ECLI:NL:RBDHA:2024:15988
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum
- 2024-10-04
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Herkomstland
- —
Geëxtraheerde velden
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Nigeria, seksuele geaardheid en geloofwaardig geacht relaas mensenhandel – eiser is 10 jaar in Nederland en heeft in deze tweede procedure wederom zijn seksuele geaardheid als asielmotief aangedragen. In deze opvolgende procedure draagt eiser daarnaast als zelfstandig asielmotief aan dat hij in Nederland en in Duitsland slachtoffer van mensenhandel is geweest en daarom vreest voor een 3 EVRM-schending als hij moet terugkeren. De rechtbank stelt vele gebreken vast en motiveert waarom de rechtbank zelf voorziet nu beide asielmotieven zelfstandig tot vergunningverlening moeten leiden – vermogen van eiser om adequaat te verklaren – referentiekader eiser en bewijsdrempel om relaas aannemelijk te achten – opvolgende aanvraag; samenwerkingsplicht, bewijswaarde documenten en beoordelingskader - refoulementrisico in verband met geloofwaardig geacht relaas mensenhandel – uitspraak Afdeling 23 nov ’23 en de aanvulling op het AAB Nigeria – bewijslast bij verweerder – tegenwerpingen verweerder slagen allemaal niet – de aard van de tegenwerpingen met betrekking tot de documenten waarvan de echtheid niet kan worden vastgesteld zijn niet juist, onzorgvuldig en onbehoorlijk jegens eiser - De rechtbank acht het in het belang van beide partijen om in deze fase van de procedure het geschil finaal te beslechten zodat partijen het procederen kunnen beëindigen - ook de vreemdelingenrechter is op grond van nationaal recht en op grond van Unierecht bevoegd om zelf te voorzien – verweerder heeft meerdere malen de geloofwaardigheid van de seksuele geaardheid beoordeeld en is in de gelegenheid geweest deze beoordeling aan te vullen doordat de rechtbank bij de eerste behandeling ter zitting reeds de gebreken heeft benoemd en doordat een bestuurlijke lus is toegepast, eiser aanvullend is gehoord en er een aanvullend besluit is genomen. - De rechtbank geeft verweerder uitdrukkelijk in overweging om te berusten in deze uitspraak en het belang van finale geschillenbeslechting te laten prevaleren boven het doorprocederen vanwege het niet willen aanvaarden dat de rechtbank verweerder opdraagt een verblijfsvergunning te verlenen. – beroep gegrond en rechtbank voorziet zelf, beide besluiten worden vernietigd, verweerder moet vergunning verlenen, rechtbank vernietigt TKB & IRV en draagt verweerder op TKB en IRV uit SIS te verwijderen – in het kader van de pkv-veroordeling merkt de rechtbank de zaak aan als zwaar.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL22.25858 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], geboren op [geboortedatum] 1976 te Nigeria, V-nummer: [V-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. A. Saakjan), en de Minister van Asiel en Migratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, (gemachtigde: mr. J. Vreijsen). Procesverloop Bij besluit van 16 december 2022 (bestreden besluit I) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond en met betrekking tot de rechtsgevolgen bepaald dat dit besluit als terugkeerbesluit geldt en eiser een vertrektermijn wordt onthouden. Tevens is aan eiser een inreisverbod opgelegd met een duur van twee jaar. Eiser heeft tegen dit bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 23 oktober 2023, het verzoek van 18 oktober 2023 om de op 24 oktober 2023 geplande presentatie bij de Nigeriaanse autoriteiten te verbieden afgewezen (NL23.33027, niet gepubliceerd). Het beroep tegen bestreden besluit I en het verzoek zijn op 3 november 2023 op zitting behandeld. Na de behandeling ter zitting heeft de rechtbank de behandeling van het beroep aangehouden om eiser in de gelegenheid te stellen documenten te overleggen en om verweerder in de gelegenheid te stellen om deze documenten te (laten) onderzoeken. Tevens heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan, een ordemaatregel getroffen en bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat verweerder en/of DT&V zich moeten onthouden van het in contact treden met de Nigeriaanse autoriteiten om een presentatie in persoon van eiser aan te vragen totdat de rechtbank (eind)uitspraak heeft gedaan in de beroepsprocedure en bepaald dat eiser niet verplicht is om mee te werken aan een presentatie in persoon bij de Nigeriaanse autoriteiten zolang niet is beslist op zijn beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag (ECLI:NL:RBDHA:2023:16602). Op 30 april 2024 heeft verweerder de rechtbank verzocht om een bestuurlijke lus toe te passen om eiser nader te horen en om een aanvullend besluit te kunnen nemen. De rechtbank heeft dit verzoek, omdat dit ook in het belang van eiser is, ingewilligd. Bij besluit van 20 juni 2024 (bestreden besluit II) heeft verweerder de aanvraag van eiser wederom afgewezen als kennelijk ongegrond en met betrekking tot de rechtsgevolgen gewezen op het op 1 augustus 2014 genomen terugkeerbesluit. Eiser heeft een aanvullend beroepschrift en aanvullende beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep ter zitting voortgezet op 2 oktober 2024. Eiser en beide gemachtigden zijn verschenen. Na afloop van de behandeling ter zitting heeft de rechtbank een voorlopig oordeel gegeven en aangegeven dat schriftelijk uitspraak gedaan zal worden. Overwegingen Inleiding 1. De rechtbank overweegt allereerst dat het beroep van eiser betrekking heeft op beide besluiten en de rechtbank dus uitspraak zal doen over de rechtmatigheid van beide besluiten. 