Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:17710

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-09-12
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.22739 en NL25.22740
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
17.673 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

De rechtbank beoordeelt het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser en het verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Het besluit kent een zorgvuldigheidsgebrek nu er geen gebruik is gemaakt van een registertolk Punjabi, terwijl registertolken in deze taal wel beschikbaar zijn. Eiser is hierdoor echter niet in zijn belangen geschaad nu hij heeft verklaard de tolk goed te hebben begrepen en eiser ook niet heeft aangevoerd dat er misverstanden zijn ontstaan wegens het gebruik van een niet beëdigde tolk. De rechtbank oordeelt verder dat er kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland, eiser zich niet in een situatie bevindt zoals bedoeld in het arrest C.K. of het arrest Tarakhel en dat verweerder de aanvraag niet aan zich heeft hoeven trekken op grond van artikel 17 Dublinverordening. Het beroep is ongegrond.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: NL25.22739 (beroep) en NL25.22740 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser en verzoeker (hierna: eiser) V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. M.A. Krikke), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. E. de Jong). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 1.1. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 29 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S.M. Khokhar als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. 3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond maar laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Achtergrond 4. Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1965. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 24 januari 2017 in Duitsland een asielaanvraag heeft ingediend. Eiser heeft verklaard dat deze asielaanvraag is afgewezen. Op 1 maart 2025 heeft eiser een asielaanvraag in Nederland ingediend. Bij besluit van 19 mei 2025 heeft verweerder deze asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. Nederland heeft bij Duitsland een verzoek om overname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening. Duitsland heeft dit verzoek op 27 maart 2025 aanvaard. Heeft verweerder eiser mogen horen zonder gebruik te maken van een registertolk? 5. Eiser voert aan dat verweerder op grond van artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) gebruik had moeten maken van een beëdigde tolk. Verweerder kan hiervan afwijken indien wegens de vereiste spoed een in het register ingeschreven tolk niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen tolk bevat. Eiser voert aan dat er registertolken Punjabi beschikbaar zijn en dat er geen sprake is van de vereiste spoed nu de termijnen van de algemene asielprocedure niet van toepassing zijn op de asielprocedure van eiser. Bij het later inplannen van het aanmeldgehoor zouden er dus geen termijnen worden overschreden. Verweerder had moeten wachten met het inplannen van het aanmeldgehoor tot er een registertolk Punjabi beschikbaar was. 6. Niet is in geschil dat tijdens het aanmeldgehoor gebruik is gemaakt van een niet-beëdigde tolk in de Punjabi taal. In het bestreden besluit is opgenomen dat er geen Punjabi registertolken beschikbaar zijn. Ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat dit onjuist is en dat er wel registertolken in die taal beschikbaar zijn maar dat deze niet op tijd beschikbaar waren. Er is gebruik gemaakt van een niet-registertolk omdat in de Dublinprocedure spoed is vereist en de beschikbaarheid van de registertolk Punjabi niet kon worden afgewacht. 6.1. De rechtbank volgt dat standpunt van verweerder niet. De asielaanvraag is niet afgedaan in de zogeheten algemene asielprocedure. Dat betekent dat de termijnen die daarvoor gelden, gericht op afdoening binnen acht procesdagen, in dit geval niet van toepassing waren. Dat heeft tot gevolg dat het aanmeldgehoor ook een paar dagen of een week later had kunnen worden gehouden. De praktische en logistieke problemen, die zich volgens verweerder voordoen indien de voorgenomen planning bij toepassing van de Dublinprocedure niet kan worden gevolgd, leiden niet tot het oordeel dat sprake is van spoedeisendheid als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Wbtv. Door te wachten op een registertolk worden immers geen wettelijke termijnen overschreden. Dit betekent dat verweerder artikel 28, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wbtv heeft geschonden door eiser niet te horen met gebruikmaking van een registertolk. Het besluit kent in zoverre een zorgvuldigheidsgebrek. Deze beroepsgrond slaagt. 6.2. