Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2024:9590

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2024-06-20
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL22.10458
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
96.894 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Prejudiciële vragen Procedurerichtlijn en Terugkeerrichtlijn – 8:29 Awb. Eiser is een christen uit Pakistan en jegens hem is een Fatwa uitgevaardigd. Om de opvolgende asielaanvraag van eiser te beoordelen heeft verweerder een individueel ambtsbericht laten uitbrengen. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 22 september 2022 in de zaak GM volgt reeds dat de 8:29 Awb-procedure niet verenigbaar is met het Unierecht omdat de verdedigingsrechten van eiser niet volledig worden gewaarborgd als de geheimhouding of beperking van de kennisname gerechtvaardigd wordt geacht. In het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2024 is bovendien bepaald dat de zaak wordt behandeld door een andere bestuursrechter dan degene door wie de beslissing is genomen, terwijl uit de Procedurerichtlijn volgt dat de rechter die de beslissing op de asielaanvraag beoordeelt kennis neemt van alle stukken. De vragen die de rechtbank thans voorlegt zien op het nader preciseren van welke informatie onder “de informatie in het dossier van de verzoeker op grond waarvan een beslissing is of zal worden genomen” zoals bedoeld is in artikel 23, eerste lid, richtlijn 2013/32 valt. Deze uitleg zal bepalen of eiser ook toegang moet krijgen tot gegevens over de wijze waarop Buitenlandse Zaken het onderzoek in het land van herkomst heeft verricht en of de rechtbank over die gegevens dient te beschikken op grond van richtlijn 2013/32. De rechtbank heeft er op gewezen dat in de gehele procedure geen (kenbare) beoordeling plaatsvindt van de vraag of het onderzoek dat Buitenlandse Zaken heeft verricht als zodanig gevolgen heeft voor het refoulementrisico en dat dit ook niet aan een rechterlijke controle is onderworpen. Buitenlandse Zaken beschikt niet over dezelfde expertise als verweerder om het refoulementrisico te kunnen beoordelen. De beoordeling van de onderliggende ongelakte stukken die plaatsvindt in de REK-check en in de geheimhoudingsprocedure die is neergelegd in artikel 8:29 van de Awb, zien niet op het beoordelen van het refoulementrisico. Indien eiser geen inzage heeft in het onderzoeksverslag op de wijze zoals in bepaald in artikel 23, lid 1 onder b, van richtlijn 2013/32, zal hij mogelijk niet ten volle in staat zijn om zijn verzoek om internationale bescherming te onderbouwen. Indien de rechterlijke instantie die in het hoofdgeding bevoegd is om zich uit te spreken over de rechtmatigheid van het besluit inzake internationale bescherming geen inzage heeft in het onderzoeksverslag, rijst ook de vraag of deze rechterlijke instantie ten volle in staat is om het beginsel van non-refoulement te waarborgen en ten volle in staat is een daadwerkelijk rechtsmiddel te bieden en een volledige en ex-nunc beoordeling van het refoulementrisico te verrichten zoals dit door richtlijn 2013/32 wordt vereist. Indien het Hof artikel 23, eerste lid, richtlijn 2013/32 aldus uitlegt dat de onderliggende ongelakte stukken niet kunnen worden beschouwd als de informatie in het dossier van eiser op grond waarvan de beslissing op zijn verzoek om internationale bescherming is genomen, zal de rechtbank aan die bepaling geen toegang tot deze stukken ontlenen. Dan komt de vraag op of artikel 5 richtlijn 2008/115 vereist dat de rechtbank kennis neemt van deze onderliggende ongelakte stukken. De rechtbank moet in het hoofdgeding immers tevens de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit controleren en de verplichting om bij de tenuitvoerlegging van richtlijn 2008/115 het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen ziet ook op de rechterlijke instantie en vereist een zelfstandige beoordeling van alle relevante feiten en omstandigheden. Het Unierechtelijke verbod van refoulement heeft immers een absoluut karakter en dient in alle fases van de procedure te worden geëerbiedigd, terwijl in de gerechtelijke fase bovendien een doeltreffende voorziening in rechte is vereist. De rechtbank stelt vast dat de 8:29 Awb-procedure niet verenigbaar is met richtlijn 2013/32 en legt twee prejudiciële vragen aan het Hof voor om uitspraak te kunnen doen en te kunnen bepalen tot welke informatie eiser toegang moet krijgen om zijn verdedigingsrechten te kunnen effectueren en tot welke informatie de rechtbank toegang moet krijgen om het refoulementsrisico te kunnen beoordelen en om te kunnen waarborgen dat het refoulementverbod niet wordt geschonden. De procedure wordt geschorst totdat het Hof de vragen van de rechtbank heeft beantwoord.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL22.10458 VERWIJZING verwijzingsuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], geboren op [geboortedatum] 1986 in Pakistan, eiser, (gemachtigde: mr. N.C. Blomjous), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. S. van der Steen-Jhinnoe). Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van de navolgende vragen in de prejudiciële procedure: I Dient artikel 23, eerste lid, richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikel 46, eerste lid, richtlijn 2013/32 en gelet op artikelen 4 en 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, aldus te worden uitgelegd dat de (toegang tot de) informatie in het dossier van de verzoeker op grond waarvan een beslissing is of zal worden genomen, ook omvat (toegang tot) informatie over de wijze waarop deze informatie is vergaard en verkregen? II Verplicht artikel 5 richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 13, eerste lid, richtlijn 2008/115 en gelet op artikelen 4, 19, tweede lid, en 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, de rechterlijke autoriteit die de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit controleert om zich te vergewissen van de wijze waarop de informatie als bedoeld in artikel 23, eerste lid, richtlijn 2013/32 is vergaard en verkregen? Procesverloop Eiser heeft op 31 augustus 2014 een verzoek om internationale bescherming ingediend. Het besluit waarin dit verzoek als ongegrond is definitief. Dit besluit omvat een terugkeerbesluit met een termijn voor vrijwillig vertrek. Eiser heeft op 21 november 2018 een volgend verzoek om internationale bescherming ingediend . Verweerder heeft dit verzoek bij besluit van 31 mei 2022 afgewezen als kennelijk ongegrond . Dit besluit omvat een terugkeerbesluit zonder termijn voor vrijwillig vertrek en een inreisverbod voor de duur van twee jaar. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 31 mei 2022 en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De rechtbank heeft het beroep ter zitting behandeld op 18 april 2024. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen, vergezeld door een tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling ter zitting heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om zich nader te beraden over hetgeen besproken is ter zitting. Eiser heeft op 12 mei 2024 zijn zienswijze gegeven. Verweerder heeft hier op 16 mei 2024 op gereageerd. Bij bericht van 6 juni 2024 heeft de rechtbank partijen medegedeeld uiterlijk op 1 juli 2024 uitspraak te zullen doen. Bij bericht van 19 juni 2024 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat de rechtbank om uitspraak te kunnen doen het noodzakelijk acht om twee prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Bij uitspraak van heden is het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en is bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 31 mei 2022 worden opgeschort totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist . Overwegingen Relevante feiten en standpunten van partijen 1. Eiser heeft een volgend verzoek om internationale bescherming ingediend. Eiser heeft hieraan, net als bij zijn eerste verzoek, ten grondslag gelegd dat hij een christen is en hij reeds daarom te vrezen heeft voor vervolging in Pakistan. Tevens heeft eiser verklaard dat hij in Pakistan evangeliserende activiteiten heeft verricht en er daarom een Fatwa tegen hem is uitgevaardigd en dat hij ook thans in Nederland evangeliserende activiteiten ontplooit. Om zijn relaas te staven heeft hij onder meer verklaringen afgelegd en een kopie van de Fatwa overgelegd, met een bij een rechtbank in Pakistan gelegaliseerde kopie van deze Fatwa. Eiser heeft ook andere documenten overgelegd om zijn relaas te staven en zijn vrees bij terugkeer te onderbouwen. 2. Verweerder acht het relaas, net als in de eerste procedure, slechts ten dele geloofwaardig. Deze beoordeling heeft in de eerste procedure bij de rechterlijke instantie in eerste aanleg en in hoger beroep stand gehouden. Verweerder acht in het hoofdgeding geloofwaardig dat eiser een christen uit Pakistan is en dat jegens hem een Fatwa is uitgevaardigd. Verweerder acht niet geloofwaardig dat eiser in Pakistan evangeliserende werkzaamheden heeft verricht en acht evenmin geloofwaardig dat eiser dit thans in Nederland doet. Verweerder heeft alle overgelegde documenten onderzocht. Daarbij is geconcludeerd dat er onvoldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal beschikbaar is om uitspraak te doen over de echtheid van de overgelegde legalisatie. Verweerder heeft voorts om het verzoek om bescherming te kunnen beoordelen een zogenoemd “individueel ambtsbericht” laten opmaken. Hij heeft het individueel ambtsbericht ten grondslag gelegd aan de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het geloofwaardige geachte deel van het relaas niet tot de conclusie leidt dat eiser dient te vrezen voor vervolging of dat eiser na terugkeer een risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. 3. Eiser stelt in beroep bij de rechterlijke instantie dat verweerder ten onrechte aanneemt dat hij in Pakistan geen risico op vervolging loopt en wijst daarbij op het landgebonden beleid dat verweerder voert ten aanzien van christenen in Pakistan. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn relaas onjuist is omdat verweerder een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd voor de beoordeling van volgende verzoeken zoals het Hof dat heeft geduid in zijn uitspraak van 10 juni 2021 in de zaak LH . Eiser stelt ook dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om op de resultaten van het documentenonderzoek te reageren. Eiser stelt zich tevens op het standpunt dat verweerder in strijd met het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel handelt door hem geen volledige inzage te geven in de onderliggende stukken van het individuele ambtsbericht. Eiser wil in dit verband ook weten aan wie zijn gegevens zijn verstrekt en of er een rechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens heeft plaatsgevonden. Juridisch kader 4. De rechtbank acht de navolgende bepalingen toepasselijk. Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie Artikel 4 - Het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen Artikel 47 - Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. (…) Artikel 19 - Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering (…) 2. Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen. Richtlijn 2013/32 Artikel 10 - Vereisten voor de behandeling van verzoeken (…) 3. De lidstaten zorgen ervoor dat de beslissingen van de beslissingsautoriteit over verzoeken om internationale bescherming zijn gebaseerd op een deugdelijk onderzoek. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat: (…) c) het personeel dat de verzoeken behandelt en daarover beslist, de nodige kennis heeft over de normen die van toepassing zijn op het gebied van het asiel- en vluchtelingenrecht; d) het personeel dat de verzoeken behandelt en daarover beslist, de mogelijkheid heeft om, telkens wanneer dat nodig is, advies te vragen van deskundigen over specifieke kwesties, zoals medische, culturele, religieuze, kind- of gendergerelateerde kwesties. Artikel 12 - Waarborgen voor verzoekers 1. De lidstaten zorgen ervoor dat ten aanzien van de in hoofdstuk III vervatte procedures voor alle verzoekers de volgende waarborgen gelden: (…) d) zij, en in voorkomend geval, hun juridische adviseurs of andere raadslieden overeenkomstig artikel 23, lid 1, hebben toegang tot de in artikel 10, lid 3, onder b), bedoelde informatie en tot de door de in artikel 10, lid 3, onder d), bedoelde deskundigen verstrekte informatie, wanneer de beslissingsautoriteit met die informatie rekening heeft gehouden om een beslissing te nemen over hun verzoek; (…) 2. De lidstaten zorgen ervoor dat ten aanzien van de in hoofdstuk V vervatte procedures voor alle verzoekers waarborgen gelden welke gelijkwaardig zijn aan de in lid 1, onder b) tot en met e), vermelde waarborgen. Artikel 13 – Rechtsmiddelen 1. Aan de betrokken onderdaan van een derde land wordt een doeltreffend rechtsmiddel van beroep of bezwaar toegekend, dat hij bij een bevoegde rechterlijke of administratieve autoriteit of bij een onpartijdig samengestelde bevoegde instantie waarvan de onafhankelijkheid is gewaarborgd, kan aanwenden tegen de in artikel 12, lid 1, bedoelde besluiten in het kader van terugkeer. Artikel 23 - Reikwijdte van rechtsbijstand en vertegenwoordiging 1. De lidstaten zorgen ervoor dat een juridische adviseur of andere raadsman die door het nationale recht als zodanig is erkend of toegelaten en die de verzoeker overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht bijstaat of vertegenwoordigt, toegang heeft tot de informatie in het dossier van de verzoeker op grond waarvan een beslissing is of zal worden genomen. De lidstaten kunnen een uitzondering maken wanneer de openbaarmaking van informatie of bronnen de nationale veiligheid, de veiligheid van de organisaties of personen die de informatie hebben verstrekt dan wel de veiligheid van de perso(o)n(en) op wie de informatie betrekking heeft, in gevaar zou brengen, of wanneer het belang van het onderzoek in verband met de behandeling van verzoeken om internationale bescherming door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of de internationale betrekkingen van de lidstaten zouden worden geschaad. In dergelijke gevallen moeten de lidstaten: a. a) die informatie of bronnen beschikbaar stellen aan de in hoofdstuk V bedoelde autoriteiten; en b) in het nationale recht procedures vaststellen die waarborgen dat het recht van verweer van de verzoeker geëerbiedigd wordt. In verband met punt b) kunnen de lidstaten met name toegang verlenen tot die informatie of bronnen aan juridische adviseurs of andere raadslieden die aan een veiligheidscontrole werden onderworpen, voor zover de informatie relevant is voor de behandeling van het verzoek of voor het nemen van een beslissing tot intrekking van internationale bescherming. (…) Hoofdstuk V - Beroepsprocedures Artikel 46 – Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel 1. De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen: a. a) een beslissing die inzake hun verzoek om internationale bescherming is gegeven, met inbegrip van een beslissing: i. i) om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus en/of de subsidiaire beschermingsstatus; (…) Richtlijn 2008/115 Artikel 5 - Non-refoulement, belang van het kind, familie- en gezinsleven en gezondheidstoestand Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn houden de lidstaten rekening met: a. a) het belang van het kind; b) het familie- en gezinsleven; c) de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement. Algemene wet bestuursrecht Artikel 8:29 1.Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken. (…) 3.De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. 4.Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting. 5.Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer. (…) Rechtsvragen 5. De prejudiciële vragen van de rechtbank zien niet op de verenigbaarheid van de in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde regeling met artikel 23, eerste lid, richtlijn 2013/32. De rechtbank kan dit namelijk nagaan aan de hand van de verduidelijking die het Hof reeds van deze Unierechtelijke bepaling heeft gegeven. De vragen die de rechtbank voorlegt zien op het nader preciseren van welke informatie onder “de informatie in het dossier van de verzoeker op grond waarvan een beslissing is of zal worden genomen” valt. Artikel 23, eerste lid, richtlijn 2013/32 bevat een regeling over de reikwijdte van rechtsbijstand en vertegenwoordiging en vereist in dat kader toegang tot de in deze bepaling genoemde informatie voor de verzoeker om internationale bescherming. De rechtbank zal eerst uiteenzetten hoe in de nationale rechtspraktijk is voorzien in een regeling die een uitzondering maakt op de openbaarmaking van informatie of bronnen. Vervolgens zal de rechtbank aangegeven waarom, naar het oordeel van de rechtbank, de nationale rechtspraktijk niet geheel verenigbaar is met artikel 23, eerste lid, richtlijn 2013/32 indien de situatie als hierin bedoeld aan de orde is. Om het hoofdgeding te kunnen beslechten, acht de rechtbank het evenwel noodzakelijk om een nadere precisering van artikel 23, eerste lid, richtlijn 2013/32 te verkrijgen om zodoende te kunnen bepalen tot welke informatie eiser toegang moet krijgen om zijn verdedigingsrechten te kunnen effectueren en van welke informatie de rechterlijke instantie kennis moet nemen om zowel de beslissing op het verzoek om internationale bescherming, als de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit te kunnen beoordelen en de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement ten volle te kunnen waarborgen. 6. In het hoofdgeding heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: Buitenlandse Zaken) op verzoek van verweerder op 12 maart 2021 een individueel ambtsbericht uitgebracht. In het kader van het onderzoek of de derdelander internationale bescherming behoeft, formuleert verweerder in sommige zaken onderzoeksvragen. Buitenlandse Zaken kan om die vragen te beantwoorden onderzoek doen in het land van herkomst van de betrokken derdelander. In de “Werkinstructie Ambtsberichten van Buitenlandse Zaken” van juli 2023 is onder meer vermeld dat voor de categorie individuele ambtsberichten in asielzaken een aparte werkinstructie bestaat. In de -met beroep op de bescherming van bronnen, onderzoeksmethoden en -technieken en persoonlijke levenssfeer deels weggelakte inhoud van de- Werkinstructie “Onderzoek ten behoeve van individuele ambtsberichten op de post” van oktober 2022 is onder meer het navolgende vermeld: (…) Deze instructie geldt als een leidraad voor posten voor het uitvoeren van onderzoek ten behoeve van individuele ambtsberichten (IAB) (…) IAB-onderzoeken worden belegd bij een uitgezonden (politiek) beleidsmedewerker . (…) Om zorgvuldig onderzoek te kunnen garanderen dienen de post en de daarbij betrokken partijen die het onderzoek ten behoeve van IAB's uitvoeren, zich te houden aan de voorschriften zoals omschreven in dit document. Veiligheid, integriteit en vertrouwelijkheid zijn hierbij noodzakelijk. Het is van uitermate belang dat het onderzoeksverslag dat ten grondslag ligt aan het IAB met de hoogste zorgvuldigheid wordt opgesteld. Het uiteindelijke verslag dient alle informatie te bevatten waaruit blijkt hoe het onderzoek heeft plaatsgevonden en hoe ervoor is gezorgd dat het onderzoek qua inhoud en procedure zorgvuldig en inhoudelijk inzichtelijk tot stand is gekomen. Het verslag dient immers bij de zorgvuldige beoordeling van het asielverzoek door de IND als naslag voor de Rechtbank of Raad van State in gerechtelijke procedures. (…) 2.1 Asielgerelateerd onderzoek Een asielgerelateerd onderzoek is een onderzoek in het kader van een asielaanvraag van een in Nederland verblijvende vreemdeling. Bij de uitvoering van een dergelijk onderzoek dient de onderzoeker vertrouwelijk te werk te gaan en dient te allen tijde voorkomen te worden dat de link met Nederland en/of asiel in relatie tot betrokkene bekend wordt. Het betreft hier een onderzoek dat door een vertrouwenspersoon (VP) dient plaats te vinden. (…) 4.1 Randvoorwaarden (…) Onderzoek naar informatie die van belang is voor de beoordeling van een asielverzoek mag geen nadelige gevolgen hebben voor de veiligheid van de asielzoeker bij eventuele terugzending. Ook de familie, vrienden en bekenden van de asielzoeker die is achtergebleven in het herkomstland, mag niet in gevaar worden gebracht. Uit het onderzoeksverslag dat de post opstelt, moet duidelijk naar voren komen welke voorzorgsmaatregelen genomen zijn om te voorkomen dat de link met Nederland en/of asiel in relatie tot betrokkene bekend wordt. Als een dergelijke link mogelijk bekend is geworden, is het van belang dat wordt aangegeven welke risico's dit oplevert voor het geval betrokkene wordt teruggestuurd. (…) 4.4 Het onderzoeksverslag De