2. Eiser is in 2014 in Nederland ingereisd en heeft op 19 juli 2014 een asielaanvraag gedaan waaraan hij ten grondslag heeft gelegd dat hij een homoseksuele geaardheid heeft. Deze aanvraag is afgewezen op 1 augustus 2024. De rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft op 22 september 2015 het beroep van eiser gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen om opnieuw te beslissen op de aanvraag (AWB 14/18070, niet gepubliceerd). Op 18 maart 2016 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser van 19 juli 2014 wederom afgewezen. Deze afwijzing van deze eerdere asielaanvraag staat in rechte vast door een uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2848), waarbij de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 7 maart 2017 (NL16.554, niet gepubliceerd) is vernietigd. 3. Eiser is niet in aanmerking gebracht voor een verblijfsvergunning vanwege mensenhandel. De beschikking van verweerder van 19 april 2019, waarbij eisers verblijfsvergunning in het kader van de Verblijfsregeling Mensenhandel is ingetrokken, is in rechte komen vast te staan door de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2020. In de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 10 april 2020 (AWB 19/73338, niet gepubliceerd) is onder meer overwogen dat de grond van de verleende verblijfsvergunning is komen te ontvallen omdat de officier van justitie wegens onvoldoende opsporingsindicaties niet tot vervolging overgaat. In de uitspraak is tevens overwogen dat niet in geschil is dat eiser in Nederland slachtoffer is geworden van mensenhandel maar “dat er geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die rechtstreeks verband houden met mensenhandel waardoor niet van eiser gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.” De Afdeling heeft deze uitspraak in de bovengenoemde uitspraak van 3 juni 2020 met een zogenoemde “91 lid 2-motivering” bevestigd (202002786/1/V2, niet gepubliceerd). 4. Eiser heeft aan zijn tweede asielaanvraag van 16 maart 2022, waarvan de afwijzing thans ter toetsing voorligt, wederom zijn seksuele geaardheid ten grondslag gelegd en heeft tevens verklaard in Duitsland, net als in Nederland, slachtoffer te zijn geworden van de mensensmokkelaars die hem naar Nederland hebben gebracht en ook in Duitsland gedwongen te zijn tot prostitutie. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn gestelde seksuele geaardheid bij zijn opvolgende asielaanvraag een drietal documenten overgelegd. 5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: Identiteit, nationaliteit en herkomst; Gestelde seksuele geaardheid; Mensenhandel in Duitsland. 6. Verweerder heeft eiser op 14 december 2022 gehoord over zijn opvolgende aanvraag. Verweerder acht het element “identiteit, nationaliteit en herkomst” geloofwaardig. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser met de overgelegde stukken en zijn toelichting op deze stukken nog altijd niet zijn gestelde seksuele geaardheid geloofwaardig heeft gemaakt. Verweerder acht het element “mensenhandel in Duitsland” wel geloofwaardig, maar stelt zich op het standpunt dat dit niet tot bescherming noopt. Verweerder concludeert dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is op grond van artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat het een opvolgende asielaanvraag betreft die niet overeenkomstig artikel 30a, eerste lid, onderdeel d of e, niet-ontvankelijk is verklaard. Daarnaast moet eiser Nederland onmiddellijk verlaten en is hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. 7. Partijen zijn met name verdeeld over de vraag wat het arrest LH voor de onderhavige procedure betekent (uitspraak van het Hof van Justitie van 10 juni 2021 in procedure C-921/19, ECLI:EU:C:2021:478) en welke gevolgen al dan niet kunnen worden verbonden aan de onderzoeksbevindingen van Bureau Documenten van. Partijen zijn ook verdeeld over de vraag in hoeverre het geloofwaardig geachte element “mensenhandel in Duitsland” een 3 EVRM-risico bij terugkeer met zich brengt en of reeds vanwege dit geloofwaardig geachte element bescherming aan eiser moet worden geboden. Gelet op de algemene landeninformatie over Nigeria is het bovendien de vraag of de autoriteiten in staat zijn bescherming te bieden voor het geval eiser na terugkeer moet vrezen voor mensensmokkelaars en mensenhandelaars. 