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht in stand blijven. De rechtbank volgt het subsidiair ingenomen standpunt van verweerder, dat eiser door het horen zonder registertolk niet in zijn belangen is geschaad nu hij voorafgaand aan en na afloop van het aanmeldgehoor heeft verklaard de tolk goed te verstaan en te begrijpen en eiser ook niet heeft aangevoerd dat er misverstanden zijn ontstaan wegens het gebruik van de niet-beëdigde tolk. Kan verweerder ten aanzien van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel? 7. Eiser voert aan dat ten aanzien van Duitsland niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser wijst op het ontbreken van een eerlijk proces in Duitsland, eiser is niet goed gehoord en heeft geen gratis rechtsbijstand gekregen in de beroepsfase. Daarnaast heeft eiser verklaard dat na acht jaar zijn asielaanvraag negatief is afgesloten. Eiser zou worden teruggestuurd naar Pakistan en geld krijgen om daar iets te beginnen. Duitsland wilde eisers visum niet verlengen en ze gaven geen antwoord op de vragen die eisers advocaat stelde. Eiser is naar Nederland gegaan omdat hij het gevaarlijk vond om in Duitsland te blijven, waar hij kon worden vastgezet en teruggestuurd. 8. De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 14 februari 2025 heeft geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Duitsland nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De rechtbank ziet in eisers stelling geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling. Met de enkele, niet onderbouwde, stelling dat een eerlijke procedure zou ontbreken in Duitsland heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verweerder ten opzichte van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Verweerder heeft daarom in het bestreden besluit terecht kunnen overwegen dat de Duitse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd het asielverzoek van eiser in behandeling te nemen in overeenstemming met de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Wanneer hij na overdracht toch problemen ervaart, ligt het op de weg van eiser daarover te klagen bij de aangewezen instanties. De enkele stelling van eiser dat hij geen toegang heeft tot gratis rechtsbijstand, is onvoldoende om aan te nemen dat klagen bij voorbaat kansloos is. De beroepsgrond slaagt niet. Is er sprake van een situatie als bedoeld in het arrest Tarakhel en C.K.? 9. Eiser doet een beroep op het arrest C.K. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 16 februari 2017 en de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2022. Eiser kampte in Duitsland met suïcidale gedachten, terwijl dit in Nederland niet meer het geval is. Eiser heeft een patiëntendossier van GZA overgelegd waaruit blijkt dat hij depressief is en paniekaanvallen heeft. Verweerder heeft het verschil dat hij in Duitsland suïcidaal was en in Nederland niet meer, ten onrechte niet kenbaar betrokken in zijn beoordeling en ook geen BMA-advies opgevraagd terwijl er een suïciderisico is bij overdracht. Eiser is, gelet op zijn medisch-psychische toestand, aan te merken als een bijzonder kwetsbare persoon in de zin van het arrest Tarakhel. Verweerder dient een onderzoek naar de gevolgen van de overdracht naar Duitsland op te starten. 10. De rechtbank stelt vast dat, voor zover eiser stelt dat er aanvullende garanties dienen te worden afgegeven onder verwijzing naar het arrest Tarakhel, dat arrest betrekking heeft op een gezin met minderjarige kinderen. In het arrest hadden de vreemdelingen aannemelijk gemaakt dat zij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties in Italië geen adequate opvangvoorzieningen zouden krijgen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015 volgt dat het arrest Tarakhel ook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen, als aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden. Het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de betrokken persoon kunnen hierbij van belang zijn. Ook volgt uit deze uitspraak dat aannemelijk moet worden gemaakt dat zich vergelijkbare omstandigheden voordoen als die waarmee de vreemdelingen in het arrest zich geconfronteerd zagen. De bewijslast dat sprake is van zo’n bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling. 10.1. Uit het arrest C.K. volgt dat, ook als van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, overdracht in het kader van de Dublinverordening op zichzelf een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) kan opleveren. Dit kan met name voorkomen als de overdracht van een vreemdeling met bijzonder ernstige psychische of lichamelijke problemen een ernstige verslechtering van zijn of haar gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben, zodat er een situatie ontstaat zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. Als een vreemdeling objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, moet verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. 