beleidsmedewerker op de post die belast is met het IAB-onderzoek is verantwoordelijk voor de tijdigheid en kwaliteit van het onderzoek en de verslaglegging. Deze medewerker draagt zorg voor een inzichtelijk en correct Nederlandstalig onderzoeksverslag conform het bijgeleverde sjabloon. Het is belangrijk om te blijven controleren of het onderzoek volgens de voorschriften wordt uitgevoerd en of dit ook in de rapportages terug te vinden is. De Nederlandse rechtbanken en Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen geregeld inzage in de achterliggende stukken van de IAB's tijdens de (hoger) beroepsfase in (asiel)zaken. Zij kijken zeer kritisch naar hoe BZ onderzoeken uitvoert en daarover rapporteert. AB (rechtbank: Afdeling Ambtsberichten) vraagt de post kritisch en zorgvuldig om te gaan met de verslaglegging en zoveel mogelijk details over onderzoeksmethoden en bronnen op te nemen. Het is van groot belang dat uit het onderzoeksverslag blijkt dat het IAB qua inhoud en qua procedure zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk is (…) Voor opstellen van het onderzoeksverslag gebruikt de post het sjabloon. (…) Onderstaande instructie licht punten A t/m E van het sjabloon nader toe. (…) B. Onderzoeksaanpak/ Method of inquiry Hier dient te worden beschreven hoe de post het onderzoek heeft uitgevoerd. Het sjabloon geeft twee opties: voor identiteitsonderzoek en asielgerelateerd onderzoek. Belangrijk bij dit onderdeel is dat uit het verslag duidelijk naar voren komt via welke schijven informatie is verkregen en welke voorzorgsmaatregelen zijn genomen om te voorkomen dat de link met Nederland en/of asiel in relatie tot betrokkene bekend wordt. Hoe meer details over de manier waarop de post en VP het onderzoek hebben aangepakt, hoe beter. Geef nauwkeurig aan: • Hoe het onderzoek heeft plaatsgevonden en wie het onderzoek heeft verricht; • Welke methoden en technieken zijn gehanteerd; • De reden waarom deze methode onder de gegeven omstandigheden is gekozen; • Hoe vaak getracht is antwoord te vinden op bepaalde vragen. Ook niet-succesvolle pogingen om antwoorden te vinden, kunnen van invloed zijn op de visie van de Nederlandse rechter op de zorgvuldigheid en waarde van het onderzoek; • Hoe de overdracht van informatie heeft plaatsgevonden. Het moet duidelijk worden wanneer de informatie is verkregen en op welke manier de betrouwbaarheid van de informatie is geborgd. • indien van toepassing: Welke aanvullende informatie en/of contra-informatie er uit het onderzoek is gebleken. (…) 7. De resultaten van een dergelijk onderzoek worden door Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT), behorend tot de Directie Dienstverleners van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), onderworpen aan een zogenoemde REK-check . In de “Vakbijlage REK-Check” is hierover onder meer het navolgende vermeld: (…) Het algemene uitgangspunt bij de REK-check is dat het ministerie van Buitenlandse Zaken en de IND ieder een eigen verantwoordelijkheid hebben. Het ministerie van Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor het opstellen van de individuele ambtsberichten en daarmee voor de inhoud en de methoden van onderzoek. De IND heeft ten behoeve van een zorgvuldige voorbereiding van een besluit (…) de verplichting zich ervan te vergewissen dat het individuele ambtsbericht zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk is. Voor het uitvoeren van de REK-check krijgen de TOELT-landenspecialisten inzage in de niet-openbare onderliggende stukken die ten grondslag liggen aan een individueel ambtsbericht. Aan de hand van deze onderliggende stukken wordt beoordeeld of het individuele ambtsbericht qua inhoud en qua procedure zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk is. Na het uitvoeren van de REK-check worden de resultaten van de REK-check neergelegd in de REK-checkbrief en wordt het dossier weer overgedragen aan de eigenaar, het ministerie van Buitenlandse Zaken. (…) De REK-checkcriteria Uitgangspunt is dat in een asielzaak de identiteit van betrokkene niet in een relatie tot (een asielverzoek in) Nederland bij de (gestelde) vervolgende autoriteiten (in het land van herkomst) bekend mag worden gemaakt. Een asielzoeker mag nimmer gevaar lopen ten gevolg van een onderzoek. In principe dient daarom gebruik te worden gemaakt van een vertrouwenspersoon die niet aangeeft het onderzoek te verrichten in opdracht van de Nederlandse overheid. De onderzoeken betreffen immers personen over wie nog niet is vastgesteld of ze vluchteling zijn. TOELT kijkt bij de beoordeling van een individueel ambtsbericht naar de volgende punten: - Onderbouwing. Wordt het ambtsbericht voldoende inhoudelijk onderbouwd door de onderliggende stukken? Is de inhoud van het ambtsbericht volledig terug te vinden in de onderliggende stukken? Hoe stelliger de verwoording in het ambtsbericht, hoe beter gemotiveerd de informatie in de onderliggende stukken moet zijn. - Inzichtelijkheid en consistentie. Is het ambtsbericht voldoende inzichtelijk, niet intern tegenstrijdig, niet tegenstrijdig met een vorig ambtsbericht in dezelfde zaak, en zo ja wordt uitgelegd waarom, en niet voor meerdere uitleg vatbaar? - Volledigheid. Worden de vragen van de aanvrager