8. Eiser heeft, naast de twee documenten bij de aanvraag en één document bij zijn gehoor opvolgende aanvraag, in beroep een foto van twee andere documenten overgelegd. De rechtbank heeft bij de behandeling van het beroep ter zitting op 3 november 2023 met partijen besproken het noodzakelijk te vinden dat de twee documenten, waarvan eiser stelt dat hij deze aan de advocaat die hem heeft bijgestaan in “de mensenhandel-procedure” heeft overhandigd en ze niet terug heeft gekregen, door eiser worden her-verkregen en door verweerder worden beoordeeld en worden betrokken bij de beoordeling van de asielaanvraag. In de bovengenoemde “mensenhandel-procedure” heeft de toenmalige gemachtigde van eiser, zoals verweerder ter zitting op 3 november 2023 heeft toegelicht, de originele stukken niet overgelegd. Hierdoor heeft verweerder destijds alleen een kopie van één van de documenten bij de beoordeling kunnen betrekken. De feiten waar het derde element “mensenhandel in Duitsland” op ziet, hebben zich voorgedaan na de afronding van deze procedure waarbij is geoordeeld dat eiser geen verblijfsrecht ontleent aan de omstandigheid dat hij slachtoffer is van mensenhandel in Nederland. Verweerder heeft ter zitting aangegeven niet in te zien waarom de behandeling van het beroep moet worden aangehouden, omdat eiser geruime tijd in de gelegenheid is geweest om die documenten te bemachtigen en dat niet uit eigen beweging heeft gedaan. Verweerder heeft hierbij aangegeven dat ook indien die documenten worden verkregen en ze na documentenonderzoek authentiek en inhoudelijk juist zouden zijn, dit niet kan afdoen aan het besluit. De rechtbank heeft aangegeven dat kan worden toegegeven dat van eiser verwacht had mogen worden dat hij reeds inspanningen zou hebben geleverd om de documenten terug te krijgen, maar hieraan niet het gevolg te verbinden dat eiser niet alsnog in de gelegenheid moet worden gesteld om dit te doen. De rechtbank dient in beroep de beoordeling door verweerder van de beschermingsbehoefte van eiser te toetsen. Omdat het verbod op refoulement absoluut is en dit ook de taak en verantwoordelijkheid van de rechtbank regardeert en de rechtbank in de onderhavige procedure het onderzoek zo volledig mogelijk wil verrichten, heeft de rechtbank eiser een nadere termijn gegeven om de documenten te overleggen en zo zijn asielrelaas nader te staven. De rechtbank heeft reeds toen aangegeven bovendien niet zonder meer te volgen dat ook indien de documenten authentiek zijn, hieruit geen steunbewijs volgt omdat het overleggen van authentieke documenten de algehele geloofwaardigheid van eiser regardeert. De rechtbank heeft toen ook benoemd dat de inhoud van deze documenten integraal met alle overige verklaringen en bewijsmiddelen dient te worden onderzocht, ook als deze documenten niet authentiek blijken te zijn. Eiser heeft daarop aangegeven dat indien hij hiertoe in de gelegenheid zou worden gesteld, hij ten spoedigste contact zou opnemen met zijn voormalige advocaat die hem heeft bijgestaan in de “mensenhandel-procedure” en de stukken voor onderzoek zal aanbieden. 9. Eiser heeft na de aanhouding van de behandeling van het beroep de documenten overgelegd en verweerder heeft de documenten laten onderzoeken door Bureau Documenten. Verweerder heeft een verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 6 december 2023 overgelegd. 10. Verweerder heeft, nadat de rechtbank het verzoek van verweerder om een bestuurlijke lus toe te passen heeft ingewilligd, eiser op 27 mei 2024 aanvullend gehoord over zijn opvolgende aanvraag. In het bestreden besluit van 20 juni 2024 heeft verweerder zijn beslissing om eiser niet in aanmerking te brengen voor internationale bescherming gehandhaafd. 11. De beroepsgronden van eiser hebben onder meer betrekking op de gebrekkige motivering van de tegenwerpingen uit de vorige procedure en het gewicht dat daaraan in de onderhavige procedure wordt toegekend, het beoordelingskader voor opvolgende aanvragen, de bewijswaardering van de overgelegde documenten, de bewijsdrempel, de samenwerkingsplicht en de risico’s bij terugkeer vanwege de mensenhandelaren. 12. De rechtbank overweegt dat de beroepsgronden van eiser slagen en de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren. De rechtbank motiveert dit als volgt. I Geloofwaardigheidsbeoordeling seksuele geaardheid Vermogen van eiser om adequaat te verklaren 13. Verweerder heeft in deze procedure geen (nieuw) “medisch advies horen en beslissen” opgevraagd. De rechtbank acht dit onzorgvuldig omdat het dossier meerdere aanwijzingen bevat dat eiser kampt met mentale en psychische problemen die wellicht interfereren met het vermogen van eiser om adequaat te verklaren en die door verweerder moeten worden betrokken bij het inrichten van het gehoor en bij het bepalen van het referentiekader van eiser om een deugdelijke geloofwaardigheidsbeoordeling te kunnen verrichten. Medifirst heeft ten behoeve van de eerste procedure op 22 juli 2014 een advies uitgebracht en heeft daarin vermeld dat “eiser zich niet alle data kan herinneren”. Eiser heeft bij het indienen van de opvolgende aanvraag op 16 maart 2022 in de M35-O aangegeven te kampen met diabetes, leverproblemen en mentale problemen. In het gehoor opvolgende aanvraag begint de hoormedewerker ook met het benoemen van deze problemen en eiser heeft daarop verklaard welke klachten hij heeft en dat hij hiervoor onder behandeling van een psycholoog staat. Op 15 november 2017 is er een melding gedaan van calamiteiten en is vastgelegd dat sprake is geweest van een “zelfdestructieve actie”. Tevens is een brief in het dossier gevoegd waaruit blijkt dat eiser vanaf mei 2019 is overgedragen aan de Stichting Altijd Zorg te Rolde en daar in aanmerking is gebracht voor begeleid wonen. 