Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:15009

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-01-16
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL24.37758
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
14.934 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asielaanvraag wegens verschillende problemen. Somalië, Drogbo-etniciteit. Beroep ongegrond. Verweerder mocht de asielmotieven ongeloofwaardig vinden. Bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 EVRM, eiseres komt uit [plaats 1] en Al-Shabaab heeft daar geen macht. Er is een bootverbinding tussen [plaats 2] en [plaats 1], waardoor eiseres niet hoeft te reizen over land in handen van Al-Shabaab. Dat experts stellen dat zij niet van die bootverbinding hebben gehoord maakt niet dat die er niet is.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL24.37758 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. M.R. van der Linde), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Deniz). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing haar asielaanvraag. 1.1. Eiseres heeft op 24 juni 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 20 september 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 2. De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Als tolk is verschenen de heer M.A. Bashir Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1983 en heeft de Somalische nationaliteit. Zij legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres verkocht etenswaar op het strand in [plaats 1] en daarbij ook wel eens aan soldaten van het regeringsleger. Al-Shabaab was hiervan niet gediend, hebben haar telefonisch bedreigd en hebben haar daarna ontvoerd naar een onbekende plek. Nadat eiseres kon ontsnappen, is zij naar [plaats 1] gegaan en daar heeft zij – met de hulp van de broer van haar moeder – de stad verlaten. Eiseres is per boot naar [plaats 2] gereisd en met behulp van een smokkelaar heeft zij een paar dagen later Somalië verlaten. Eiseres stelt ook problemen te hebben ondervonden vanwege haar etniciteit en de omstandigheid dat zij verliefd was geworden op een andere man genaamd [naam 1] . Na aankomst in Nederland hoorde eiseres dat haar man is gevlucht. 3.1. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar asielrelaas geen documenten overgelegd. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres (ook wel het eerste asielmotief); de problemen als gevolg van de werkzaamheden van eiseres (ook wel het tweede asielmotief); de problemen vanwege de Drogbo etniciteit die eiseres heeft (ook wel het derde asielmotief) de problemen omdat eiseres verliefd werd op [naam 1] (ook wel het vierde asielmotief); en de omstandigheid dat eiseres een alleenstaande vrouw is (ook wel het vijfde asielmotief). 4.1. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Het tweede asielmotief vindt verweerder niet geloofwaardig, nu de verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Dat geldt ook voor het vierde en vijfde asielmotief. Wat betreft het derde asielmotief vindt verweerder dat de problemen niet kunnen worden uitgesloten, maar dat de gestelde intensiteit niet wordt gevolgd omdat ook deze verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Dat eiseres uit Somalië komt is onvoldoende om aan te nemen dat eiseres een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag . Dat eiseres is gediscrimineerd door de autoriteiten en medeburgers is ook onvoldoende om haar aan te merken als vluchteling, nu zij volgens verweerder niet een dusdanige ernstige beperking van de bestaansmogelijkheid heeft gehad waardoor het voor haar onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Dat eiseres uit Somalië komt is voor verweerder geen reden om aan te nemen dat zij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM . Daar komt bij dat eiseres komt uit [plaats 1] , dat niet onder controle staat van Al-Shabaab of waar Al-Shabaab aan de macht is. Ook is niet gebleken dat eiseres bij terugkeer over land moet reizen door een gebied waar Al-Shabaab de macht heeft of gebied controleert, nu er tussen [plaats 2] en [plaats 1] een bootverbinding is die in principe dagelijks vertrekt. Eiseres komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw en verweerder wijst de aanvraag af als ongegrond. Wat vindt eiseres in beroep? 5. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder mocht de asielmotieven niet ongeloofwaardig achten. Eiseres verwijst daarbij onder meer naar de zienswijze. Wat betreft het tweede asielmotief noemt eiseres dat verweerder niet kon vinden dat de verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Ook heeft verweerder ten onrechte het derde, vierde en vijfde asielmotief ongeloofwaardig geacht. Wat betreft de beoordeling van artikel 3 van het EVRM stelt eiseres – op basis van landeninformatie-experts van de Helpdesk Vluchtelingenwerk Nederland en verklaringen van Somalië-deskundige [naam 2] (‘ Director of Operations’ bij SAACID ) – dat de dagelijkse bootverbinding tussen [plaats 2] en [plaats 1] nu niet (meer) zou bestaan en zij betoogt dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten dit te onderzoeken. Tot slot stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de aanvraag van eiseres niet in de verlengde asielprocedure heeft behandeld. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiseres kon afwijzen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. 7. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen. 8. De rechtbank overweegt allereerst dat uit de algemene verwijzing naar de zienswijze niet kan worden afgeleid waarom eiseres van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. De enkele verwijzing naar argumenten in de zienswijze wordt daarom niet als beroepsgrond aangemerkt. Mocht verweerder het tweede asielmotief ongeloofwaardig vinden? 9. Verweerder heeft – conform artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw – beoordeeld of de verklaringen van eiseres over haar problemen samenhangend en aannemelijk en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor haar aanvraag. Verweerder heeft daarbij de volgende omstandigheden kunnen betrekken. 9.1. Verweerder heeft aan eiseres kunnen tegenwerpen dat zij wisselend heeft verklaard over wanneer haar vriendin/buurvrouw (hierna: vriendin) is vermoord. Zo heeft eiseres eerst gesteld dat haar vriendin zou zijn vermoord op de dag dat ze weer begon met werken, terwijl ze later verklaart dat haar vriendin vijf dagen nadat ze begon met werken zou zijn vermoord. Dat eiseres de moord op haar vriendin als een schokkende ervaring heeft ervaren volgt verweerder, maar verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat niet blijkt dat dit maakt dat eiseres hier niet consistent over kon verklaren. De rechtbank verwijst daarbij naar het medisch advies van MediFirst, waaruit volgt dat er geen beperkingen aanwezig zijn die het gehoor belemmeren. 9.2. Verder mocht verweerder tegenwerpen dat het onlogisch is dat eiseres bleef werken op het strand, terwijl zij daar bedreigd is. Ter zitting heeft verweerder genoemd dat het begrijpelijk is dat eiseres moet blijven werken en dat het mogelijk is dat ze in de stad niet genoeg verdiende, maar verweerder heeft terecht gesteld dat het onduidelijk blijft waarom eiseres een groot risico neemt door per se weer op het strand te gaan werken. 9.3. Ook mocht verweerder tegenwerpen dat eiseres wisselend heeft verklaard over waar zij de laatste periode voor haar vertrek in Somalië verbleef. Waar eiseres in het nader gehoor heeft verklaard dat ze twee maanden heeft doorgebracht op een schuiladres tot aan haar vertrek, heeft ze in het aanmeldgehoor verklaard dat ze tot aan haar vertrek in de wijk [wijk] woonde en niet op een ander adres heeft verbleven. De stelling van eiseres dat ze de vraag tijdens het aanmeldgehoor verkeerd heeft begrepen, hoefde verweerder niet te volgen. In het aanmeldgehoor is aan eiseres gevraagd of ze daadwerkelijk op het adres in [wijk] leefde tot aan haar vertrek en daar antwoordt zij bevestigend op. Ook is tijdens dat gehoor aan haar gevraagd of zij voor haar vertrek op een ander adres heeft verbleven of geslapen, en ze heeft aangegeven dat dit niet het geval is. Dat eiseres haar verklaringen in het aanmeldgehoor heeft aangepast bij de betreffende correcties en aanvullingen kan het voorgaande ook niet anders maken. 9.4. Gelet op het voorgaande, heeft verweerder een voldoende dragende motivering gegeven bij de beoordeling dat de verklaringen van eiseres over het tweede asielmotief ongeloofwaardig worden geacht. De rest van de beroepsgronden met betrekking tot dit asielmotief behoeven daarom geen bespreking meer. Mocht verweerder het derde asielmotief deels ongeloofwaardig vinden? 