Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:20276

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-07-10
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.13005 en NL25.13006
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
16.183 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

AA Albanië, bedreigingen na drugstransport, terugkeerbesluit en inreisverbod ten onrechte uitgevaardigd, geloofwaardigheidsbeoordeling onvoldoende gemotiveerd. Beroep gegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL25.13005 (beroep) NL25.13006 (voorlopige voorziening) V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1976, van Albanese nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. B.H. Wezeman). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister tot het afwijzen van de asielaanvraag van eiser en het tegen hem uitgevaardigde terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 27 januari 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 maart 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, L. Visser als tolk in de Albanese taal, en de gemachtigden van partijen. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft verklaard dat hij tegen zijn zin betrokken is geraakt bij een drugstransport en dat dit transport is onderschept. Bij een terugkeer naar Albanië vreest eiser te worden vermoord, omdat hij verantwoordelijk wordt gehouden voor het onderscheppen van het drugstransport. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: Identiteit, nationaliteit en herkomst; Doodsbedreigingen na het drugstransport. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De minister acht de doodsbedreigingen die eiser vanwege het drugstransport stelt te hebben ontvangen daarentegen niet geloofwaardig. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiser namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister ziet niet waarom eiser door de gehele organisatie die achter de drugstransport zit, wordt gezocht, terwijl eiser heeft verklaard dat hij slechts een beperkte rol hierbij heeft gespeeld. Ook meent de minister dat eiser vaag heeft verklaard over door wie hij is bedreigd. Daarnaast werpt de minister aan eiser tegen dat hij niet zo spoedig mogelijk een asielaanvraag heeft ingediend en daarvoor geen goede reden heeft gegeven. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat eiser op grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd, omdat hij verschillende aliassen heeft gebruikt en zich tegenover de Koninklijke Marechaussee met vervalste Italiaanse identiteitspapieren heeft geïdentificeerd. Volgens de minister moet Albanië voor eiser als een veilig land van herkomst worden aangemerkt. De minister heeft de aanvraag daarom afgewezen als kennelijk ongegrond. Tot slot heeft de minister tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin hem wordt opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten, alsmede een inreisverbod voor de duur van twee jaar. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod 5. De rechtbank overweegt allereerst over het terugkeerbesluit en in inreisverbod het volgende. In het verweerschrift heeft de minister het standpunt ingenomen dat in het bestreden besluit ten onrechte een terugkeerbesluit en een inreisverbod zijn uitgevaardigd. Eiser heeft namelijk procedureel rechtmatig verblijf wegens de door hem ingediende aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning. De rechtbank concludeert gelet hierop dat in het bestreden besluit ten onrechte een terugkeerbesluit en inreisverbod zijn uitgevaardigd en dat het bestreden besluit daarom gebrekkig is. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, voor zover dat ziet op het terugkeerbesluit en het inreisverbod. De rechtbank zal hierna aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordelen of er aanleiding bestaat om het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, in stand te laten. De geloofwaardigheidsbeoordeling Standpunt eiser 6. Eiser voert aan dat de door de minister toegepaste geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd is met het Unierecht en het EVRM . Hij verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 6 maart 2025 en de prejudiciële vragen die zijn gesteld door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, in haar tussenuitspraak van 7 januari 2025 . Eiser heeft verzocht de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van deze prejudiciële vragen, dan wel de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer. Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat de minister de door hem overgelegde stukken ten onrechte niet kenbaar en inzichtelijk in de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken. Het oordeel van de rechtbank 6.1. De minister heeft in Werkinstructie 2024/6 (WI 2024/6) toegelicht hoe hij de geloofwaardigheidsbeoordeling in asielzaken verricht. De rechtbank stelt voorop dat de inhoud van deze werkinstructie in de onderhavige procedure niet voorligt, maar dat zij dient te beoordelen of de door de minister in deze procedure verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling verenigbaar is met het (Unie)recht en het EVRM. Hierbij kan de door de minister in WI 2024/6 neergelegde wijze van het beoordelen van de geloofwaardigheid in asielzaken wel relevant zijn. Deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft hier in de tussenuitspraak van 7 januari 2025 reeds prejudiciële vragen over gesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding om de beantwoording van deze prejudiciële vragen af te wachten, omdat naar het oordeel van de rechtbank ook zonder de beantwoording van deze vragen af te wachten in deze zaak uitspraak kan worden gedaan. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om de zaak naar de meervoudige kamer te verwijzen. 6.2. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de toepassing van de WI 2024/6 neergelegde geloofwaardigheidsbeoordeling in iedere asielzaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht of het EVRM strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. Wel zijn er situaties denkbaar waarin de toepassing van WI 2024/6 in een concrete zaak kan leiden tot een geloofwaardigheidsbeoordeling die in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn . De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 7.1-7.3 van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2025 en maakt deze overwegingen de hare. Uit deze uitspraak volgt dat per individuele zaak moet worden beoordeeld of de verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling in lijn met het (Unie)recht is. 6.3. De rechtbank is met eisers van oordeel dat dit in de onderhavige zaak niet het geval is, omdat de minister ten onrechte niet alle door eiser overgelegde documenten in de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken en in samenhang met de verklaringen van eiser heeft beoordeeld. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. 6.4. Eiser heeft tijdens het ‘gehoor veilig land van herkomst’ de volgende drie documenten aan de gehoormedewerker overgelegd: Een brief van het UK Home Office van onbekende datum; Een document van het ‘national reconciliation committee’ van 21 februari 2025; Een screenshot van een Whatsapp-gesprek tussen eiser en zijn advocaat in Griekenland van onbekende datum. De rechtbank merkt op dat deze documenten zich niet in het procesdossier bevinden, maar dat in het verslag van het ‘gehoor veilig land van herkomst’ een omschrijving van de inhoud van deze documenten is gegeven. Op de zitting hebben partijen aangegeven dat dit een juiste weergave vormt van de inhoud van deze documenten. De rechtbank gaat daarom uit van de omschrijving van de documenten zoals die in het verslag van het ‘gehoor veilig land van herkomst’ is gegeven. 6.5. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de brief van het UK Home Office niets zegt over de persoonlijke problemen die eiser heeft ondervonden. In de brief staat dat de vrouw van eiser in het Verenigd Koninkrijk tijdelijke bescherming heeft verkregen als slachtoffer van ‘domestic servitude and Forced Labour in Albania between 2005 and 2010 and Forced Prostitution in Milan, Italy, for approximately 5 months from December 2020 to April 2021’. Uit de brief blijkt echter geenszins dat de bescherming die de vrouw van eiser heeft verkregen, verband houdt met de door eiser in deze asielprocedure gestelde problemen. De minister heeft dan ook kunnen concluderen dat zij niet de waarde aan dit document heeft gehecht die eiser wenst. 6.6. Wat het document van het ‘national reconciliation committee’ betreft, is de rechtbank van oordeel dat de minister dit document ten onrechte niet kenbaar in de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geenszins van belang is of eiser dit document heeft overgelegd, omdat de minister onder de voorwaarde als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw toetst of de verklaringen van eiser een samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank een onjuist standpunt ingenomen. Dat de minister onder voorwaarde c beoordeelt of de verklaringen van eiser een samenhangend en aannemelijk geheel vormen, ontslaat hem namelijk niet van de verplichting om ook de door eiser ingebrachte documenten kenbaar in de geloofwaardigheidsbeoordeling te betrekken. De minister dient namelijk een asielaanvraag op individuele basis te beoordelen en daarbij steeds alle relevante elementen – waaronder de door eiser ingebrachte documenten – in hun samenhang te beoordelen om tot een conclusie te komen over de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Door de inhoud van het document van het ‘national reconciliation committee’ niet kenbaar in de beoordeling te betrekken, heeft de minister geen volledige geloofwaardigheidsbeoordeling verricht. Het bestreden besluit is op dit punt daarom onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. 6.7. Uit het bestreden besluit blijkt evenmin dat de screenshot van het Whatsapp-gesprek tussen eiser en zijn Griekse advocaat, waarin zou staan dat Sandri hem zou willen vermoorden, kenbaar in de geloofwaardigheidsbeoordeling is betrokken. Dat dit screenshot volgens de minister niet in het bestreden besluit wordt genoemd, maar wel is betrokken bij de door eiser gestelde vrees voor Sandri, acht de rechtbank onvoldoende. De minister heeft namelijk niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze hij dit document hierbij heeft betrokken en welke waarde aan het document is gehecht. Beperkte rol bij het drugstransport 7. De rechtbank is verder met eiser van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet valt in te zien dat eiser door de criminele bende wordt gezocht gelet op de beperkte rol die hij heeft gespeeld bij het drugstransport. Weliswaar heeft eiser verklaard dat hij slechts een kleine schakel speelde in het drugstransport, maar hij heeft in het gehoor ook verklaard dat de criminele bende dacht dat hij een veel grotere rol bij dit transport speelde dan daadwerkelijk het geval was en dat hij door de bende schuldig werd gehouden voor het mislukken van het transport. De minister heeft deze verklaringen ten onrechte niet in zijn beoordeling meegewogen. Ook op dit punt is het bestreden besluit daarom niet zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Conclusie en gevolgen 8. De rechtbank heeft reeds in overweging 5 geconcludeerd dat het beroep gegrond en de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen, voor zover dat ziet op het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Gelet op hetgeen daarna is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de afwijzing van de asielaanvraag, in stand te laten. Ook op dit punt zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen. De minister zal een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met deze uitspraak. De minister zal in het nieuw te nemen besluit opnieuw een geloofwaardigheidsbeoordeling moeten verrichten. De rechtbank geeft de minister voor het nieuw te nemen besluit een termijn van acht weken. Gelet op het voorgaande behoeven de overige gronden geen bespreking meer. 9. Omdat met deze uitspraak op het beroep is beslist, bestaat geen aanleiding meer tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. 10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de proceskosten van eiser met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.13005: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.13006: - wijst het verzoek af. De rechtbank/voorzieningenrechter, in alle zaken, - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.721,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. ECLI:NL:RBDHA:2025:3440. ECLI:NL:RBDHA:2025:136. Richtlijn 2011/95/EU inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming. ECLI:NL:RBDHA:2025:10057. Vreemdelingenwet 2000. Zie de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 6 maart 2025, rechtsoverweging 4.6 en van zittingsplaats Utrecht van 10 juni 2025, rechtsoverweging 7.2-7.3.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...