14. Verweerder heeft ervoor gekozen in deze opvolgende procedure geen medisch advies horen en beslissen op te vragen. Dit betekent echter niet dat verweerder voorbij kan gaan aan de eerder geconstateerde beperking dat eiser geen data kan herinneren. Het is immers niet zonder meer waarschijnlijk dat deze beperking door het enkele tijdsverloop tussen de procedures vanzelf is verdwenen. Het laat ook onverlet dat verweerder bij het beoordelen van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser zich rekenschap moet geven van het referentiekader van eiser. Verweerder moet dit ook kenbaar doen, zodat de rechtbank kan beoordelen of verweerder integraal mag uitgaan van de verklaringen en zodat de rechtbank kan beoordelen of de bewijsdrempel die verweerder hanteert om te beslissen of eiser zijn asielrelaas met zijn verklaringen aannemelijk heeft gemaakt terecht is opgeworpen. Dit is des te meer van belang omdat het asielmotief dat ten grondslag ligt aan de vraag om bescherming nagenoeg uitsluitend met eigen verklaringen aannemelijk kan worden gemaakt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de tussenuitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 september 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:14610). 15. Verweerder heeft de gehoren weliswaar zorgvuldig ingericht doordat de hoormedewerker zich regelmatig heeft vergewist of eiser zichzelf in staat achtte om gehoord te kunnen worden en door eiser de ruimte te geven om om een onderbreking te verzoeken en zijn emoties te uiten. Het is de vraag of eiser zelf kan beoordelen of zijn psychische problemen van invloed zijn om verklaringen af te kunnen leggen en het is de vraag in hoeverre eiser overziet wat de gevolgen zijn voor zijn asielaanvraag als niet wordt onderkend dat hij niet adequaat kan verklaren. Het beoordelen of sprake is van beperkingen vergt dus een medische beoordeling. Dat een actuele medische beoordeling van het vermogen van eiser om adequaat te kunnen verklaren is vereist, zou voor eenieder duidelijk zijn geweest als de hoormedewerker de vraag had gesteld hoelang eiser reeds onder behandeling van een psycholoog staat en waar deze behandelingen betrekking op hebben. De rechtbank heeft eiser deze -simpele en voor de hand liggende- vraag ter zitting gesteld. Eiser heeft daarop aangegeven dat hij thans tien jaar in Nederland is en gedurende negen jaar in Nederland onder behandeling staat van een psycholoog. Eiser heeft verder, in antwoord op vragen van de rechtbank, verklaard dat hij op regelmatige en frequente basis gesprekken heeft met de psycholoog en deze gesprekken tot doel hebben om zijn suïcidale gedachten te verminderen en om leren om te gaan met de medische en psychische gevolgen van de substanties die hij kreeg toegediend gedurende de periode dat hij in Duitsland gedwongen is geprostitueerd. Eiser heeft verder verklaard in voortdurende angst te leven vanwege de bedreigingen van de mensenhandelaar en eiser heeft verklaard “last te hebben” van de grote en langdurige onzekerheid over verblijfservaring en de lange duur van deze procedure. 16. De hoormedewerker heeft bij aanvang van het eerste gehoor in deze opvolgende procedure de medische en psychische problemen met eiser besproken en heeft ook waargenomen dat eiser meerdere malen in reactie op vragen emotioneel is geworden. Verweerder had ook naar aanleiding van het gehoor moeten onderkennen dat hij zich had moeten laten adviseren door een medisch deskundige en de vraag had moeten voorleggen of bij eiser sprake is van beperkingen om adequaat te verklaren en zo ja, op welke wijze verweerder hiermee rekening moet houden bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser. Het zorgvuldig horen heft immers mogelijke beperkingen niet op. Verweerder had dus moeten nagaan of hij onverkort mag uitgaan van de door eiser afgelegde verklaringen en de geconstateerde “tegenstrijdigheden” kan tegenwerpen. Verweerder heeft dit niet gedaan en de rechtbank overweegt dat daardoor beide besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid. Eiser heeft in deze procedure zelf geen medische stukken overgelegd. Dit doet aan het bovenstaande niet af omdat het aan verweerder is om alle procedurele waarborgen gedurende de gehele procedure te bieden en omdat het aan verweerder is om zich te vergewissen of sprake is van beperkingen bij eiser om adequaat te verklaren. Het is immers aan verweerder om bij het horen en bij het beslissen rekening te houden met eventuele medische beperkingen zodat verweerder moet onderzoeken alvorens eiser te horen. Voor zover verweerder heeft bepaald dat bij een opvolgende procedure in dit kader minder of andere waarborgen hoeven te worden geboden volgt de rechtbank dat niet en overweegt de rechtbank dat bovendien dat er in deze opvolgende procedure concrete aanwijzingen zijn dat sprake is van psychische problemen die interfereren met het vermogen om adequaat te verklaren. Verweerder had dit reeds voor het horen moeten onderkennen en in ieder geval het gehoor moeten onderbreken en alsnog een medisch advies horen en beslissen