Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2025:12233

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2025-05-26
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL25.14043
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
9.743 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Dublin Kroatië, beroep ongegrond. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Verweerder en de autoriteiten van Kroatië zijn het over eens dat Kroatië de asielaanvraag van eiser in behandeling moet nemen. Eiser vindt dat verweerder de asielaanvraag (onverplicht) in behandeling moet nemen omdat hij eerder in Kroatië is mishandeld, beledigd en vastgehouden. Hij heeft hierdoor psychische problemen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in deze omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om de aanvraag in behandeling te nemen.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: NL25.14043 (beroep) en NL25.14044 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser), V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. D.H. Yabasun) en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. Y. Verheugt). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Verweerder en de autoriteiten van Kroatië zijn het over eens dat Kroatië de asielaanvraag van eiser in behandeling moet nemen. Eiser vindt dat verweerder de asielaanvraag (onverplicht) in behandeling moet nemen omdat hij eerder in Kroatië is mishandeld, beledigd en vastgehouden. Hij heeft hierdoor psychische problemen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in deze omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om de aanvraag in behandeling te nemen. Het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [datum] 2004. Eiser heeft op 8 april 2024 asiel aangevraagd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 25 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Kroatië hiervoor verantwoordelijk is. 2.1. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om de voorlopige voorziening op 19 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, I.H.A. Aziz als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het besluit 3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 27 november 2024 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 11 december 2024 aanvaard. Had verweerder de aanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in behandeling moeten nemen? 4. Eiser voert aan dat verweerder in de omstandigheid dat hij in Kroatië is mishandeld, beledigd en is vastgehouden onder mensonterende omstandigheden waardoor hij psychische klachten heeft gekregen, aanleiding had moeten zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De dreiging om teruggestuurd te worden roept bij eiser suïcidale gedachten op. Eiser vreest dat dit zal verergeren indien hij daadwerkelijk terug is in Kroatië. Eiser verwijst hierbij naar een AIDA rapport uit 2023 en naar een rapport van Médicin Du Monde uit 2023 over de beperkte mentale gezondheidszorg die in Kroatië beschikbaar is. In beroep heeft eiser foto’s overgelegd van zijn medisch dossier, waaruit volgt dat eiser depressieve gevoelens heeft, onrustig is en slecht slaapt. Eiser krijgt hier medicatie voor. Eiser doet in het kader van zijn medische omstandigheden ook een beroep op het arrest C.K. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Volgens eiser ligt het daarom op de weg van verweerder om nader onderzoek te laten verrichten door het BMA, waarbij hij verwijst naar Werkinstructie 2021/3 . Eiser geeft tot slot aan dat indien hij aan Kroatië overgedragen zal worden, hij de steun die hij van zijn zus die ook in Nederland woont, verliest. 5. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 17 van de Dublinverordening kan verweerder een aanvraag onverplicht in behandeling nemen als hij niet verantwoordelijk is. Verweerder maakt terughoudend gebruik van deze bevoegdheid. De rechtbank toetst deze beoordeling van verweerder daarom terughoudend. 6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd waarom geen gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid die is neergelegd in artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft weliswaar het medisch journaal van de Gezondheidszorg Asielzoekers (GZA) overgelegd waaruit volgt dat hij psychische problemen heeft, maar er zijn geen aanwijzingen dat Nederland het meest geschikte land is om eiser te behandelen. Verder heeft de minister bij zijn standpunt kunnen betrekken dat Kroatië dezelfde verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland en dat er daarom mag worden verwacht dat Kroatië eisers psychische problemen net zo goed kan behandelen. Bovendien heeft verweerder ter zitting toegelicht dat de verwijzing naar het AIDA rapport uit 2023 verouderd is en Médicin du Monde de werkzaamheden in Kroatië weer heeft hervat. Niet is gebleken dat eiser in Kroatië geen hulp kan krijgen voor zijn psychische problemen. 7. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in WI 2021/3 heeft neergelegd wanneer er een BMA-advies wordt opgevraagd tijdens de Dublinprocedure. Daarin staat dat dit gebeurd als er sprake is van een ernstige mentale of lichamelijke aandoening en de vreemdeling aantoont dat hij onder actieve medische behandeling staat van een behandelaar/specialist. Uit de objectieve medische gegevens zal moeten blijken dat de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een zodanig ernstige invloed heeft op zijn mentale of fysieke toestand dat er sprake is van een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Ook wordt in die werkinstructie opgemerkt dat enkel een GZA-overzicht onvoldoende is om tot onderzoek over te gaan. In WI 2021/3 is een uitzondering gemaakt voor gevallen waarin de vreemdeling suïcidale uitingen heeft gedaan of een suïcidepoging heeft ondernomen, waarbij sprake moet zijn van een recente suïcidepoging of een suïcidale uitlating waarbij de behandelaar het risico dat een vreemdeling suïcide zal plegen als gevolg van de overdracht als reëel inschat. 8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om een BMA-onderzoek op te starten. Eiser heeft als medische onderbouwing enkel het GZA-overzicht overgelegd. Uit dit stuk blijkt dat eiser zich meerdere keren heeft gemeld bij het GZA, maar hieruit blijkt niet dat eiser onder actieve behandeling staat bij een psycholoog of dat er een diagnose is gesteld over eisers gestelde psychische problemen. Dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij afgelopen week van GZA een doorverwijzing heeft gekregen naar een psycholoog verandert daarom, nog afgezien van het feit dat deze stelling niet is onderbouwd, de conclusie niet. Uit het GZA-uittreksel blijkt wel dat eiser op 14 februari 2025 heeft aangegeven soms suïcidalegedachten te hebben maar geen suïcidepoging heeft gedaan. Aan de recente suïcidale uitlating is echter niet door de GZA de conclusie verbonden dat er sprake is van een reëel of verhoogd suïciderisico. 9. Voor zover eiser een beroep doet op het arrest C.K. in de zin dat overdacht aan Kroatië zelf tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen leidt voor zijn gezondheidstoestand, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het arrest C.K. volgt dat wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. De rechtbank ziet in het GZA-overzicht geen aanknopingspunten dat de medische toestand van eiser zo slecht is dat de overdracht aan Kroatië zelf aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen zal hebben. 10. Dat eiser aanvoert dat hij de steun van zijn zus in Nederland zal verliezen bij een overdracht aan Kroatië heeft verweerder niet tot een andere beslissing hoeven brengen. Eiser heeft in het aanmeldgehoor verklaard dat hij niet bij zijn zus wil wonen en dat hij niet afhankelijk van haar is. 11. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. 13. Aangezien op het beroep beslist is, bestaat er geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter wijst de voorlopige voorziening af. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om de voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. ECLI:EU:C:2017:127. WI 2021/3, BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K. ECLI:NL:RVS:2024:2484 Rapport aanmeldgehoor 25 november 2024 pagina 5.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...