← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RVS:2026:3429

Raad van State · 2026-06-16 · Voorlopige voorziening

Zaaknummer
BRS.26.002683
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
2.516 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bij besluit van 10 april 2026 heeft de minister vanAsiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Materiële kern

BRS.26.002683 en BRS.26.002684 ECLI:NL:RVS:2026:3429 Datum uitspraak: 16 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van: [betrokkene 1] en [betrokkene 2], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 mei 2026 in zaak nr. NL26.20375 in het geding tussen: [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 10 april 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 27 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De voorzieningenrechter neemt de motivering onder 6, 6.1, 7.1, 7.2 en 9 tot en met 11 van de uitspraak van de rechtbank over. 1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). 2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier. w.g. Van Breda voorzieningenrechter w.g. Weber griffier Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2026 846