ECLI:NL:RBDHA:2025:20020
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-02-24
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel. Verweerder heeft het asielrelaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden. Aan de door eiser ingebrachte foto's en documenten heeft verweerder niet de waarde toe hoeven kennen die eiser eraan toegekend wilde zien. Van een strijd met de Kwalificatierichtlijn, de Procedurerichtlijn en het Unierecht ten aanzien van de geloofwaardigheidsbeoordling is niet gebleken. Zo ook niet dat verweerder de asielaanvraag af heeft kunnen wijzen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.1672 en NL25.1673 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. M.E. Muller), en de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. K. Kana). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 26 december 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 9 januari 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 1.1. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 5 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Alemayehu als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994, heeft de Ethiopische nationaliteit en behoort tot de etnische groep Amhara. Hij heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser heeft de Fano de afgelopen twee jaar financieel gesteund. Tijdens zijn verhuizing heeft eiser gedwongen gebruik gemaakt van zogeheten ‘dragers’ om een tafel en een bank naar zijn woning te tillen. Toen zij binnen waren zag eiser dat zij een vlag in zijn woning opmerkten waaruit afgeleid zou kunnen worden dat eiser de Fano steunt. Later diezelfde dag heeft de politie eisers huis doorzocht en is hij bedreigd. Twee maanden lang is de politie vier tot vijf keer per week langs geweest voor doorzoekingen waarna eiser in een leeg appartementencomplex voor drie dagen lang is ondervraagd. Hierbij is eiser mishandeld en uitgescholden. Na zijn vrijlating is eiser onder toezicht gesteld en zijn de doorzoekingen van zijn huis en bedreigingen naar hem doorgegaan. Eiser is hierbij gesommeerd niet te verhuizen. Desalniettemin is eiser in december 2024 gevlucht. Zijn moeder is sinds zijn vertrek nog drie keer bezocht door de autoriteiten waarbij zij naar eiser hebben gevraagd. Bij terugkeer vreest eiser alsnog opgepakt te worden omdat ze denken dat hij een spion voor de Fano is. Het bestreden besluit 3. Verweerder heeft twee asielmotieven uit het asielrelaas van eiser herleid. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofd. Niet wordt geloofd dat eiser problemen heeft met de Ethiopische autoriteiten vanwege zijn steun aan de Fano. Verweerder stelt zich hiervoor op het standpunt dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo heeft eiser wisselend verklaard over de vlag in zijn huis en over de doorzoekingen door de autoriteiten. Ook zijn eisers verklaringen over zijn problemen vaag en alleen gebaseerd op vermoedens. Verder vindt verweerder het vreemd dat eiser bij aankomst in Nederland kenbaar heeft gemaakt dat hij asiel aan wilde vragen en dat eiser zijn asielaanvraag vervolgens wilde intrekken omdat hij moe was en honger had. Daarnaast hecht verweerder slechts beperkte waarde aan de documenten die eiser ter onderbouwing heeft ingediend. Eiser is volgens verweerder geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en loopt bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser verklaringen heeft afgegeven die zijn beoordeeld als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig. Tot slot wordt eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. Hiervoor voert eiser aan dat hij niet wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard over de vlag in zijn woning, de doorzoekingen van de politie en of hij wel of niet de Oromo taal machtig is. Ook heeft eiser niet summier verklaard over zijn ondervraging omdat de agenten niet meer hebben gevraagd dan hij heeft verklaard. Daarnaast heeft eiser zijn vrees niet gebaseerd op alleen vermoedens. Omdat eiser legaal uit is gereisd zijn de autoriteiten ervan op de hoogte dat hij langdurig in het buitenland verblijft. Verder heeft eiser direct bij aankomst asiel aangevraagd maar is hij niet goed geïnformeerd over de mogelijkheden, te weten een zogenaamd besluit in de zin van artikel 4.6 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) om de volgende dag terug te keren. Daarnaast onderbouwen de overgelegde documenten elementen uit zijn relaas dat door verweerder ten onrechte niet geloofwaardig wordt gevonden. In toevoeging daarop wijst eiser ook op een brief van VWN die toont dat zijn asielrelaas past binnen algemene