ECLI:NL:RBDHA:2024:23738
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2024-09-26
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Beroep en voorlopige voorziening: ongegrond en afgewezen. Eiser is sociaal leider in Colombia en vreest voor de militaire groepering Autodefensas Gaitanistas de Colombia (AGC). Verweerder mocht eisers verklaringen over AGC ongeloofwaardig vinden.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL24.31688 (beroep) en NL24.31689 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. F.H. Bruggink), en de minister van Asiel en Migratie , verweerder (gemachtigde: mr. J. van Dam). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. 1.1. Eiser heeft op 25 juli 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 9 augustus 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 2. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 12 september 2024 op zitting behandeld. Eiser, gemachtigde van eiser en verweerder en mevrouw R.A. Caicedo Larrea (tolk) hebben aan deze zitting deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 3. Eiser heeft de Colombiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1994. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is sociaal leider van ANVICFUM , een organisatie die opkomt voor mensenrechten en ook praktische hulp biedt, zoals het verstrekken van medicatie en eten. Ook is eiser in zijn hoedanigheid als sociaal leider van ANVICFUM betrokken bij demonstraties tegen wetgeving en overheidsbeleid, onder andere met betrekking tot de mijnbouw. Leden van AGC – een gewapende groepering – hebben hem meerdere keren bedreigd. De AGC werkt volgens eiser samen met de overheid en bedreigt mensen in opdracht van de regering. Van de bedreigingen van de AGC heeft hij aangifte gedaan bij de Colombiaanse autoriteiten. Daarna is hij gevlucht uit Colombia. 3.1. Ter onderbouwing van het asielrelaas heeft eiser documenten overlegd, te weten een origineel paspoort, zijn (vertaalde) aangifte tegen AGC, foto’s van verschillende demonstraties waarbij hij aanwezig stelt te zijn geweest en een (vertaald) certificaat van ANVICFUM waarin onder meer staat dat hij daarvan sociaal leider is. Het bestreden besluit 4. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Het asielrelaas van eisers bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: eisers identiteit, nationaliteit en herkomst (eerste asielmotief); en eisers problemen met AGC (tweede asielmotief). 4.1. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Dat eiser problemen heeft met de AGC vindt verweerder niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet (volledig) met objectieve documenten onderbouwd. Eisers verklaringen over zijn problemen met de AGC vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Dat eiser uit Colombia komt is onvoldoende om aan te nemen dat eiser een vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Colombia een risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM . Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Verweerder heeft de asielaanvraag daarbij kennelijk ongegrond verklaard, omdat eisers verklaringen onwaarschijnlijk zijn en in strijd met objectieve en gezaghebbende bronnen, waardoor zijn verklaringen niet overtuigend zijn. Wat vindt eiser in beroep? 5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser heeft zijn asielmotief wel met objectieve documenten onderbouwd en verweerder mocht deze documenten niet opzij schuiven omdat ze zijn relaas niet volledig onderbouwen. Verder heeft verweerder zijn verklaringen te beperkt opgevat en past zijn relaas juist goed in wat uit gezaghebbende bronnen volgt. Eiser wijst daarbij op het Algemeen Ambtsbericht Colombia van maart 2022 (hierna: AAB 2022) en dat van juni 2024 (hierna: AAB 2024) en op verweerders informatiebericht over horen en beslissen op Colombiaanse zaken. Ook overlegt eiser een brief van Vluchtelingenwerk Nederland en een e-mailbericht van UNHCR in Colombia. In laatstgenoemd bericht wordt bevestigd dat eiser als sociaal- en milieuactivist is bedreigd. Verweerder mocht eisers aanvraag gelet op het voorgaande niet als kennelijk ongegrond afdoen. Wat is het oordeel van de rechtbank? 6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank stelt vast dat in beroep enkel in geschil is of verweerder de gestelde problemen van eiser met de AGC niet geloofwaardig heeft kunnen achten. 7. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen. Wettelijk kader 8. In artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 is ter implementatie van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn bepaald dat indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, deze verklaringen geloofwaardig worden geacht en de vreemdeling het voordeel van de twijfel wordt gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven; b. alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen; c. de verklaringen van de vreemdeling zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag; d. de vreemdeling heeft zijn aanvraag zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten; en e. vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. Onderbouwing relaas met documenten 8.1. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser zijn verklaringen over de gestelde problemen met de AGC niet met objectieve documenten heeft onderbouwd. Anders dan eiser stelt heeft verweerder de door eiser overgelegde documenten niet terzijde geschoven, maar wel degelijk in de beoordeling betrokken. Eiser heeft onder meer een aangifte tegen (leden van) AGC bij zijn asielmotief overlegd. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat dit geen objectief document is dat de verklaringen van eiser (volledig) kan onderbouwen, nu een enkele aangifte de gestelde problemen niet geloofwaardig maakt. Iedereen kan immers aangifte doen. Eiser heeft geen bewijzen van de gestelde bedreigingen door AGC overgelegd en ook geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat de politie onderzoek heeft gedaan. Dat uit het AAB 2024 volgt dat veel aangiftes niet leiden tot een zaak en als dat wel zo is er weinig resultaat is, maakt niet dat de overlegde aangifte daarmee wel als een objectief stuk moet worden aangemerkt waarmee eiser zijn verklaringen (volledig) kan onderbouwen. Hetzelfde geldt voor eisers standpunt dat de overlegde aangifte een globale aangifte betreft en er later, op uitnodiging, een uitgebreidere aangifte zal plaatsvinden. Eiser heeft deze uitgebreidere aangifte namelijk niet overgelegd. Over de foto’s die eiser heeft overgelegd om zijn deelname aan de demonstraties te onderbouwen, heeft verweerder zich ter zitting op het standpunt kunnen stellen dat er context mist bij deze foto’s en dat ook hiermee nog geen volledige onderbouwing is gegeven voor eisers verklaringen. De verklaring van ANVICFUM – waarin staat dat eiser als sociaal leider aan deze vereniging is verbonden – heeft verweerder ook onvoldoende onderbouwing voor de gestelde problemen met de AGC kunnen vinden. 8.2 Nu verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser zijn verklaringen niet volledig met objectieve documenten heeft onderbouwd, heeft verweerder terecht getoetst of eiser desondanks het voordeel van de twijfel kan worden gegund. In dat kader heeft verweerder de geloofwaardigheid van eisers verklaringen over zijn problemen met AGC beoordeeld. Geloofwaardigheid verklaringen 9. Verweerder heeft – conform artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw – beoordeeld of eisers verklaringen over zijn problemen met de AGC samenhangend en aannemelijk en niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn aanvraag. Verweerder heeft daarbij de volgende omstandigheden kunnen betrekken. Band tussen AGC en overheid en bedreigingen vanwege deelname aan demonstraties 9.1. Verweerder heeft eiser kunnen tegenwerpen dat het onwaarschijnlijk is dat de AGC voor de autoriteiten zou werken en eiser zou bedreigen vanwege zijn deelname aan demonstraties tegen de overheid. Daarbij heeft verweerder op informatie uit het AAB 2024 kunnen wijzen, waaruit blijkt dat zij gezien worden als een illegale gewapende groepering en juist niet als een bondgenoot van de regering. Eisers verwijzing naar de passage uit het AAB 2024 over de vermeende banden tussen de overheid en neo-paramilitaire organisaties gaat niet op, nu daaruit volgt dat de meeste bronnen het erover eens zijn dat de banden tussen de nationale overheid en neo-paramilitaire organisaties niet meer van een dergelijk niveau zijn als de banden tussen de paramilitaire organisaties en de overheid in het verleden. Alhoewel de informatie in het AAB 2024 niet uitsluit dat er nog banden kunnen zijn tussen illegaal gewapende groeperingen en lokale overheden, staat in het AAB 2024 niets specifieks over banden tussen de AGC en lokale overheden. Ook blijkt daaruit niet dat de AGC betrokken zou zijn bij gewelddadige acties tegen sociale leiders die zich met name afzetten tegen overheidsbeleid. Eisers verwijzing naar het informatiebericht van verweerder maakt dit niet anders, nu hieruit slechts volgt dat sociale leiders doelwit van geweld kunnen zijn als illegale gewapende groeperingen hen zien als obstakel voor hun criminele activiteiten. Eiser heeft verklaard dat hij zich tegen overheidsbeleid afzet en daartegen demonstreert en niet dat hij zich met zijn werkzaamheden richt tegen de criminele activiteiten van illegaal gewapende groeperingen. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, heeft eiser de bedreigingen waarvan hij slachtoffer stelt te zijn geworden in zijn verklaringen zelf steeds gekoppeld aan de demonstraties tegen wetgeving en overheidsbeleid waaraan hij stelt te hebben deelgenomen. Dit staat ook zo in de aangifte die eiser heeft overgelegd. Dat hij vooral slachtoffers van AGC ondersteunt en om die reden is bedreigd, blijkt niet uit eisers verklaringen en heeft hij ook niet in de correcties en aanvullingen naar voren gebracht. Eisers stelling dat hij zich tegen overheidsbeleid afzet en daarmee ook demonstreert tegen zaken die raken aan de belangen van AGC (zoals de demonstraties tegen mijnbouw) heeft verweerder gelet op het voorgaande niet hoeven volgen. Ook de in beroep overgelegde verklaring van UNHCR Colombia heeft verweerder niet tot een ander standpunt hoeven leiden, nu AGC daarin niet wordt genoemd en daarin enkel het vermoeden wordt uitgesproken dat de bedreigers een link met de overheid hebben. Terugkeer naar Colombia 9.2. Eiser heeft verder verklaard in juni 2022 naar Malta te zijn vertrokken na meerdere keren door de AGC te zijn bedreigd. Verweerder heeft eiser kunnen tegenwerpen dat het feit dat hij desondanks in november 2023 weer naar Colombia is teruggekeerd afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn relaas. Eisers stelling dat de intimidaties in 2022, voorafgaand zijn vertrek naar Malta, minder ernstig waren dan de bedreigingen na zijn terugkeer in 2023 heeft verweerder niet hoeven volgen. In de zienswijze heeft eiser immers gesteld dat de intimidaties van 2022 wel bedreigend genoeg waren om zich onveilig en angstig te voelen. Bovendien staat in de vertaalde aangifte van eiser dat hij in 2022 het land moest ontvluchten omdat hij er zeker van was dat zijn leven gevaar liep na geruime tijd in angst en totale verwarring te hebben geleefd door de doodbedreigingen die hij kreeg. Deze aangifte is een weergave van de verklaringen van eiser zelf. Vijf maanden na de laatste demonstratie bedreigd door AGC 9.3. Verweerder heeft zich ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet valt in te zien waarom de AGC eiser pas na vijf maanden na zijn laatste deelname aan een demonstratie zou bedreigen. Het enkele feit dat eiser een sociaal leider is en in de tussentijd ook andere activiteiten dan demonstraties heeft verricht heeft het standpunt van verweerder niet anders hoeven maken. Zoals hiervoor is overwogen heeft verweerder er namelijk op kunnen wijzen dat eiser zijn problemen met de AGC in zijn verklaringen zelf steeds heeft gekoppeld aan zijn deelname aan demonstraties tegen de overheid en niet aan zijn overige activiteiten als sociaal leider. De verwijzing naar informatie van Vluchtelingenwerk Nederland geeft daarom geen aanleiding voor een ander oordeel. Bedreiging andere leden van ANVICFUM 9.4. Verweerder heeft eiser ten slotte kunnen tegenwerpen dat niet valt in te zien waarom andere leden van ANVICFUM, die volgens eisers verklaringen aan dezelfde demonstraties hebben deelgenomen, niet zijn bedreigd en dat dit sterk afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn relaas. Eiser heeft in de zienswijze en in beroep gesteld dat hij meer actief en meer zichtbaar was dan de andere leden, maar dit niet nader onderbouwd. In de verklaring van ANVICFUM staat dat eiser sociaal leider is en dat hij net als de rest van de leden is blootgesteld aan enorme gevaren. Verder heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat onder de vrijwilligers van ANVICFUM – waar eiser onder viel – geen sprake was van een hiërarchie. Ook ter zitting heeft eiser niet uit kunnen leggen waaruit blijkt dat hij meer op de voorgrond trad en daardoor meer dan de anderen aan gevaren was blootgesteld, ook in het licht van zijn verklaring tijdens het nader gehoor dat hij tijdens demonstraties altijd achterin liep om de mensen te helpen die gewond waren. 9.5 Gelet op het voorgaande heeft verweerder de verklaringen van eiser over zijn problemen met de AGC niet geloofwaardig kunnen achten. Conclusie en gevolgen 10. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarmee is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand. 10. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. 10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als verweerder. Asociación Nacional de Víctimas Futuro Mejor. Autodefensas Gaitanistas de Colombia. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw. Zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 ( Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 ( Trb . 1967, 76). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Artikel 30, eerste lid, onder e, van de Vw. IB 2022/76 Handvatten bij het horen en beslissen op Colombiaanse zaken. Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen ( United Nations High Commissioner for Refugees ). Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming. Zie pagina’s 11, 18, 21 en 36 van het AAB 2024. Zie pagina 33 van het AAB 2024. IB 2022/76 Handvatten horen en beslissen in Colombiaanse zaken. Zie onder ZEVENDE in de aangifte. Verslag nader gehoor, p. 11. Verslag nader gehoor, p. 13.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...