moeten opvragen op het moment dat eiser verklaringen aflegde over zijn mentale problemen en de behandelingen die hij hiervoor ondergaat. De rechtbank verwijst hierbij ter vergelijking naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 18 februari 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:1381) en de uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1584), waarin de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de gronden waarop zij berust. Referentiekader eiser en bewijsdrempel om relaas aannemelijk te achten 17. De rechtbank overweegt verder dat in de bestreden besluiten niet kenbaar is vermeld wat het referentiekader van eiser is. Dit had wel gemoeten. Het belangrijkste bewijsmiddel van een vreemdeling om een seksuele geaardheid aannemelijk te maken zijn de eigen verklaringen. Juist dan is het relevant om -kenbaar- vast te stellen welk referentiekader verweerder als uitgangspunt neemt voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen. Eiser kampt met psychische problemen en eiser heeft in zijn eerste gehoor in zijn eerste procedure verklaringen afgelegd over zijn geringe opleidingsniveau en zijn herkomst. Uit de gehoren blijkt dat eiser de vragen niet altijd meteen begrijpt en om verduidelijking vraagt. Verweerder had zich hiervan rekenschap moeten geven en nader moeten motiveren waarom hij meent onverkort uit te gaan van de verklaringen die zijn afgelegd. Zeker nu het gehoor opvolgende aanvraag ziet op overgelegde documenten, is het noodzakelijk dat verweerder in het gehoor was nagegaan of eiser zelf kennis kan nemen van deze documenten en het voor hem gebruikelijk is om documenten te verkrijgen en te lezen. 18. Dat verweerder zich rekenschap geeft van het referentiekader is noodzakelijk omdat verweerder moet bepalen wat hij van eiser kan verwachten als het gaat om het aannemelijk maken van zijn homoseksuele geaardheid. Ook als dat in de eerdere besluiten niet is gedaan en de rechterlijke toets van die eerste besluiten niet heeft gezien op dit vereiste, ontslaat dat verweerder niet om bij een opvolgende aanvraag en een gehoor opnieuw zich te vergewissen van wie eiser is, wat zijn achtergrond is en of eiser in staat zal zijn om zijn relaas adequaat naar voren te brengen. Indien verweerder dat, zoals in de onderhavige besluiten, achterwege laat, is verweerder ook niet in staat om te bepalen welke bewijsdrempel hij aanlegt bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Verweerder is hiertoe wel gehouden omdat het beoordelen van de beschermingsbehoefte maatwerk vereist. 19. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder had moeten nagaan wat het referentiekader van eiser is en dat verweerder had moeten nagaan in hoeverre eiser in staat is om adequate verklaringen af te leggen om zodoende te kunnen bepalen wat verweerder van eiser mag verwachten om zijn asielrelaas met zijn verklaringen te kunnen staven. 20. Zoals hiervoor overwogen heeft verweerder onvoldoende invulling gegeven aan de samenwerkingsplicht door in het gehoor opvolgende aanvraag enkel te vragen “of eiser nog iets wil aanvullen”. Verweerder had eiser moeten ondersteunen in het naar voren brengen van zijn relaas door te vragen of zijn eerdere relatie nog voortduurt en of hij nog steeds bijeenkomsten bezoekt van maatschappelijke organisaties. Op die wijze kan verweerder in opvolgende procedures invulling geven aan zijn samenwerkingsplicht en de vreemdeling ondersteunen bij het naar voren brengen van zijn asielmotieven. Weliswaar is het aan de vreemdeling om zijn beschermingsbehoefte naar voren te brengen en zijn relaas aannemelijk te maken en is dit niet anders bij een opvolgende procedure. Dat laat onverlet dat verweerder moet bezien op welke wijze hij invulling moet geven aan zijn samenwerkingsplicht. Verweerder heeft hiervan geen enkele blijk gegeven. De rechtbank stelt in dit kader hogere eisen aan verweerder als verweerder niet is nagegaan of eiser in staat is om adequaat te verklaren en als verweerder niet (kenbaar) is nagegaan wat het referentiekader van eiser is en wat hij van eiser mag verwachten. De rechtbank merkt hierbij uitdrukkelijk op dat het niet relevant is dat het eerdere besluit op de asielaanvraag van eiser in rechte vaststaat. De vereisten waaraan verweerder moet voldoen om zijn handelingen te kunnen kwalificeren als zorgvuldig en deugdelijk, gelden onverkort en in vergelijkbare omvang in elke procedure. Opvolgende aanvraag; samenwerkingsplicht, documenten en beoordelingskader 21. De rechtbank overweegt voorts dat de afwijzing van de eerste aanvraag in rechte is vast komen te staan door de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2017. Eiser heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag hetzelfde asielmotief ten grondslag gelegd en om zijn relaas te onderbouwen documenten overgelegd. De rechtbank overweegt dat uit de wijze waarop eiser is gehoord en uit de wijze waarop vervolgens de opvolgende aanvraag is beoordeeld, blijkt dat verweerder onvoldoende doorgrondt welke uitleg het Hof in haar uitspraak van 10 juni 2021 in het arrest LH heeft gegeven. Het Hof heeft onder meer uitgelegd dat verweerder ook bij opvolgende procedures invulling moet geven aan zijn samenwerkingsplicht en dat de omvang van deze verplichting niet verschilt van de samenwerkingsplicht bij een eerste aanvraag om bescherming. Dit betekent dat verweerder moet samenwerken met eiser om te onderzoeken of eiser zijn relaas aannemelijk kan maken en of aan eiser bescherming moet worden geboden. Verweerder heeft dit onvoldoende gedaan. 