ECLI:NL:RBDHA:2025:11171
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2025-03-17
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel, ongegrond, geloofwaardigheidsbeoordeling WI2024/6, terugkeerbesluiten, gegrond, belangen kinderen en gezondheidstoestand niet kenbaar betrokken, rechtsgevolgen in stand.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummers: NL24.39110, NL24.39112 en NL24.39114 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] V-nummer: [nummer] , eiser, [eiseres 1] V-nummer: [nummer] , eiseres 1, mede namens haar minderjarige kinderen [naam] V-nummer: [nummer] en [naam] V-nummer: [nummer] , en [eiseres 2] V-nummer: [nummer] , eiseres 2, allen van Armeense nationaliteit, gezamenlijk te noemen: eisers (gemachtigde: mr. F. Zeven), en de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M. Volker). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (de asielaanvragen). De minister heeft met afzonderlijke besluiten van 1 en 3 oktober 2024 (de bestreden besluiten) deze aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, c en g van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). 1.1. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Eisers hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL24.39111, NL24.39113 en NL24.39115). 1.2. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op 20 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en eiseres 1, de gemachtigde van eisers, S. Andresian als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers. 3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond voor wat betreft de opgelegde terugkeerbesluiten, maar laat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten geheel in stand . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Wat vooraf ging 4. De minister heeft eerder, bij afzonderlijke besluiten van 14 oktober 2016, de asielaanvragen van eisers afgewezen, omdat uit taalkundig onderzoek was gebleken dat eisers eenduidig niet te herleiden waren tot de spraakgemeenschap van Qamishli in Syrië. Omdat de gestelde afkomst niet geloofd werd, werd ook geen geloof gehecht aan de problemen die eisers stelden te hebben ondervonden. Die besluiten zijn in rechte vast komen te staan met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 juni 2018 (201802990/1/V1). 5. Op 12 juli 2018 hebben eisers opnieuw asielaanvragen ingediend. Die asielaanvragen zijn, onder verwijzing naar de hierboven genoemde besluiten van 14 oktober 2016, niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 omdat sprake was van opvolgende asielaanvragen waaraan eisers geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag hebben gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant konden zijn voor de beoordeling van de asielaanvragen. Ook die besluiten zijn in rechte vast komen te staan met de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2019 (201903850/2/V2). Het asielrelaas 6. Op 22 augustus 2024 hebben eisers opnieuw asielaanvragen ingediend. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij een klokkenluider was bij het Armeense Ministerie van Milieubescherming, waar hij van 1986 tot 2002 werkte. Hij bracht misstanden aan het licht, zoals illegale waterwinning, corruptie bij viskwekerijen en ontbossing. Hij werkte nauw samen met onderzoeksjournalisten, waaronder meneer [naam] , om deze misstanden te rapporteren. Door zijn rol als klokkenluider kreeg eiser te maken met bedreigingen en pogingen tot ontvoering. In 2014 probeerden criminelen hem te ontvoeren, maar door de hulp van buren wist hij te ontsnappen. Sindsdien voelt hij zich niet veilig en heeft hij ondergedoken geleefd voordat hij naar Nederland vluchtte. Eiseressen beroepen zich op de problemen van hun echtgenoot respectievelijk zoon. De bestreden besluiten 6.1. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: identiteit, nationaliteit en herkomst; problemen met de Armeense autoriteiten vanwege klokkenluidersactiviteiten. 6.2. De asielrelazen van eiseressen bevatten volgens de minister de volgende relevante elementen: - identiteit, nationaliteit en herkomst. 6.3. De minister acht de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig, maar gelooft niet dat eiser problemen heeft met de Armeense autoriteiten vanwege klokkenluidersactiviteiten. 6.4. Omdat eisers problemen met de Armeense autoriteiten niet geloofwaardig worden geacht, wordt dit element niet verder getoetst. De geloofwaardig geachte identiteiten, nationaliteiten en herkomst van eisers zijn volgens de minister niet te herleiden tot een van de gronden van het Vluchtelingenverdrag, zodat eisers niet kunnen worden aangemerkt als vluchteling in de zin van dat verdrag. Evenmin zijn deze elementen te herleiden tot een van de situaties als vermeld in de paragraaf C2/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), zodat eisers ook niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij uitzetting een reëel risico lopen op ernstige schade. Eisers komen daarom volgens de minister niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. 