van het ambtsbericht voldoende beantwoord en/of worden alle vragen beantwoord, en indien dat niet zo is wordt aangegeven waarom niet? - Zorgvuldigheid. Is de methode van onderzoek zorgvuldig geweest? Hoe is de informatie verzameld, welke bron(nen) is (zijn) geraadpleegd en hoe is (zijn) deze benaderd? (…) 8. In de nationale rechtspraktijk wordt een individueel ambtsbericht, indien dit aan een aantal voorwaarden voldoet, als een deskundigenadvies beschouwd. Het toetsingskader dat wordt toegepast indien wordt opgekomen tegen de inhoud van een individueel ambtsbericht en indien wordt opgekomen tegen het niet integraal verstrekken van de onderliggende stukken hiervan, is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) onder meer in haar uitspraak van 11 mei 2022 als volgt uiteengezet: (…) 4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:114, onder 6.1, is een individueel ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken een deskundigenadvies aan de staatssecretaris voor de uitoefening van zijn bevoegdheden. Indien het op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft, mag de staatssecretaris bij de besluitvorming van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan die juistheid. Verder heeft de minister van Buitenlandse Zaken een door hem bij het opstellen van een individueel ambtsbericht ingeschakelde vertrouwenspersoon zorgvuldig geselecteerd en hoeft deze niet uitdrukkelijk te verklaren dat hij voor de betrouwbaarheid van de informatie afkomstig van derden instaat. (…) 4.5. De Afdeling erkent dat in dit soort zaken de betrokkene in een moeilijke bewijspositie verkeert, omdat deze geen kennis kan nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het individueel ambtsbericht en de aanvulling. Het is wel het logische gevolg van de toepassing van artikel 8:29 van de Awb: de bestuursrechter mag het oordeel mede baseren op informatie die partijen niet kennen. Als partijen toestemming hebben gegeven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, is het daarom van belang dat de bestuursrechter extra zorgvuldig kennisneemt van de onderliggende stukken en erop toeziet dat de in het individueel ambtsbericht en de aanvulling weergegeven informatie wordt gedragen door die stukken en ook dat die weergave een representatief beeld geeft van het geheel van de in die onderliggende stukken besloten liggende informatie. Ook zal de bestuursrechter zo veel mogelijk moeten bezien in hoeverre de onderliggende stukken op zichzelf voldoen aan de daaraan in zijn algemeenheid te stellen betrouwbaarheidseisen, waarbij met name gedacht moet worden aan aspecten als consistentie, vermelding van bronnen van wetenschap en aanwijzingen van mogelijke bevooroordeeldheid of beïnvloeding van de informatiebron. Verder moeten de ingebrachte concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het individueel ambtsbericht en de aanvulling in verhouding staan tot de bevindingen in die stukken. Naarmate de bevindingen in het ambtsbericht en de aanvulling minder scherp omlijnd zijn, hoeven de concrete aanknopingspunten ook minder scherp omlijnd te zijn. Het zou immers niet in evenwicht zijn als de ingenomen stelling in het ambtsbericht en de aanvulling een zekere mate van abstractie of algemeenheid vertoont, terwijl daarna de daarop uitgeoefende kritiek zou worden afgewezen omdat die onvoldoende concreet is. (…) 9. De Afdeling heeft in de uitspraak van 29 september 2022 ook het navolgende uiteengezet: 8.(…) Als partijen toestemming geven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, wordt in de bodemprocedure kennisgenomen van de onderliggende geheime stukken. Hierbij wordt rekening gehouden met de moeilijke bewijspositie waarin de vreemdeling verkeert (vergelijk met de Afdelingsuitspraak van 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1360, onder 4.5). (…) 10. Het Hof heeft in zijn arrest van 22 september 2022 in de zaak GM onder meer het navolgende overwogen: (…) “37 In dit verband moet worden opgemerkt dat artikel 23, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2013/32 bepaalt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de juridische adviseur of andere raadsman die door het nationale recht als zodanig is erkend of toegelaten en die de betrokkene overeenkomstig dat recht bijstaat of vertegenwoordigt, toegang heeft tot de informatie in het dossier op grond waarvan een besluit is of zal worden genomen. 38 Artikel 23, lid 1, tweede alinea, van deze richtlijn staat de lidstaten evenwel toe af te wijken van deze regel wanneer de openbaarmaking van informatie of bronnen onder meer de nationale veiligheid of de veiligheid van die bronnen in gevaar zou brengen. 