Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2024:17529

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum
2024-10-23
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Herkomstland
01Registratie

Geëxtraheerde velden

Zaaknummer
NL24.31754 en NL24.31758
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
4.220 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…
04Samenvatting

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

asielaanvraag buiten behandeling, terugkeerbesluit en inreisverbod, geen procesbelang, beroepen niet-ontvankelijk.

05Kern

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: NL24.31754 en NL24.31758 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2024 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. W.H.M. Ummels), en de minister van Asiel en Migratie . Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen het besluit van 25 maart 2024, waarbij de minister eisers asielaanvraag buiten behandeling heeft gesteld en tevens een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar is opgelegd aan eiser. 1.1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor zitting, omdat dat in deze zaken niet nodig is. Beoordeling door de rechtbank 2. De beroepen zijn niet-ontvankelijk, omdat eiser geen procesbelang (meer) heeft bij zijn beroepen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Heeft eiser nog procesbelang? 3. De minister heeft bij brief van 5 september 2024 een door eiser ondertekende vertrekverklaring van 28 augustus 2024 overgelegd waaruit volgt dat eiser op die dag met behulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) is teruggekeerd naar Marokko, zijn land van herkomst. Verder heeft eiser daarin – voor zover thans van belang – verklaard dat hij Nederland vrijwillig wil verlaten en dat hij ermee instemt dat nog openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden beëindigd. Op grond van het vorenstaande leidt de rechtbank uit de vertrekverklaring, in samenhang bezien met het feit dat eiser vrijwillig is teruggekeerd naar Marokko, af dat hij in Nederland geen aanspraak meer wenst te maken op een asielvergunning. De rechtbank overweegt dat eiser gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) onder die omstandigheden geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep gericht tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. 3.1. Door de vrijwillige terugkeer naar Marokko heeft eiser voldaan aan het opgelegde terugkeerbesluit. Om die reden heeft eiser ook geen belang bij de beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit voor zover dat zich richt tegen het terugkeerbesluit. Het beroep, voor zover dat betrekking heeft op het opgelegde terugkeerbesluit, is daarom eveneens niet-ontvankelijk. 3.2. Eiser heeft verder ook geen belang meer bij de beoordeling van het beroep voor zover dat is gericht tegen het inreisverbod, omdat de gemachtigde van eiser na navraag bij bericht van 12 september 2024 te kennen heeft gegeven geen contact meer te hebben met eiser. Daaruit maakt de rechtbank op dat eiser niet langer belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep gericht tegen het inreisverbod. Het beroep hiertegen is niet-ontvankelijk. Conclusie en gevolgen 4. De beroepen zijn niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Voors, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dit mogelijk. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4014, van 31 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2058 en 24 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3715.

Volledige uitspraak (archief)

Archief laden...