6.5. De minister heeft de asielaanvragen van eisers afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, c en g, van de Vw 2000. Verder heeft de minister bepaald dat eisers geen verblijfsvergunning regulier en geen uitstel van vertrek om medische redenen krijgen en is aan eisers een vertrektermijn onthouden en een inreisverbod van twee jaar opgelegd. De beroepsgronden en de beoordeling daarvan door de rechtbank 7. Eisers zijn het niet eens met de bestreden besluiten. Op wat zij in beroep hebben aangevoerd zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan. 7.1. De rechtbank stelt vast dat eisers geen beroepsgronden hebben gericht tegen de geloofwaardig geachte identiteiten, nationaliteiten en herkomst. De geloofwaardigheidsbeoordeling en WI 2024/6 7.2. Eiser heeft over het ongeloofwaardig geachte element Problemen met de Armeense autoriteiten vanwege klokkenluidersactiviteiten betoogd dat de minister dit ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft volgens eiser onvoldoende gewicht toegekend aan zijn verklaringen, en die van zijn familieleden, en ook aan de door hem overgelegde documenten en verklaringen. Volgens eiser is het bestreden besluit daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. In de aanvullende beroepsgronden van 7 februari 2025 heeft eiser erop gewezen dat de overgelegde verklaring niet handgeschreven is maar getypt en met pen ondertekend door dhr. [naam] zelf, dat daarbij zijn paspoort is overgelegd met dezelfde handtekening, dat dhr. [naam] een gerenommeerd journalist is die ook internationaal aanzien geniet en die dus geen enkel belang heeft bij het plegen van fraude of iets dergelijks, zoals de minister lijkt te insinueren in het bestreden besluit. Eiser stelt dat hij en dhr. [naam] contact hadden, omdat eiser klokkenluider was vanuit het ministerie, waardoor de journalist overigens die brede bekendheid mede heeft gekregen, en dat zij sindsdien contact hebben. Eiser betoogt verder dat de minister ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de Werkinstructie (WI) 2024/6. Deze werkinstructie vereist, volgens eiser, dat hij zijn volledige asielrelaas met voldoende objectieve bewijsstukken zou moeten kunnen onderbouwen. Als hij dat niet kan doen wordt, zoals de minister ook stelt in het bestreden besluit, het asielrelaas enkel gevolgd indien het voordeel van de twijfel zou kunnen worden gegund op grond van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000, als aan alle cumulatieve voorwaarden volgend uit dat artikel is voldaan. In het bestreden besluit stelt de minister volgens eiser dan ook dat eiser zijn problemen niet volledig heeft onderbouwd met objectieve documenten en dat zijn verklaringen en overgelegde documenten niet aan de voorwaarden genoemd in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 voldoen. Naar de mening van eiser is de WI 2024/6 in het geheel onrechtmatig en strijdig met het Europese recht. Eiser heeft er op zitting nog op gewezen dat deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, bij tussenuitspraak van 7 januari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:139) prejudiciële vragen heeft gesteld aan het HvJEU over de geloofwaardigheidsbeoordeling. 7.2.1. De rechtbank overweegt als volgt. 7.2.2. Uit het bestreden besluit en paragraaf C1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) volgt dat de minister na het vaststellen van de asielmotieven bekijkt of die asielmotieven geloofwaardig zijn. De minister geeft hierbij eerst een oordeel over de documenten. Deze moeten de asielmotieven volledig onderbouwen. Het moet gaan om originele en objectieve documenten die controleerbaar zijn. Als een vreemdeling zulke documenten niet heeft dan beslist de minister of zijn verklaringen de asielmotieven alsnog geloofwaardig maken. De voorwaarden hiervoor staan in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000. 7.2.3. In artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 staat: “Indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, worden deze verklaringen geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven; alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen; de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag; e vreemdeling heeft zijn aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten; en vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.” 7.2.4. In WI 2024/6 staat vervolgens dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas in twee stappen plaatsvindt. In stap 1 worden de feiten en omstandigheden geïdentificeerd en wordt het asielrelaas vastgesteld. Het asielrelaas bestaat alleen uit de feiten en omstandigheden die verband houden met of relevant zijn voor de beoordeling of de vreemdeling te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Een asielrelaas kan bestaan uit één of meerdere (losse) asielmotieven. Onder het asielmotief vallen de feiten en omstandigheden die voor de vreemdeling reden vormen voor het aanvragen van bescherming. In stap 2 wordt de geloofwaardigheid van het asielmotief beoordeeld. Daarbij wordt eerst beoordeeld of het asielmotief voldoende is onderbouwd met objectieve bewijsstukken (stap 2a). Als een asielmotief niet of onvoldoende kan worden onderbouwd met objectieve documenten wordt een geloofwaardigheidstoets toegepast om tot een oordeel te komen over de geloofwaardigheid (stap 2b). In dat geval wordt getoetst aan de vijf cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000. Als het asielmotief onvoldoende is onderbouwd met documenten en de vreemdeling niet voldoet aan één of meerdere van de vijf voorwaarden, is het asielmotief niet geloofwaardig. 