39 In dergelijke gevallen moeten de lidstaten, ten eerste, overeenkomstig artikel 23, lid 1, tweede alinea, onder a), van die richtlijn, deze informatie of bronnen beschikbaar stellen aan de rechterlijke instanties die bevoegd zijn om zich uit te spreken over de rechtmatigheid van het besluit inzake internationale bescherming, en, ten tweede, op grond van artikel 23, lid 1, tweede alinea, onder b), in het nationale recht procedures vaststellen die waarborgen dat het recht van verweer van de betrokkene geëerbiedigd wordt. (…) 41 In dit verband moet worden opgemerkt dat de omvang van deze verplichting is verduidelijkt in artikel 23, lid 1, derde alinea, van deze richtlijn, op grond waarvan de lidstaten, gelet op artikel 23, lid 1, tweede alinea, onder b), met name toegang kunnen verlenen tot de informatie in het dossier of hun bronnen waarvan de openbaarmaking de nationale veiligheid in gevaar zou brengen, aan een raadsman van de betrokkene die een veiligheidscontrole heeft ondergaan, voor zover die informatie of bronnen relevant zijn voor de behandeling van het verzoek of voor het nemen van een beslissing tot intrekking van internationale bescherming. 42 Uit de bewoordingen van artikel 23, lid 1, derde alinea, en in het bijzonder uit het gebruik van de term „met name”, blijkt echter duidelijk dat de invoering van de in deze bepaling bedoelde procedure niet de enige mogelijkheid is waarover de lidstaten beschikken om aan artikel 23, lid 1, tweede alinea, onder b), van richtlijn 2013/32 te voldoen, wat betekent dat zij niet verplicht zijn om een dergelijke procedure in te voeren. 43 Aangezien richtlijn 2013/32 niet specificeert hoe de lidstaten de eerbiediging van de rechten van verdediging van de betrokkene moeten waarborgen wanneer zijn recht op toegang tot het dossier is beperkt op grond van artikel 23, lid 1, tweede alinea, van deze richtlijn, zijn de concrete procedureregels die daartoe worden vastgesteld dus, krachtens het beginsel van de procedurele autonomie van de lidstaten, een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat, op voorwaarde evenwel dat zij niet minder gunstig zijn dan die welke gelden voor soortgelijke binnenlandse situaties (gelijkwaardigheidsbeginsel) en dat zij de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) [zie naar analogie arresten van 4 juni 2020, C.F. (Belastingcontrole), C‑430/19, EU:C:2020:429, punt 34, en 9 september 2020, Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (Afwijzing van een volgend verzoek – Termijn om beroep in te stellen), C‑651/19, EU:C:2020:681, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. 44 Ook moet eraan worden herinnerd dat de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van het Unierecht moeten toezien op de naleving van zowel de vereisten die voortvloeien uit het recht op behoorlijk bestuur, zoals opgemerkt in punt 35 van het onderhavige arrest, als die van het in artikel 47, eerste alinea, van het Handvest verankerde recht op een doeltreffende voorziening in rechte (zie in die zin arresten van 19 december 2019, Deutsche Umwelthilfe, C‑752/18, EU:C:2019:1114, punt 34, en 14 mei 2020, Agrobet CZ, C‑446/18, EU:C:2020:369, punt 43), op grond waarvan de rechten van verdediging van de betrokkene moeten worden geëerbiedigd gedurende zowel de administratieve procedure als een eventuele gerechtelijke procedure [zie in die zin arresten van 5 november 2014, Mukarubega, C‑166/13, EU:C:2014:2336, punt 45, en 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel – Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat), C‑314/18, EU:C:2020:191, punt 58]. 45 Wat in de eerste plaats de administratieve procedure betreft, volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging vereist dat wanneer de overheidsinstanties van lidstaten maatregelen nemen die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, zij de adressaat van een besluit dat zijn belangen aanmerkelijk raakt in staat moeten stellen om naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de overheidsinstantie haar besluit wil baseren (zie in die zin arresten van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary, C‑189/18, EU:C:2019:861, punt 39, en 3 juni 2021, Jumbocarry Trading, C‑39/20, EU:C:2021:435, punt 31). 46 Dit vereiste heeft met name tot doel om, in het kader van een procedure inzake internationale bescherming, de beslissingsautoriteit in staat te stellen met volledige kennis van zaken alle relevante feiten en omstandigheden individueel te beoordelen, waarbij het noodzakelijk is dat de adressaat van het besluit een vergissing kan corrigeren of feiten betreffende zijn persoonlijke situatie kan aanvoeren die ervoor pleiten dat het besluit wordt vastgesteld, niet wordt vastgesteld of een bepaalde inhoud heeft (zie in die zin arresten van 9 februari 2017, M, C‑560/14, EU:C:2017:101, punten 32 en 37, en 26 juli 2017, Sacko, C‑348/16, EU:C:2017:591, punt 35). 47 Aangezien dat vereiste noodzakelijkerwijs veronderstelt dat de adressaat, in voorkomend geval via een raadsman, een concrete mogelijkheid krijgt om kennis te nemen van de elementen waarop de overheidsinstantie haar besluit wil baseren, gaat het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging noodzakelijkerwijs gepaard met het recht op toegang tot alle elementen van het dossier gedurende de administratieve procedure (zie in die zin arrest van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary, C‑189/18, EU:C:2019:861, punten 51‑53 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 48 Wat in de tweede plaats de gerechtelijke procedure betreft, betekent eerbiediging van de rechten van de verdediging, die met name geboden is in het kader van beroepsprocedures op het gebied van internationale bescherming (zie in die zin arrest van 