Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2024:7040

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2024-05-03
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL24.13933
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
5.148 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

PV-mondelinge uitspraak, Dublin België, interstatelijk vertrouwensbeginsel, medische omstandigheden, beroep ongegrond

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.13933 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , eiser V-nummer: [V-nr.] (gemachtigde: mr. E.S. van Aken), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar). Procesverloop Bij besluit van 29 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 3 mei 2024 in Breda op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Toma. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Niet in geschil is dat België verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Wel in geschil is of Nederland die verantwoordelijkheid aan zich moet trekken met toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. 2. Uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat België zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dat onlangs nog bevestigd in twee uitspraken van 13 maart 2024. Hierbij is geoordeeld dat niet-kwetsbare, alleenstaande, mannelijke asielzoekers wel degelijk gebruik kunnen maken van nood- en daklozenopvang. De klacht ter zitting dat de Afdelingsuitspraken niet overtuigend zijn, deelt de rechtbank niet. Uit de informatie die door de Belgische autoriteiten is verschaft blijkt dat zij zich inspannen om meer, al dan niet tijdelijke, opvangplekken te realiseren. Dat eiser geen rechtsbijstand of medische voorzieningen kan krijgen, blijkt in het geheel niet. Verwezen wordt naar rechtsoverweging 5.5.4 van één van de twee Afdelingsuitspraken van 13 maart 2024. Daaruit blijkt dat asielzoekers die niet onmiddellijk opvang krijgen worden geplaatst op een wachtlijst en dat de personen die op de wachtlijst staan recht hebben op medische en psychologische ondersteuning en juridische bijstand. Weliswaar heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens België veroordeeld, maar sindsdien heeft België inspanningen verricht om nieuwe, al dan niet tijdelijke, opvangplaatsen te realiseren. Hieruit kan worden afgeleid dat de Belgische autoriteiten niet onverschillig staan tegenover de belangen van asielzoekers. 3. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat hij terecht zou komen in een situatie van verregaande materiële deprivatie. Eiser is daarin niet geslaagd. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat België bij de behandeling van eisers asielverzoek de Europese asielrichtlijnen en verdragsrechtelijke verplichtingen niet in acht zal nemen. De Belgische autoriteiten hebben de claim geaccepteerd. Daarmee garanderen zij dat ze het asielverzoek in behandeling zullen nemen. Dan mag ervan worden uitgegaan dat zij dat asielverzoek zorgvuldig zullen beoordelen. Eisers stelling dat hij geen opvang, medische zorg en juridische bijstand kan krijgen, is niet onderbouwd. 4. De op 1 mei 2024 overgelegde medische informatie leidt niet tot een ander oordeel. Hieruit blijkt dat in 2022 in België is geconstateerd dat eiser problemen heeft met zijn rechterknie (meniscus en kruisband) en dat eiser op 30 april 2024 een afspraak heeft gehad in het ziekenhuis in Tilburg. Verder is ter zitting gebleken dat eiser op 30 mei 2024 een vervolgafspraak heeft. Voor zover behandeling nu alsnog nodig zou blijken te zijn aan de rechterknie van eiser, kan die ook in België worden verricht en kan uitwisseling van medische gegevens plaatsvinden bij overdracht (artikel 32 van de Dublinverordening). Niet is gebleken dat eiser niet de noodzakelijke medische behandeling heeft ondergaan in België of dat hij niet kan klagen indien hij bij terugkeer geen medische behandeling krijgt. Verweerder heeft in deze feiten en omstandigheden ook geen aanleiding hoeven zien om onverplicht toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. 5. Het beroep is ongegrond. 6. Voor een proceskosten bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2024 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Verordening EU nr. 604/2013. ECLI:NL:RVS:2024:1052 en ECLI:NL:RVS:2024:896. ECLI:NL:RVS:2024:896.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...