7.2.5. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet onredelijk dat de minister eerst heeft beoordeeld of eiser objectieve documenten heeft ingediend (stap 2a). Als dergelijke documenten aanwezig zouden zijn, is een uitgebreide geloofwaardigheidsbeoordeling namelijk niet noodzakelijk. De vaststelling van de minister dat er geen objectieve documenten zijn overgelegd, betekent echter niet dat het asielmotief per definitie ongeloofwaardig wordt geacht. Dit volgt namelijk niet uit WI 2024/6. In deze werkinstructie staat dat de minister bij stap 2b rekening houdt met de omstandigheid dat van een vreemdeling doorgaans niet verwacht kan worden dat hij zijn relaas volledig met bewijsmateriaal staaft. Ook het bestreden besluit bevat geen aanknopingspunten dat de minister het asielmotief van eiser op voorhand ongeloofwaardig vindt omdat geen objectieve documenten zijn overgelegd. Uit het bestreden besluit volgt dat eiser zijn asielmotief niet geheel met echt bevonden documenten heeft gestaafd en dat dit de reden is om de geloofwaardigheidstoets toe te passen. Vervolgens is deze toets toegepast en is het asielmotief ongeloofwaardig geacht, allereerst omdat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen (voorwaarde c) waarbij de minister de overgelegde documenten heeft betrokken en daarna is geoordeeld dat niet is vast komen te staan dat eiser in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd (voorwaarde e). Om die reden zijn de door eiser gestelde problemen in Armenië ongeloofwaardig geacht. In zoverre wordt in deze zaak geen wezenlijk verschil geconstateerd met de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals die met toepassing van WI 2014/10 zou zijn verricht. De minister heeft dat op de zitting desgevraagd ook bevestigd. De minister heeft daarbij opgemerkt dat, hoewel dit niet expliciet uit WI 2024/6 volgt, er nog steeds een integrale geloofwaardigheidstoets wordt verricht. 7.2.6. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de minister de door eiser overgelegde documenten op onjuiste wijze heeft betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Voor wat betreft de verklaring van dhr. [naam] heeft de minister niet ten onrechte gezegd dat die verklaring niet kan worden aangemerkt als objectief bewijsstuk, waaruit blijkt dat eiser persoonlijk problemen heeft ondervonden. Hierbij heeft de minister niet ten onrechte ook gekeken naar de verklaringen van eiser maar daaraan niet de waarde gehecht die eiser daaraan gehecht wil hebben. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat er meer ter onderbouwing van het contact tussen eiser en dhr. [naam] had kunnen worden overgelegd, bijvoorbeeld belgegevens. Eiser heeft geen afdoende verklaring afgelegd waarom die gegevens niet zijn overgelegd. Verder heeft de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid mogen betrekken dat eiser meerdere keren legaal het land is uitgereisd, zoals blijkt uit de stempels in zijn paspoort, en zelfs visa heeft gekregen voor zijn uitreizen in 2012 en 2014. Eiser heeft hierover geen afdoende verklaring afgelegd in het licht dat hij stelt problemen te hebben met hooggeplaatste ambtenaren. De rechtbank is samenvattend van oordeel dat de wijze van beoordeling van de geloofwaardigheid in deze zaak niet wezenlijk verschilt met de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals die met toepassing van WI 2014/10 zou zijn verricht en dat de minister niet ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de gestelde problemen niet geloofwaardig zijn. 7.2.7. In wat eiser heeft gesteld over voorwaarde e is geen grond gelegen voor het oordeel dat de minister die voorwaarde ten onrechte heeft tegengeworpen of dat de minister dit niet juist in de besluitvorming heeft betrokken. 7.2.8. De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen of om de zaak aan te houden totdat er antwoord is van het HvJEU. De beroepsgrond slaagt niet. De kennelijk ongegrondheid 7.3. Eisers voeren aan dat de minister hun asielaanvragen ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard, omdat Armenië niet kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst. Eisers verwijzen daartoe onder meer naar het World Report 2025 – Armenia van Human Rights Watch. 7.3.1. De rechtbank stelt vast dat de minister de asielaanvragen van eisers niet alleen kennelijk ongegrond heeft verklaard omdat hij Armenië aanmerkt als veilig land van herkomst (artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000), maar ook omdat eisers de minister hebben misleid omtrent hun identiteit en nationaliteit (artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000) en omdat eisers opvolgende aanvragen hebben ingediend en die niet niet-ontvankelijk zijn verklaard (artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000). In ieder geval hebben eisers niks aangevoerd over de kennelijk ongegrondverklaring gebaseerd op artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000. Alleen al om die reden zijn de asielaanvragen naar het oordeel van de rechtbank terecht kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank laat daarom het betoog van eisers dat Armenië niet als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt onbesproken. De terugkeerbesluiten 7.4. Eisers betogen dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat hij niet is gehouden om te toetsen of, bij de oplegging van de (aanvullende) terugkeerbesluiten, vanwege medische redenen een schending zou plaatsvinden van artikel 3 EVRM zoals volgt uit paragraaf C/3.3.2.4. van de Vc 2000. Omdat de minister dit heeft nagelaten, brengt dit volgens eisers een zorgvuldigheidsgebrek met zich in de zin van artikel 3:2 van de Awb, en maakt dat het besluit op dit punt gebrekkig is gemotiveerd. Voor zover de minister stelt dat voorgaande niet op gaat voor een aanvullend terugkeerbesluit, kan dat punt volgens eisers geen standhouden. Hoewel de minister al bij besluiten van 14 oktober 2016 en 22 maart 2019 aan eisers terugkeerbesluiten heeft opgelegd, is nog geen enkele keer door de minister getoetst of sprake is van een risico op schending van artikel 3 EVRM vanwege medische redenen bij een eventuele terugkeer naar Armenië. Verder betogen eisers dat de minister ten onrechte de belangen van de minderjarige kinderen niet heeft betrokken bij het opleggen van de (aanvullende) terugkeerbesluiten, wat strijdig is met de Terugkeerrichtlijn. 7.4.1. De rechtbank overweegt dat uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn volgt dat de minister bij het opleggen van een (aanvullend) terugkeerbesluit rekening moet houden met het belang van het kind, het familie- en gezinsleven en de gezondheidstoestand van de betrokken vreemdeling en dat de minister het beginsel van non-refoulement moet eerbiedigen. 7.4.2. De rechtbank stelt vast dat de bestreden besluiten geen blijk geven van dat de belangen van het de minderjarige kinderen en de gezondheidstoestand van eisers zijn betrokken bij het opleggen van de (aanvullende) terugkeerbesluiten. Dit heeft de minister op de zitting erkend. 7.4.3. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en de bestreden besluiten voor wat betreft de terugkeerbesluiten vernietigen. De rechtbank ziet echter aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand blijven gelet op het navolgende. 7.4.4. Op de zitting heeft de minister zich, over de gezondheidstoestand van eisers, subsidiair op het standpunt gesteld dat weliswaar sprake is van klachten maar dat deze niet zo ernstig zijn dat dit bij terugkeer zal leiden tot een schending van artikel 3 EVRM. De minister heeft daarbij erop gewezen dat op dit moment geen behandeling plaatsvindt die bij terugkeer zal stoppen en dat dat door eisers ook niet nader is onderbouwd. Gelet hierop ziet de minister, in dit specifieke geval, geen aanleiding om hierover medisch advies op te vragen. 7.4.5. Over de belangen van de minderjarige kinderen heeft de minister zich op de zitting subsidiair op het standpunt gesteld dat de belangen die worden genoemd in de zienswijze geen aanleiding geven om af te zien van het opleggen van de terugkeerbesluiten. Daarvoor stelt de minister dat de kinderen weliswaar lange tijd hier zijn, maar dat dit komt omdat er meerdere procedures hebben gelopen. Bovendien is er geen deskundige rapport waaruit is op te maken dat er, bij terugkeer naar Armenië, problemen zullen zijn bij de ontwikkeling van de kinderen. Daarbij keren de kinderen met hun ouders terug omdat hun asielaanvragen zijn afgewezen en kunnen ze in Armenië dan ook bij hun ouders wonen. 7.4.6. In het licht van wat door eisers is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de minister hiermee voldoende gemotiveerd de belangen van de kinderen en de gezondheidstoestand van eisers heeft betrokken. 7.4.7. Voor zover de medische omstandigheden of de belangen van de kinderen verder gevolgen moeten hebben, wijst de rechtbank er op dat, bij opvolgende aanvragen, hiervoor aparte procedures kunnen worden opgestart. De rechtbank stelt vast dat op de zitting is gebleken dat dit voor eiseres 2 inmiddels ook is gedaan. 7.4.8. Op de zitting is duidelijk geworden dat wat eisers over de Procedurerichtlijn hebben aangevoerd, ziet op artikel 64 van de Vw 2000 maar wat eisers over artikel 64 van de Vw 2000 hebben gesteld is op de zitting ingetrokken. De rechtbank zal hierop dan ook niet ingaan. Conclusie en gevolgen 8. De minister heeft de asielaanvragen van eisers terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond voor wat betreft de opgelegde terugkeerbesluiten. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten voor wat betreft de terugkeerbesluiten, maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten voor dat deel in stand. De rechtbank zal de minister veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten in beroep. Deze worden begroot op € 1.814,- op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 907,- per punt en wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de bestreden besluiten voor wat betreft de terugkeerbesluiten; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten geheel in stand blijven; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.M. van Dommele, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 17 maart 2025 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...