26 juli 2017, Sacko, C‑348/16, EU:C:2017:591, punt 32), dat de verzoeker niet alleen toegang heeft tot de gronden van het jegens hem genomen besluit, maar ook tot alle gegevens van het dossier waarop de overheidsinstantie zich heeft gebaseerd, teneinde doeltreffend een standpunt te kunnen innemen over die gegevens (zie in die zin arresten van 4 juni 2013, ZZ, C‑300/11, EU:C:2013:363, punt 53, en 13 september 2018, UBS Europe e.a., C‑358/16, EU:C:2018:715, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 49 Voorts brengt het beginsel van hoor en wederhoor, dat deel uitmaakt van de rechten van de verdediging als bedoeld in artikel 47 van het Handvest, met zich mee dat de procespartijen het recht moeten hebben om kennis te nemen van alle bewijzen en opmerkingen die aan de rechter zijn voorgelegd teneinde invloed uit te oefenen op zijn beslissing en daarover standpunten uit te wisselen (arrest van 4 juni 2013, ZZ, C‑300/11, EU:C:2013:363, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak), hetgeen veronderstelt dat degene op wie een besluit inzake internationale bescherming betrekking heeft, kennis moet kunnen nemen van de gegevens van zijn dossier die ter beschikking zijn gesteld van de rechter die op het tegen dat besluit ingestelde beroep moet beslissen. (…) 57 Gelet op het feit dat uit de verwijzingsbeslissing en de opmerkingen van de Hongaarse regering blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde regeling is gebaseerd op de overweging dat de rechten van verdediging van de betrokkene voldoende worden gewaarborgd door de mogelijkheid voor de bevoegde rechter om toegang te krijgen tot het dossier, moet ten tweede worden benadrukt dat een dergelijke mogelijkheid niet in de plaats kan komen van toegang van de betrokkene of zijn raadsman tot de in dat dossier opgenomen informatie. 58 Naast het feit dat deze mogelijkheid niet geldt voor de administratieve procedure, impliceert de eerbiediging van de rechten van de verdediging niet dat de bevoegde rechter over alle relevante gegevens beschikt om zijn beslissing te nemen, maar juist dat de betrokkene, in voorkomend geval via een raadsman, zijn belangen kan doen gelden door zijn standpunt over die informatie kenbaar te maken. 59 Deze beoordeling vindt overigens steun in de omstandigheid dat uit de bewoordingen zelf van artikel 23, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2013/32 blijkt dat de Uniewetgever van mening was dat de toegang tot de door de bevoegde rechterlijke instanties aan het dossier toegevoegde informatie en de instelling van procedures die waarborgen dat de rechten van verdediging van de betrokkene worden geëerbiedigd, twee onderscheiden en cumulatieve vereisten vormen.” (…) 11. Verweerder heeft in het hoofdgeding op 26 juni 2020 aan Buitenlandse Zaken verzocht om een individueel ambtsbericht uit te brengen. Bij dit verzoek heeft verweerder verschillende documenten gevoegd, te weten de kopie van de Fatwa, een identiteitskaart van eiser en een foto van eiser. Verweerder heeft dit verzoek gedaan zonder eiser vooraf om toestemming te vragen en zonder dit vooraf aan eiser mee te delen. De vragen die verweerder heeft geformuleerd en waarvan de beantwoording nodig is geacht om het verzoek om internationale bescherming te kunnen beoordelen, zijn ook niet voorafgaand aan het onderzoek door Buitenlandse zaken kenbaar gemaakt aan eiser. Verweerder is hiertoe op grond van de Awb ook niet verplicht en is ook niet verplicht om voorafgaand aan het opstarten van dit onderzoek de rechterlijke instantie die, in het geval het verzoek om internationale bescherming wordt afgewezen, bevoegd zal zijn om zich uit te spreken over de rechtmatigheid van dit besluit inzake internationale bescherming of die de rechtmatigheid van het mogelijke terugkeerbesluit moet beoordelen, hiervan in kennis te stellen of om toestemming te vragen. 12. In het hoofdgeding heeft Buitenlandse Zaken op 12 maart 2021 de onderzoeksresultaten neergelegd in het individueel ambtsbericht en ter beschikking gesteld aan verweerder. Verweerder is daarbij verzocht om het individuele ambtsbericht en “de gelakte onderliggende stukken” door te sturen naar eiser of zijn gemachtigde. Als bijlage hierbij is een brief van TOELT gevoegd waarin de resultaten van de eerdergenoemde REK-check zijn neergelegd. In deze brief van de Landenspecialist Midden-Oosten is vermeld dat, na inzage te hebben verkregen in de onderliggende stukken van dit ambtsbericht, wordt geconcludeerd dat “het individueel ambtsbericht qua inhoud en qua procedure zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk is.” 13. De rechtbank heeft op 9 januari 2023 Buitenlandse Zaken verzocht om inzage van de onderliggende stukken van het individuele ambtsbericht. Buitenlandse Zaken heeft op 23 januari 2023 de onderliggende ongelakte documenten verstrekt en een verzoek op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb gedaan. In dit verzoek heeft Buitenlandse Zaken aangegeven dat er gewichtige redenen zijn die rechtvaardigen dat kennisneming van bepaalde gedeelten in deze onderliggende stukken tot de rechtbank beperkt dienen te blijven. Deze redenen betreffen, zo heeft Buitenla

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...