22. In het gehoor van opvolgende aanvraag van 14 december 2022 heeft verweerder over het asielmotief “seksuele geaardheid” alleen inhoudelijke vragen gesteld over de overgelegde documenten. Verder is een aantal keer aan eiser gevraagd of eiser “nog iets wil opmerken, wijzigen of aanvullen ten aanzien van de voorgaande gehoren” en “nog iets wil verklaren over zijn seksuele geaardheid, anders dat wat hij al eerder verklaard heeft”. In het aanvullende gehoor van 27 mei 2024 is aangegeven dat het gehoor alleen betrekking heeft op de mensenhandel. Verweerder had echter, om daadwerkelijk invulling te geven aan zijn samenwerkingsplicht, in het gehoor opvolgende aanvraag ook vragen moeten stellen over de gestelde homoseksuele geaardheid. Verweerder hoeft niet op vergelijkbare wijze als bij een eerste aanvraag alle thema’s van de werkinstructie uit te vragen. Verweerder is er echter vanwege de eerste procedure mee bekend dat eiser een relatie in Nederland is aangegaan en dat eiser bijeenkomsten bezoekt van het COC. Juist in de situatie dat een vreemdeling niet goed kan verklaren over de andere thema’s uit de werkinstructie en zijn relaas daarmee niet goed genoeg aannemelijk kan maken, kan het de vreemdeling helpen als nader wordt gevraagd naar feitelijke situaties. Het langer voortduren van een relatie met iemand van hetzelfde geslacht en het gedurende een geruime periode bezoeken van bijeenkomsten van organisaties die zich inzetten voor de LHBTI+-gemeenschap zijn dergelijke feitelijkheden waarover doorgaans wel eenvoudiger kan worden verklaard. Zeker gelet op het tijdsverloop tussen de eerste en de opvolgende procedure, kunnen verklaringen over een voortdurende homoseksuele relatie of relaties en verklaringen over het bezoeken van bijeenkomsten steunbewijs opleveren. Verweerder had eiser ook kunnen vragen of hij, zoals de werkinstructie ook als mogelijkheid benoemt, akkoord zou gaan dat zijn partner zou worden bevraagd over hun relatie. Verweerder heeft in het geheel geen vragen hierover gesteld en de rechtbank overweegt dat verweerder daarom onvoldoende invulling heeft gegeven zijn samenwerkingsplicht voor zover eiser zijn seksuele geaardheid aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:6723). 23. De rechtbank wijst er in dit verband ook op dat in de eerdere procedure de gestelde (homoseksuele) partner van eiser, die inmiddels is overleden, aanwezig is geweest bij de behandeling ter zitting op 13 december 2016 en op 24 januari 2017 en dat ook een vertegenwoordiger van Rainbow COC Nijmegen eiser tijdens deze beide zittingen heeft vergezeld. De rechtbank heeft ter zitting deze, wederom zeer simpele en voor de hand liggende vragen aan eiser gesteld. Eiser heeft verklaard dat de relatie die hij ten tijde van de vorige zitting op 3 november 2023 had nog voortduurt en dat hij niet alleen samen met zijn partner bijeenkomsten bezoekt van het COC, maar ook deelneemt aan een whatsapp-groep van homoseksuelen. Eiser heeft aangeboden om ter zitting gesprekken van deze whatsapp-groep te tonen. De rechtbank heeft eiser medegedeeld dat deze gesprekken tot de privésfeer van eiser behoren en hij de gesprekken niet aan de rechtbank hoeft te tonen. 24. De rechtbank stelt gelet op het bovenstaande vast dat verweerder onvoldoende invulling heeft gegeven aan zijn samenwerkingsplicht in de opvolgende asielaanvraag van eiser. 25. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder ook onvoldoende doorgrondt wat het Hof in LH heeft uitgelegd over de bewijswaarde van documenten en hoe deze documenten in opvolgende procedures moeten worden betrokken bij het onderzoeken van de beschermingsbehoefte. 26. Eiser heeft in deze opvolgende procedure vijf documenten overgelegd. Verweerder heeft vier documenten laten onderzoeken. Het vijfde document heeft verweerder niet laten onderzoeken maar terzijde gelegd omdat de authenticiteit niet valt te onderzoeken en het bovendien afkomstig is van de (Nigeriaanse) advocaat van eiser en reeds daarom, volgens verweerder, geen steunbewijs kan opleveren. 27. De onderzoekverslagen van Bureau Documenten vermelden onder meer het navolgende: Verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 22 maart 2022 Politierapport afgegeven op 14 juli 2014 te Benin City 2.1 Controle Na onderzoek van het document is het volgende gebleken: 1. De opmaak en afgifte wijkt af van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. 2.2 Conclusie Betreffende de echtheid, opmaak en afgifte van het document: Gelet op het gestelde in punt 2.1 is het document hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd opgemaakt en afgegeven. Betreffende de inhoud van het document: Dezerzijds kan niet worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is. Arrestatiebevel afgeven te Benin City, datum afgifte niet vermeld 3.1 Controle Na onderzoek van het document is het volgende gebleken: 1. Het document betreft een wit vel papier zonder echtheidskenmerken. Het is geproduceerd met een reproductietechniek en niet voorzien van enige autorisatie. 