landeninformatie. Ook blijkt uit het voornemen en bestreden besluit niet dat verweerder aan landeninformatie heeft getoetst. Verder worden wel geloofwaardige elementen ten onrechte niet of onvoldoende betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling, met name de landeninformatie en documenten. Hierbij verwijst eiser naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025 waarin prejudiciële vragen zijn gesteld. Verder heeft verweerder de asielaanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond omdat verweerder de aanvraag had moeten afwijzen op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e van de Vw. Daarnaast verwijst eiser naar twee uitspraken over de Fano van de rechtbank Den Haag, zittingsplaatsen Middelburg en Arnhem, van 15 februari 2024 en 10 december 2024. Wat is het oordeel van de rechtbank? Problemen met autoriteiten voor steunen van de Fano 5. Verweerder heeft naar oordeel van de rechtbank het asielmotief inzake eisers gestelde problemen met de autoriteiten, niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden. Hiervoor heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij wisselend heeft verklaard over waar de genoemde vlag zich bevond, namelijk eerst aan de muur maar later zou het om een kleinere vlag aan een stokje op tafel gaan. Een foto die eiser kort voor de zitting heeft overgelegd toont een kleine vlag aan een stokje. Verweerder heeft echter tegen kunnen werpen dat hieruit niet blijkt wanneer deze foto is gemaakt, dat eiser heeft verklaard dat zijn moeder de vlag heeft weggegooid en dat niet duidelijk is waarom eiser deze foto niet eerder in heeft gebracht. Ook over eisers verklaring over de huisbezoeken door de politie heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser wisselend heeft verklaard. Namelijk eerst dat, nadat eiser drie dagen was vastgehouden en ondervraagd, de bezoeken in frequentie meer werden. Als eiser er vervolgens mee wordt geconfronteerd dat hij daarna dezelfde frequentie als eerder noemt, verklaart eiser dat de intensiteit van de bedreigingen en beledigingen is toegenomen. Verder heeft verweerder tegen kunnen werpen dat eiser summier heeft verklaard over de drie dagen dat hij is vastgehouden en ondervraagd. Daarnaast heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eiser niet heeft kunnen onderbouwen waarom hij onder federaal toezicht zou staan en bij terugkeer aangehouden zal worden, aangezien eiser dit alleen vermoedt en legaal uit heeft kunnen reizen. 5.2. De documenten waar eiser in beroep naar heeft verwezen – waaronder een foto van een verwonding of blauwe plek, een foto van eiser met twee gestelde leden van de Fano, een huurcontract en een brief van VWN – zijn door verweerder in de beoordeling meegenomen. Verweerder heeft deugdelijk gemotiveerd dat er geen zwaarder gewicht aan deze documenten wordt gehangen. Zo volgt volgens verweerder uit het huurcontract weliswaar dat eiser is verhuisd, maar onderbouwt dit de verdere verklaring niet. Ook volgt uit de foto’s niet hoe eiser de verwonding heeft opgelopen noch dat de getoonde personen leden van de Fano zijn. En ook niet dat eiser enige relatie met de Fano heeft of dat de autoriteiten eiser hiervan verdenken. Verweerder heeft verder de inhoud van de brief van VWN in zoverre niet weersproken, maar er wel op kunnen wijzen dat dit algemene informatie is en dat deze informatie niet op eiser zelf ziet. Eiser heeft op zijn beurt ook niet toegelicht welke informatie uit de brief zijn relaas ondersteunt anders dan dat zijn relaas in het door de brief geschetste beeld past. Nu niet is gebleken welke (landen)informatie die specifiek ziet op eisers situatie door verweerder ten onrechte niet bij de beoordeling is betrokken, gaat het beroep van eiser ter zitting op het arrest van 29 juni 2023 ook niet op. Kort voor de zitting heeft eiser verder nog een transcript van een voicemail van zijn moeder ingediend waaruit zou blijken dat eiser nog steeds wordt gezocht. Hiervan heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat hieruit niet blijkt dat deze tekst van een voicemail afkomstig is en dat dit aan voorgenoemde tegenwerpingen niet afdoet. 5.3. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat niet langer wordt tegengeworpen dat eiser zou hebben aangegeven dat hij de Oromo taal machtig is. Eiser is hierin door verweerder verkeerd begrepen. Desalniettemin wijst verweerder erop dat eiser in zijn verklaring wel heeft aangegeven dat hij slechts vermoedt dat de dragers onderling spraken over de vlag. De rechtbank volgt eiser echter wel in zijn verklaring dat het niet onaannemelijk is dat hij aan de lichaamstaal van de dragers heeft kunnen zien dat zij aansloegen op de vlag, en dat het daarop volgende onderlinge gesprek vermoedelijk daarover is gegaan. Gelet op de overige tegenwerpingen die verweerder heeft kunnen doen, is dit van onvoldoende gewicht voor een geloofwaardig asielmotief. 