10.2. Uit de verklaringen kunnen geen bijzondere behoeften van eiser worden afgeleid. Dat uit het patiëntendossier blijkt dat eiser bekend is met psychische klachten en diabetes (type 2). Uit het patiëntendossier blijkt niet dat sprake is van een ernstige mentale of lichamelijke aandoening waarbij de overdracht een reëel en bewezen risico zou inhouden op een aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand van eiser. Ook volgt de rechtbank de stelling van verweerder ter zitting dat uit het patiëntendossier van GZA niet volgt dat, omdat eiser momenteel geen last heeft van suïcidale klachten, er bij overdracht naar Duitsland wel sprake is van een suïciderisico. Daarbij wordt overwogen dat uit artikel 32 van de Dublinverordening volgt dat als sprake is van bijzondere medische behoeften, verzorging of behandeling, de verantwoordelijke lidstaat bij overdracht hierover wordt geïnformeerd. Hiervoor moet eiser toestemming geven. Daarmee is voldoende gewaarborgd dat eiser na de overdracht de benodigde voorzieningen zal ontvangen. Eiser heeft niet met documenten aannemelijk gemaakt dat hij behoort tot een potentieel bijzondere kwetsbare groep of dat er voor hen geen mogelijkheden tot medische voorzieningen zijn in Duitsland. Om die reden zijn er geen individuele garanties van Duitsland vereist. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet. Had verweerder de aanvraag in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening? 11. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. De enkele verwijzingen naar de artikelen 2, 8, 9, 10, 11 en 16 van de Dublinverordening met een onderbouwing waarom niet aan de vereisten van die artikelen is voldaan, is onvoldoende in dit specifieke geval. Eisers ervaringen in Duitsland moeten worden meegenomen en er moet gemotiveerd worden waarom dit er niet toe leidt dat verweerder de asielaanvraag aan zich trekt op basis van artikel 17 Dublinverordening. Bovendien is het voldoen aan de vereisten uit voornoemde artikelen geen vereiste voor de toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser voert aan dat hij afhankelijk is van zijn zoon om zijn medicatie in te nemen en dit moet worden meegewogen. 12. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening en paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht is. 12.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden heeft betrokken, en voldoende daadkrachtig heeft gemotiveerd dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat een overdracht naar Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Hoewel de wens van eiser om bij zijn zoon in Nederland te verblijven begrijpelijk is, heeft verweerder de relatie tussen eiser en zijn zoon niet hoeven aanmerken als een bijzondere, individuele omstandigheid die maakt dat overdracht van eiser van een onevenredige hardheid getuigt. Uit het patiëntendossier van GZA blijkt niet dat er sprake is van een afhankelijkheid zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening. Met verweerder kan worden geoordeeld dat eisers verklaringen dat zijn zoon zijn medicatie in de gaten houdt en voor hem zorgt niet voldoende is om deze afhankelijkheid aan te nemen, nu eiser acht jaar in Duitsland heeft verbleven zonder hulp van deze zoon. Er kan niet worden gesteld dat enkel de zoon van eiser deze zorg kan bieden. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 13. Het beroep is gegrond door het in rechtsoverweging 6.1. geconstateerde gebrek. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad door het gebrek. Ook zijn er geen andere gebreken geconstateerd in het besluit, waardoor de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand blijven. Dit betekent dat verweerder eiser mag overdragen aan Duitsland. 13.1. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift in de zaak van eiser, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift in de zaak van eiser en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die kunnen worden vergoed. 13.2. Omdat met deze uitspraak op het beroep is beslist, is een voorlopige voorziening niet meer nodig. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.721,- De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M. Doorman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verordening (EU) nr. 604/2013. ECLI:NL:RVS:2025:575. ECLI:EU:C:2017:127. ECLI:NL:RVS:2022:586. Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712, in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland. ECLI:NL:RVS:2015:3806. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:223. Zie hiervoor de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Afdeling van 16 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:129, van 29 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1802 en van 12 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2408.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...