3.2 Conclusie Betreffende de echtheid van het document: Gelet op het gestelde in punt 3.1 kan over de echtheid van het document geen uitspraak worden gedaan. Betreffende de opmaak en afgifte van het document: Dezerzijds kan geen uitspraak worden gedaan over de opmaak en afgifte van het document. Betreffende de inhoud van het document: Dezerzijds kan niet worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is. Verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 6 december 2023 Politie onderzoeksrapport afgegeven op 6 juni 2019 te Benin City 2.1. Controle De opmaak en afgifte wijkt af van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. 2.2 Conclusie Betreffende de echtheid en opmaak en afgifte van het document: Gelet op het gestelde in punt 2.1 is het document hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd opgemaakt en afgegeven. Betreffende de inhoud van het document: Dezerzijds kan niet worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is. Uittreksel politie dagrapport afgegeven op 17 oktober 2018 te Benin City 3.1 Controle Na onderzoek van het document is het volgende gebleken: 1. De opmaak en afgifte wijkt af van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. 3.2 Conclusie Betreffende de echtheid en opmaak en afgifte van het document: Gelet op het gestelde in punt 3.1 is het document hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd opgemaakt en afgegeven. Betreffende de inhoud van het document: Dezerzijds kan niet worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is. (…) 28. De rechtbank overweegt dat Bureau Documenten niet heeft vastgesteld dat de door eiser overgelegde documenten vals, vervalst of inhoudelijk onjuist zijn. Dat niet kan worden vastgesteld dat deze documenten authentiek en inhoudelijk juist zijn, betekent niet dat de inhoud niet juist kán zijn. Verweerder heeft weliswaar aan eiser vragen gesteld over de verkrijging van deze documenten, maar heeft zich niet nader vergewist of de inhoud van de onderzochte documenten juist kan zijn door deze documenten bijvoorbeeld inhoudelijk te vergelijken met documenten uit het referentiemateriaal waarvan wel is vastgesteld dat deze authentiek en bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. De inhoud van de documenten ondersteunt het asielrelaas van eiser en verweerder had dit daarom nader dienen te onderzoeken. Verweerder heeft door dit na te laten niet deugdelijk en zorgvuldig genoeg onderzocht of de documenten tezamen en in onderlinge samenhang met alle andere in deze en de vorige procedure aangedragen bewijsmiddelen het asielrelaas van eiser aannemelijk maken. De rechtbank merkt hierbij op dat eiser genoegzaam heeft verklaard op welke wijze hij de documenten verkregen en waarom hij niet in staat is geweest om deze documenten eerder te overleggen. 29. De rechtbank overweegt dat verweerder de documenten ten onrechte terzijde heeft gelegd en er geen enkele bewijswaarde aan heeft toegekend. De rechtbank heeft ter zitting met partijen besproken dat als de “echtheid” van een document niet kan worden vastgesteld, dit niet betekent dat het document inhoudelijk niet juist kan zijn. Verweerder dient bovendien elk bewijsmiddel dat door de vreemdeling wordt aangedragen te onderzoeken en te beoordelen of dit steunbewijs kan opleveren voor het asielrelaas. Ook als een document vals zou zijn, betekent dit niet dat hieraan geen enkele waarde kan toekomen. De rechtbank wijst op dit verband op overweging 62 van de Conclusie van Advocaat-Generaal Hogan in LH en de verwijzing door het Hof in punt 46 van het arrest naar deze overweging van de Advocaat-Generaal. 30. De rechtbank wijst tevens op overweging 35 van de Conclusie van Advocaat-Generaal Hogan in LH waarin wordt uiteengezet dat “niet alle niet-geauthentiseerde documenten evenwel zonder meer van de hand kunnen worden gewezen en veel hierbij zal afhangen van de context, relevantie, haalbaarheid van authenticatie en misschien zelfs in bepaalde gevallen de last die een poging tot authenticatie van de documenten zou opleggen aan de beslissingsautoriteit.” 31. Ook het Hof geeft in het arrest aanwijzingen over het moeten betrekken van documenten waarvan de authenticiteit niet vast is komen te staan. Zo heeft het Hof in LH onder meer het navolgende overwogen: (…) 39 39 In casu wenst de verwijzende rechter te vernemen of een document waarvan de authenticiteit en de waarachtigheid niet kunnen worden uitgesloten, „een nieuw element of nieuwe bevinding” in de zin van artikel 40, lid 2, van richtlijn 2013/32 kan vormen, hoewel de authenticiteit van dit document niet kan worden vastgesteld of de bron ervan niet objectief verifieerbaar is. 40 In dit verband dient te worden opgemerkt dat artikel 40, lid 2, van richtlijn 2013/32 geen enkel onderscheid maakt tussen een eerste verzoek om internationale bescherming en een volgend verzoek wat de aard van de elementen of bevindingen betreft die kunnen aantonen dat de verzoeker krachtens richtlijn 2011/95 in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet, zodat de beoordeling van de feiten en omstandigheden ter staving van deze verzoeken in beide gevallen moet worden verricht overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2011/95. 