ECLI:NL:RBDHA:2025:16329
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-08-22
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Artikel 6 / had na aanmeldgehoor al opgeheven moeten worden / lichter middel ivm medische omstandigheden / ogg
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.35531 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], [V-nummer], eiseres (gemachtigde: mr. D. van Elp), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. (gemachtigde: mr. J.A. Weststrate). Procesverloop Bij besluit van 28 juli 2025 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Verweerder heeft op 11 augustus 2025 de maatregel van bewaring opgeheven. Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiseres heeft op 12 augustus 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 13 augustus 2025 gereageerd. De rechtbank heeft op 15 augustus 2025 het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond. 2. Een vrijheidsontnemende maatregel wordt op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet als sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die de vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. 3. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring kan de rechtbank aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. 4. De gemachtigde van eiseres voert aan dat de maatregel van meet af aan onrechtmatig was. Weliswaar heeft eiseres zich, op advies van de mensenhandelaar, ontdaan van haar paspoort, maar ze was nog wel in het bezit van een identiteitskaart. Nu zij hiermee haar identiteit en nationaliteit kan aantonen, is in de maatregel ten onrechte opgenomen dat er nog onderzoek hiernaar moet worden gedaan. Verder is in de maatregel opgenomen dat eiseres onvoldoende middelen van bestaan heeft, maar zij had wel degelijk geld bij zich. Subsidiair wordt gesteld dat het na het aanmeldgehoor al duidelijk had moeten zijn dat de zaak zich niet leende voor afdoening binnen de grensprocedure. Daarnaast spelen er medische omstandigheden. Eiseres heeft last van haar schildklier, waarvoor zij medicatie krijgt en heeft last van stress. Gelet hierop had ambtshalve aan artikel 64 van de Vw moeten worden getoetst. 5. De rechtbank overweegt het volgende. 6. Niet in geschil is dat eiseres op 28 juli 2025 aan de grens een asielaanvraag heeft ingediend, terwijl zij niet aan de voorwaarden voor toegang tot Nederland voldeed. Volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter hoeft verweerder bij toepassing van de grensprocedure niet al bij het opleggen van de maatregel een pré-toets te verrichten naar de inwilligbaarheid van het asielverzoek. Daarnaast moet verweerder een redelijke termijn worden gegeven om onderzoek te verrichten naar het asielverzoek van de vreemdeling en naar de vraag of dit verzoek zich leent voor afdoening in de grensprocedure. Daarbij wordt de beslissing hierover in beginsel genomen na het nader gehoor, omdat dan alle relevante feiten bekend zijn. Daarnaast kan verweerder bijvoorbeeld onderzoeken of sprake is van tegenstrijdigheden in het relaas, van een veilig derde land of van een mogelijke Dublinclaim. Verweerder moet tijdens de behandeling van het asielverzoek in de grensprocedure voortdurend afwegen of het asielverzoek zich nog steeds leent voor afdoening in de grensprocedure. Of verweerder die beoordeling voldoende voortvarend heeft verricht, kan slechts terughoudend worden getoetst in deze procedure. 6.1. De enkele omstandigheid dat eiseres over een identiteitskaart beschikte, betekent niet dat verweerder niet in de gelegenheid kan worden gesteld om een onderzoek als hiervoor bedoeld te verrichten. Daarbij is van belang dat eiseres tijdens haar vlucht gebruik heeft gemaakt van een ander document, te weten een paspoort, welke, in tegenstelling tot de identiteitskaart, niet voorafgaand aan haar reis gecontroleerd. 6.2. Eiseres heeft op 28 juli 2025 aan de grens te kennen gegeven een asielaanvraag te willen indienen en is op diezelfde datum opgenomen in de grensprocedure. Tijdens en na afloop van het nader gehoor vindt het inhoudelijke onderzoek plaats, omdat het aanmeldgehoor geen volledig inhoudelijk gehoor is. Verweerder heeft op dezelfde dag als het nader gehoor de maatregel opgeheven, omdat bleek dat de zaak zich niet leent voor afdoening binnen de grensprocedure. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft beoordeeld of eiseres haar aanvraag zich leende voor afdoening binnen de grensprocedure. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder eerder aanleiding had moeten zien de maatregel op te heffen. 7. Dat eiseres last heeft van haar schildklier, hiervoor medicatie gebruikt en last heeft van stress, is door verweerder meegewogen bij de beoordeling voor het al dan niet opleggen van een lichter middel. Verweerder heeft gemotiveerd overwogen dat de medische omstandigheden van eiseres geen aanleiding vormen om af te zien van het opleggen van de maatregel van bewaring. In de maatregel is er terecht op gewezen dat er voldoende medische voorzieningen zijn in het detentiecentrum. Voor zover eiseres meent dat zij vanwege medische problemen detentieongeschikt is, overweegt de rechtbank dat het op haar weg ligt om dit aan te tonen. 8. Ten aanzien van de stelling van eiseres dat zij wel over voldoende middelen van bestaan beschikt, is van belang dat de vraag of verweerder deze aangekruiste weigeringsgrond in het formulier M18-A heeft kunnen tegenwerpen niet relevant is in deze procedure. Dit kan pas aan de orde komen wanneer eiseres daadwerkelijk de toegang wordt geweigerd en daarvan is nu geen sprake. 9. Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) Op grond van artikel 106 van de Vw. Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1451 en 1452. Zie paragraaf C1/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...