandeling worden uitgesloten louter op grond van het feit dat zij niet zo snel mogelijk zijn gedaan. (…) 3. De lidstaten zien erop toe dat de beslissingen van de beslissingsautoriteit over verzoeken om internationale bescherming zijn gebaseerd op een deugdelijk onderzoek. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat: (…) b) er nauwkeurige en actuele informatie wordt verzameld uit verschillende bronnen, zoals het EASO en de UNHCR, en relevante internationale mensenrechtenorganisaties, over de algemene situatie in de landen van oorsprong van verzoekers en, waar nodig, in de landen van doorreis, en dat het personeel dat de verzoeken behandelt en daarover beslist, over deze informatie kan beschikken; (…) Artikel 46 van Richtlijn 2013/32 bepaalt onder meer het navolgende: Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel 1. De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen: a. a) een beslissing die inzake hun verzoek om internationale bescherming is gegeven, met inbegrip van een beslissing: i. i) om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus en/of de subsidiairebeschermingsstatus; (…) 3. Teneinde aan lid 1 te voldoen, zorgen de lidstaten ervoor dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU, zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg. (…) Nederlands recht en beleid Algemene wet bestuursrecht (Awb) Artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt het navolgende: 1 De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. 2 De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan. 3 De bestuursrechter kan ambtshalve de feiten aanvullen. Vreemdelingenwet 2000 Artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 bepaalt onder meer het navolgende: 1 Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. 2 De vreemdeling brengt alle elementen ter staving van zijn aanvraag zo spoedig mogelijk naar voren. Onze Minister beoordeelt in samenwerking met de vreemdeling de relevante elementen. 3 De elementen, bedoeld in het tweede lid, omvatten de verklaringen van de vreemdeling en alle relevante documentatie in het bezit van de vreemdeling. 4 Bij de beoordeling van de aanvraag wordt onder meer rekening gehouden met: a. alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake de aanvraag wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast; b. de door de vreemdeling afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de vreemdeling aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, blootgesteld is dan wel blootgesteld zou kunnen worden; c. de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, waartoe factoren behoren als achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, overeenkomen; d. de vraag of zijn activiteiten, sinds hij zijn land van herkomst of een land van eerder verblijf heeft verlaten, uitsluitend ten doel hadden de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, teneinde na te gaan of de vreemdeling, in geval van terugkeer naar dat land, door die activiteiten aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, zou worden blootgesteld; e. de vraag of in redelijkheid kan worden verwacht dat de vreemdeling zich onder de bescherming kan stellen van een ander land waar hij zich op zijn nationaliteit kan beroepen. 5 Het feit dat de vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, of dat hij hiermee rechtstreeks is bedreigd, is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging gegrond is en het risico op die ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. 6 Indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, worden deze verklaringen geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: a.de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven; b. alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen; c. de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag; d. de vreemdeling heeft zijn aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten; en e .vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. (…) Vreemdelingencirculaire 2000, zoals gewijzigd op 13 juni 2024 In paragraaf C1/4.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is onder meer het navolgende opgenomen: Een asielmotief is een onderwerp of verhaallijn in het asielrelaas van een vreemdeling dat verband houdt met of relevant is bij de beoordeling of iemand te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Hieronder vallen de feiten en omstandigheden die voor de vreemdeling reden vormen voor het aanvragen van bescherming. De IND beoordeelt enkel de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de gestelde vervolging door autoriteiten of derden, of de feiten en omstandigheden in het verhaal die kunnen wijzen op ernstige schade. De IND betrekt daarom alleen de verklaringen en documenten die hiermee verband houden (zowel in het voordeel als in het nadeel). Feiten en omstandigheden kunnen zien op gebeurte
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...