41 Om te beginnen omschrijft dit artikel 4, lid 2, de relevante elementen ter staving van een verzoek om internationale bescherming als die welke bestaan in „de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie in het bezit van de verzoeker over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumenten en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient”. 42 Vervolgens legt artikel 4, lid 3, onder b), van richtlijn 2011/95 de verplichting op om het verzoek op individuele basis te beoordelen, waarbij onder meer rekening dient te worden gehouden met de door de verzoeker overgelegde relevante documenten, zonder te vereisen dat die documenten noodzakelijkerwijs geauthentiseerd zijn. (…) 44 Hieruit volgt dat elk document dat door de verzoeker ter staving van zijn verzoek om internationale bescherming is overgelegd, moet worden beschouwd als een element van dat verzoek waarmee rekening dient te worden gehouden overeenkomstig artikel 4, lid 1, van richtlijn 2011/95, zodat het feit dat dit document niet kan worden geauthentiseerd of dat er geen objectief verifieerbare bron is, als zodanig niet kan rechtvaardigen dat een dergelijk document wordt uitgesloten van de behandeling waartoe de beslissingsautoriteit dient over te gaan overeenkomstig artikel 31 van richtlijn 2013/32. (…) 32. De rechtbank overweegt dat verweerder ter zitting van 2 oktober 2024 het standpunt heeft ingenomen dat de inhoud van de documenten wel is betrokken bij de beoordeling van dit element en dat dit uit de afdoeningswijze van de aanvraag blijkt, namelijk afgewezen als kennelijk ongegrond in plaats van niet-ontvankelijk. De rechtbank volgt dit niet. Reeds omdat in deze procedure een nieuw asielmotief is aangedragen, heeft verweerder de aanvraag niet kunnen afwijzen als niet-ontvankelijk omdat er geen nieuwe elementen en bevindingen aan de opvolgende aanvraag ten grondslag zouden zijn gelegd. Het gaat er om dat uit de uitleg van het Hof volgt dat aan documenten die niet geauthentiseerd zijn en dus niet “echt” bevonden zijn, niet zonder meer elke bewijswaarde kan worden ontzegd. Uit de bovenstaande overweging van het Hof volgt dat ook aan documenten die afkomstig zijn van een niet objectief verifieerbare bron, niet zonder meer elke bewijswaarde kan worden ontzegd. Verweerder heeft onvoldoende onderzocht of aan deze documenten bewijswaarde toekomt en heeft nagenoeg volstaan met het benoemen dat de echtheid niet kan worden vastgesteld. 33. Verweerder had dus ook moeten nagaan, ondanks dat de echtheid van de documenten niet kan worden vastgesteld, of de documenten de verklaringen van eiser kunnen ondersteunen. Verweerder kan deze documenten bijvoorbeeld vergelijken met documenten waarvan de echtheid wel is vastgesteld en kan de inhoud van deze documenten ook vergelijken met openbare bronnen om te bezien of de inhoud juist kan zijn. Verweerder weet dat homoseksualiteit strafbaar is gesteld in Nigeria en weet bijvoorbeeld dat er arrestaties plaatsvinden. Verweerder heeft weliswaar vragen gesteld over de wijze waarop eiser de documenten heeft verkregen, maar verweerder heeft vervolgens niet alleen ten onrechte de inhoud niet nader geverifieerd, maar verweerder legt de onderzoeksbevindingen van Bureau Documenten op een zeer opmerkelijke wijze aan zijn afwijzing van de asielaanvraag ten grondslag. Verweerder heeft namelijk overwogen dat “eiser een verleden heeft in zijn aanvragen waarbij de echtheid van de overgelegde documenten in twijfel zijn getrokken”. 34. De rechtbank overweegt uitdrukkelijk dat de omstandigheid dat de authenticiteit van een document niet kan worden vastgesteld een “neutraal karakter” heeft en geen rechtvaardiging is om de echtheid van dit document in twijfel te trekken. De rechtbank overweegt verder dat door dit wel te doen, verweerder blijk geeft de gevolgen van de onderzoeksbevindingen van Bureau Documenten niet goed voor ogen te hebben en de rechtbank wijst hierbij op hoofdstuk 8 van de Vakbijlage Bureau Documenten van november 2023. De zinssnede dat eiser hiermee “een verleden heeft” wekt de suggestie dat verweerder vermoedt dat eiser willens en wetens onrechte, valse of vervalste documenten aan verweerder heeft overhandigd om zo een verblijfsvergunning te verkrijgen. 35. De rechtbank het ter zitting besproken dat deze tegenwerping niet alleen feitelijk onjuist is, maar ook de indruk wekt dat eiser op niet oprechte wijze tracht zijn asielmotief te staven en tracht om verweerder te misleiden. De rechtbank stelt echter vast dat uit dit gehele zeer omvangrijke dossier en uit de onderzoeken ter zitting die hebben plaatsgevonden op 3 november 2023 en op 2 oktober 2024 geen enkele indicatie blijkt dat eiser onder valse voorwendselen tracht een verblijfsvergunning te verkrijgen en/of geen enkele aanwijzing bevat dat eiser in strijd met de waarheid heeft verklaard en/of geen enkele aanwijzing bevat dat eiser willens en wetens valse of vervalste documenten heeft overgelegd. De
Volledige uitspraak (archief)
Archief laden...