ECLI:NL:RVS:2026:4191
Raad van State · 2026-07-16 · Hoger beroep
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bij besluiten van 21 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen om appellanten een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Materiële kern
202306519/1/V1. Datum uitspraak: 16 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van: [appellant 1], [appellant 2], mede voor hun minderjarige kinderen, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 25 september 2023 in zaken nrs. NL23.13431 en NL23.13487 in het geding tussen: appellanten en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluiten van 21 juni 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen om appellanten een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd. Bij uitspraak van 25 september 2023 heeft de rechtbank het verzoek van appellanten om de staatssecretaris te veroordelen in de kosten die zij in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten op de asielaanvragen hebben gemaakt, afgewezen. Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. D. van Elp, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. De rechtbank heeft overwogen dat appellanten geen belang meer hebben bij een beoordeling van het door hen ingediende beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten op de asielaanvragen, omdat de minister inmiddels alsnog besluiten op de aanvragen heeft genomen. De rechtbank heeft het verzoek van appellanten om vergoeding voor hun proceskosten afgewezen. Daarover heeft de rechtbank overwogen dat appellanten de asielaanvragen hebben ingediend op 28 augustus 2021. De wettelijke beslistermijn van zes maanden zou eindigen op 28 februari 2022. De minister heeft op grond van het op 26 augustus 2021 inwerkinggetreden besluit- en vertrekmoratorium Afghanistan de beslistermijn voor lopende asielaanvragen met een jaar verlengd. Daarmee is de beslistermijn in dit geval verlengd tot en met 28 februari 2023. Vervolgens heeft de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn met negen maanden verlengd. Hierbij mag de maximale beslistermijn van 21 maanden niet worden overschreden. Dit betekent dat de beslistermijn voor appellanten pas op 28 mei 2023 is afgelopen. Gelet hierop hebben appellanten de ingebrekestelling van 14 maart 2023 te vroeg ingediend. Het beroep tegen het uitblijven van besluiten op de asielaanvragen was daarom altijd al niet-ontvankelijk, aldus de rechtbank. 2. Appellanten betogen in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte hun verzoek om vergoeding van de proceskosten heeft afgewezen. Zij voeren aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn rechtmatig met negen maanden heeft verlengd. De ingebrekestelling is niet te vroeg ingediend, aldus appellanten. 2.1. Niet in geschil is dat de minister met het op 26 augustus 2021 inwerkinggetreden besluit- en vertrekmoratorium Afghanistan de beslistermijn in dit geval heeft verlengd tot en met 28 februari 2023. 2.2. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, prejudiciële vragen gesteld over de vraag of de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn met negen maanden mocht verlengen. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, Zimir, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op die vragen. De Afdeling heeft op 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1749, einduitspraak gedaan, waarin zij tot de conclusie is gekomen dat WBV 2022/22 onverbindend is. 2.3. De asielaanvragen van appellanten vallen onder het toepassingsbereik van WBV 2022/22. Aangezien WBV 2022/22 onverbindend is, had de minister tot en met 28 februari 2023 de tijd om besluiten te nemen op de asielaanvragen van appellanten. Gelet hierop hebben appellanten de ingebrekestelling van 14 maart 2023 niet te vroeg ingediend. De minister is aan appellanten tegemoetgekomen aangezien hij hangende de procedure tegen het uitblijven van besluiten op de aanvragen alsnog besluiten heeft genomen. De Afdeling ziet aanleiding om de minister op grond van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten van appellanten te veroordelen. De grief slaagt. 3. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). 4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij het verzoek om de minister te veroordelen in de kosten die appellanten in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten op de asielaanvragen hebben gemaakt, heeft afgewezen. De minister moet de in verband met het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden. Het beroep en het hoger beroep gaan uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van besluiten op de asielaanvragen. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 25 september 2023 in zaken nrs. NL23.13431 en NL23.13487, voor zover de rechtbank het verzoek om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen in de kosten die appellanten in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten op de asielaanvragen hebben gemaakt, heeft afgewezen; III. veroordeelt de minister tot vergoeding van de bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier. w.g. Den Heyer lid van de enkelvoudige kamer w.g. De Wilde griffier Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2026 598