10. Verweerder heeft – conform artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw – ook beoordeeld of de verklaringen van eiseres over haar minderheidsachtergrond samenhangend en aannemelijk en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor haar aanvraag. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat het causale verband tussen de gestelde incidenten en de etniciteit niet aannemelijk is gemaakt door eiseres. Verweerder mocht dan ook het derde asielmotief deels ongeloofwaardig vinden. Mocht verweerder het vierde asielmotief ongeloofwaardig vinden? 11. Ook voor het vierde asielmotief heeft verweerder – conform artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw – beoordeeld of de verklaringen van eiseres over dit asielmotief samenhangend en aannemelijk en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor haar aanvraag. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het relaas op verschillende onderdelen vaag, summier en/of wisselend is. De stelling van eiseres dat zij zich schaamt om hierover te verklaren maakt dit niet anders, nu het in beginsel aan eiseres is om haar asielmotief aannemelijk te maken en niet is gebleken dat zij daartoe niet in staat was. In het licht van het voorgaande mocht verweerder dit asielmotief dan ook ongeloofwaardig vinden. Mocht verweerder het vijfde asielmotief ongeloofwaardig vinden? 12. Ook voor dit asielmotief heeft verweerder aan eiseres tegengeworpen dat haar verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en verweerder betrekt daarbij dat eiseres tegenstrijdig verklaart over de verblijfplaats van haar echtgenoot. Zo verklaart eiseres in het aanmeldgehoor dat haar echtgenoot op zee werkt en verklaart ze in het nader gehoor dat haar man gevlucht is. Verweerder mocht tegenwerpen dat eiseres de omstandigheid dat haar man is gevlucht volgens haar eigen verklaringen al wist voordat het aanmeldgehoor heeft plaatsgevonden. Bovendien heeft eiseres dit punt in de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor kunnen aanpassen. Verweerder heeft er terecht op zitting gewezen dat zij dit niet heeft gedaan. Gelet op het voorgaande mocht verweerder dit asielmotief dan ook ongeloofwaardig vinden. 12. Voor zover eiseres betoogt dat verweerder – ook als de rest van haar relaas niet wordt geloofd – haar reeds bescherming moet bieden vanwege de verkoop van broodjes aan regeringssoldaten, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat daartoe geen grond bestaat. Mocht verweerder vinden dat eiseres geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM? 14. Verweerder mocht betrekken dat eiseres afkomstig is uit [plaats 1] , waar Al-Shabaab geen macht over heeft of controle op uitoefent. Ook mocht verweerder betrekken dat eiseres niet over land hoeft reizen door een gebied waar Al-Shabaab de macht of controle heeft, nu uit het laatste ambtsbericht volgt dat er een bootverbinding is tussen [plaats 2] en [plaats 1] die in principe dagelijks vertrekt. De verwijzing van eiseres naar verklaringen van [naam 2] en zijn collega’s maken het voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank, niet anders. Zoals verweerder terecht ter zitting heeft gesteld maakt de omstandigheid dat [naam 2] en zijn collega’s aangeven dat zij nog nooit van een (reguliere) bootverbinding tussen [plaats 2] en [plaats 1] hebben gehoord niet dat een dergelijke bootverbinding er niet is. Dit maakt dat verweerder mocht vinden dat eiseres geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Somalië. Had verweerder de asielaanvraag in de Verlengde Asielprocedure (VA) af moeten doen? 15. Voor zover eiseres stelt dat haar asielaanvraag in de VA had moeten worden afgedaan, kan de rechtbank – gelet op wat zij hiervoor heeft overwogen – deze conclusie niet volgen. Verweerder mocht vinden dat hiertoe geen aanleiding bestond. Conclusie en gevolgen 16. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 ( Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 ( Trb . 1967, 76). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Algemeen Ambtsbericht Somalië 2023 (AAB Somalië), p. 48. SAACID is een Somalische niet-gouvernementele organisatie. Verslag nader gehoor, p. 4. Verslag nader gehoor, p. 13. Verslag aanmeldgehoor, p. 5. Verslag aanmeldgehoor, p. 5, zie ook p. 11.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...