5.4. Voor zover eiser daarnaast ter zitting heeft willen betogen dat hem niet tegengeworpen kan worden dat hij zijn aanvraag heeft ingetrokken, slaagt dit betoog niet. Zelfs al zou eiser hierin worden gevolgd, heeft verweerder gelet op het voorgaande zijn asielrelaas voldoende gedragen ongeloofwaardig bevonden. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om deze grond verder te behandelen. 5.5. Verder is naar oordeel van de rechtbank niet gebleken dat verweerder in strijd met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, artikel 10, derde lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn en artikelen 4 en 18 van het Handvest heeft gehandeld. Eiser heeft hiervoor aangevoerd dat verweerder ondersteunende elementen onvoldoende bij de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken. Verwezen wordt naar de omstandigheden dat eiser sympathisant van de Fano is, een vlag heeft gehad, is verhuisd, dat er dragers zijn geweest en dat de politie meerdere malen langs is geweest. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat het asielmotief inzake eisers problemen met de autoriteiten zonder voorbehoud ongeloofwaardig is bevonden. Dit houdt in dat de door eiser genoemde elementen die aan dit asielmotief raken ook niet expliciet wel geloofwaardig zijn bevonden. Daarbij heeft eiser niet of onvoldoende kunnen concretiseren waaruit blijkt dat deze elementen onvoldoende zijn betrokken of welke gevolgen dit ten onrechte zou hebben gehad. 5.6. Voor zover eiser onder verwijzing naar de uitspraak van 7 januari 2025 heeft willen betogen dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van verweerder zich in dit geval niet verenigt met het Unierecht, wordt dit niet gevolgd. Gelet op voorgaande overwegingen ziet de rechtbank geen of onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat verweerder in dit concrete geval geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met de leden 1 tot en met 4 van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. Ook ziet de rechtbank daarom geen aanleiding deze zaak aan te houden in afwachting van de reactie op de prejudiciële vragen. De verwijzingen naar de uitspraken van 15 februari 2024 en 10 december 2024 slagen evenmin. Voorop staat dat eiser niet heeft toegelicht wat de relevantie van deze uitspraken voor zijn situatie is. Dat de Fano erin benoemd wordt, betekent niet zonder meer dat deze zaak eenzelfde uitkomst moet hebben. Daar komt bij dat de omstandigheden waarop de rechtbank in beide uitspraken het bestreden besluit heeft vernietigd, zich in deze zaak niet voordoen. Kennelijk ongegrond 6. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder zijn asielaanvraag ten onrechte heeft afgewezen als kennelijk ongegrond omdat hij met zijn gronden heeft aangetoond dat hij niet kennelijk inconsequent en tegenstrijdig heeft verklaard. De rechtbank heeft onder rechtsoverweging 5 overwogen dat verweerder meerdere inconsistenties in eisers verklaring tegen heeft kunnen werpen. De conclusie die eiser trekt, wordt daardoor niet gevolgd. Daar komt bij dat eiser niet of onvoldoende heeft kunnen motiveren waarom verweerder niet de drempel van kennelijk inconsequente of tegenstrijdige verklaringen heeft gehaald. Terugkeerbesluit en inreisverbod 7. Eiser heeft hiervoor slechts verwezen naar zijn zienswijze. Hieruit kan de rechtbank niet opmaken waarmee eiser het in het bestreden besluit niet eens is. De rechtbank ziet hierin dan ook geen beroepsgrond en zal deze niet verder behandelen. Conclusie en gevolgen 8. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser Nederland moet verlaten. 8.1. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 8.2. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw. De Amhara Fano, een paramilitaire oppositiegroep. Verwezen wordt naar artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, artikel 10, derde lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn en artikelen 4 en 18 van het Handvest. Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:136. ECLI:NL:RBDHA:2024:2119. ECLI:NL:RBDHA:2024:21232. Verslag nader gehoor, pag. 6. Verslag nader gehoor, pag. 18. Verslag nader gehoor, pag. 21. Verslag nader gehoor, pag. 19. Verslag nader gehoor, pag. 23 en 24. Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 juni 2023, zaaknummer C-756/21, ECLI:EU:C:2023:523.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...