ECLI:NL:RBDHA:2024:20192
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2024-12-04
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Dublin Frankrijk - voortvarend handelen - interstatelijk vertrouwensbeginsel - afgewezen asielaanvraag - geen opvang - onevenredige hardheid vanwege eerdere ervaringen in Frankrijk – beroep ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL24.40079 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. W.A. Berghuis), en de minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar). Procesverloop Bij besluit van 14 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank 1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1982 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 6 mei 2024 asiel aangevraagd in Nederland. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 22 november 2022 in Frankrijk al een asielaanvraag had ingediend. Nederland heeft op grond hiervan op 11 juni 2024 een verzoek tot terugname verstuurd aan de Franse autoriteiten. Op 25 juni 2024 heeft Frankrijk het verzoek geaccepteerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Frankrijk vaststaat. 3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen, en voert daartoe het volgende aan. Verweerder heeft niet voortvarend genoeg besloten op eisers asielaanvraag, terwijl op grond van artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening overdracht plaats dient te vinden zodra dit praktisch mogelijk is en uiterlijk binnen zes maanden. Daarnaast kan ten aanzien van Frankrijk niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Eisers asielaanvraag is namelijk afgewezen in Frankrijk, waarna hij op straat is gezet. Eiser is bereid om terug te keren naar Frankrijk, mits daar opvang wordt gegarandeerd. Hier heeft verweerder geen onderzoek naar gedaan. Verder heeft eiser niet de mogelijkheid gehad in Frankrijk om een klacht in te dienen door het gebrek aan informatie over de klachtenprocedure. Pogingen om hulp te zoeken hebben geen resultaat opgeleverd. Hij vreest bij terugkeer naar Frankrijk te worden behandeld op dezelfde wijze als bij zijn eerdere verblijf. Ook is er sprake van bijzondere, individuele omstandigheden door zijn eerdere ervaringen in Frankrijk, waardoor eiser niet kan terugkeren. De rechtbank oordeelt als volgt. 4. Niet in geschil is dat is voldaan aan de termijnen zoals deze zijn opgenomen in de Dublinverordening. Dat verweerder mogelijk eerder had kunnen beslissen op eisers asielaanvraag, maakt niet dat verweerder om die reden ook sneller had moeten beslissen. Hiervoor bestaat geen wettelijke grondslag in de Dublinverordening. 5. In beginsel mag verweerder ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is reeds bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2024. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Hier is eiser niet in geslaagd. Zo heeft eiser de door hem gestelde omstandigheden niet onderbouwd. Niet is gebleken dat eiser na overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Verder is niet gebleken van ernstige, structurele tekortkomingen in het asielsysteem of de opvangvoorzieningen, zodat toepassing dient te worden gegeven aan artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Er komt geen betekenis toe aan eisers eerdere ervaringen in het verleden in Frankrijk, omdat de situatie moet worden beoordeeld die hij tijdens en na de toekomstige overdracht te verwachten heeft. Bovendien hebben de Franse autoriteiten met de aanvaarding van het terugnameverzoek toegezegd dat zij de asielaanvraag van eiser in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen en internationale verplichtingen. 6. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, die maken dat overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt. Daarbij heeft verweerder ervan uit mogen gaan dat eisers eerdere ervaringen in Frankrijk al betrokken zijn in de beoordeling op het punt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en daarom niet nogmaals een rol kunnen spelen in het kader van artikel 17, van de Dublinverordening. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om eisers asielaanvraag onverplicht alsnog inhoudelijk te behandelen. Voorts heeft verweerder terecht overwogen dat eiser zich bij voorkomende problemen kan wenden tot de (hogere) Franse autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser niet kan klagen of dat dit bij voorbaat zinloos is. Verder zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat een overdracht zal leiden tot onevenredige hardheid. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. 7. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond. 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 4 december 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger-beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hoger-beroepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2024:3552. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Volgt uit de uitspraak van de Afdeling 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:180.
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...